Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BF0175

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-05-2008
Datum publicatie
09-09-2008
Zaaknummer
AWB 07-14832
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regulier, intrekking AMV

Verweerder heeft met toepassing van artikel 19 in verbinding met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, Vw met terugwerkende kracht de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “AMV”, welke aan eiseres was verleend, ingetrokken. De ingetrokken vergunning is aan eiseres verleend bij hetzelfde besluit als waarbij de asielaanvraag van eiseres – die stelde uit Soedan afkomstig te zijn – is afgewezen. Ondanks twijfel aan de juistheid van het gestelde land van herkomst, is de AMV-vergunning destijds verleend. De reden van intrekking is gelegen in een naderhand (in een naturalisatieprocedure) verrichte taalanalyse, waaruit is gebleken dat eiseres eenduidig niet is te herleiden tot de taalgemeenschap van Soedan, maar hoogstwaarschijnlijk afkomstig is uit Noord-Oeganda. De rechtbank oordeelt onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis van artikel 19 Vw dat intrekking van de vergunning niet een punitief karakter mag hebben, maar dient tot herstel van de rechtmatige toestand, zoals die zou moeten zijn als ten tijde van de beslissing op de aanvraag de juiste gegevens bekend zouden zijn geweest. Verweerder behoort derhalve na te gaan of aan de asielzoeker die de onjuiste gegevens heeft vermeld, destijds evenmin een vergunning zou zijn verleend, indien wordt uitgegaan van de juiste gegevens. In casu heeft verweerder niet gemotiveerd dat en waarom aan eiseres destijds geen AMV-vergunning zou zijn verleend indien bekend zou zijn geweest dat zij niet uit Soedan maar uit Oeganda afkomstig was. Door deze beoordeling na te laten, vormt de intrekking van de verblijfsvergunning van eiseres een punitieve reactie op de verstrekking van de onjuiste gegevens en is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel aangewend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 07/14832

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 27 mei 2008

in de zaak van:

[naam eiseres],

geboren op [geboortedatum], van (gestelde) Soedanese nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq, advocaat te Haarlem,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. H. van Velzen, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Bij beschikking van 10 november 2006 is de aan eiseres verleende vergunning tot verblijf onder de beperking 'verblijf als alleenstaande minderjarige asielzoeker' (AMA) met terugwerkende kracht tot 10 mei 1999 ingetrokken. Tegen die beschikking heeft eiseres op 22 november 2006 bezwaar aangetekend. Op 8 maart 2007 heeft verweerder dat bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft op 5 april 2007 beroep aangetekend tegen dit besluit.

1.2 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 21 april 2008. Eiseres en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Ingevolge artikel 19 in verbinding met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden ingetrokken, indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.

2.3 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres heeft op 10 mei 1999 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 23 december 1999 afgewezen, maar bij dezelfde beschikking is aan eiseres met ingang van 10 mei 1999 een vergunning tot verblijf verleend onder de beperking 'verblijf als AMA'. Eiseres heeft tegen het besluit op 1 februari 2000 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 24 januari 2002 ongegrond verklaard. Met ingang van 10 mei 2002 is aan eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder beperking 'voortgezet verblijf' verleend, geldig tot 10 mei 2007. Aan haar aanvraag om toelating als vluchteling heeft eiseres ten grondslag gelegd dat zij - voor zover hier van belang - afkomstig is uit Soedan. In de beschikking waarbij die aanvraag is afgewezen heeft verweerder overwogen dat hij twijfelt aan de geloofwaardigheid van het relaas van eiseres, maar dat - wat er zij van die twijfel - het asielrelaas niets inhoudt op grond waarvan eiseres als vluchteling zou behoren te worden aangemerkt. Verweerder heeft voorts overwogen dat de twijfel aan het relaas van eiseres, welke twijfel mede betrekking heeft op hetgeen eiseres heeft verklaard over haar land van herkomst, niet aan verlening van een vergunning tot verblijf voor bepaalde tijd onder de beperking verblijf als AMA, in de weg staat.

2.4 In het bestreden besluit stelt verweerder zich op het volgende standpunt. Eiseres heeft haar medewerking verleend aan een taalanalyse, waarvan het resultaat is opgenomen in een rapport van 6 april 2006. Uit dat rapport is gebleken dat eiseres eenduidig niet herleidbaar is tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Soedan. De taalanalyse biedt aanknopingspunten voor de veronderstelling dat eiseres afkomstig is uit Noord-Oeganda. Nu eiseres aan haar oorspronkelijke aanvraag onjuiste gegevens ten grondslag heeft gelegd, terwijl, waren die gegevens indertijd wel bekend geweest, deze aanvraag niet zou zijn gehonoreerd, dient de aan haar verleende vergunning met terugwerkende kracht te worden ingetrokken.

2.5 Eiseres heeft in haar beroepsschrift drie gronden aangevoerd. In de eerste plaats voert eiseres aan dat de bestreden beschikking ondeugdelijk is gemotiveerd, omdat daarin wordt verwezen naar uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), waarvan alleen een nummer en een uitspraakdatum is vermeld. Zodoende zijn deze niet-gepubliceerde uitspraken niet kenbaar voor eiseres waardoor de motivering van de beschikking niet inzichtelijk is. In de tweede plaats wordt aangevoerd dat reeds ten tijde van het beslissen op de oorspronkelijke aanvraag de geloofwaardigheid van het relaas van eiseres in het geding was, hetgeen echter niet aan verstrekking van de thans ingetrokken verblijfsvergunning in de weg heeft gestaan. Eiseres betoogt dat de omstandigheid dat indertijd reeds haar relaas in twijfel werd getrokken aan intrekking van de desondanks verleende vergunning op de grond dat haar relaas onjuist blijkt te zijn, in de weg staat. In de derde plaats wordt betoogd dat verweerder ter onderbouwing van de bestreden beschikking verwijst naar een overweging in een uitspraak van de Afdeling die geen betrekking heeft op het argument ter onderbouwing waarvan die uitspraak wordt aangehaald. Ook om die reden is de beschikking ontoereikend gemotiveerd.

2.6 Ter zitting is door de gemachtige van eiseres voorts - in navolging van hetgeen in de bezwaarfase is aangevoerd - betoogd dat het door verweerder gehanteerde instrument van taalanalyse ondeugdelijk is, in een situatie zoals die van eiseres, die reeds langdurig in een ander land verblijft, waardoor het waarschijnlijk is dat haar taalbeheersing is veranderd. Op grond daarvan dient te worden geconcludeerd dat de gerezen twijfel over de herkomst van eiseres blijft bestaan en dat de aan haar verleende vergunning ten onrechte is ingetrokken.

2.7 In het door verweerder ingediende verweerschrift wordt het eerder ingenomen standpunt dat de aan eiseres verleende vergunning dient te worden ingetrokken, gehandhaafd. Verweerder heeft voorts de in het besluit genoemde uitspraken van de Raad van State als bijlage bij het verweerschrift gevoegd.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.8 De rechtbank stelt voorop dat de in artikel 19 juncto artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet neergelegde bevoegdheid om een vergunning in te trekken niet alleen betrekking heeft op vergunningen die op aanvraag zijn verleend, maar ook op ambtshalve verleende vergunningen waaraan wel een aanvraag tot verlening van een andere vergunning aan vooraf is gegaan, vergelijk ABRvS, 13 december 2006, JV 2007, 54. Verweerder is derhalve bevoegd op grond van de omstandigheid dat een vreemdeling aan zijn aanvraag tot verblijf als vluchteling onjuiste gegevens ten grondslag heeft gelegd, de nadien aan hem verleende vergunning tot verblijf met de beperking 'verblijf als AMA' in te trekken.

2.9 Aan de beroepsgrond dat de bestreden beschikking ongenoegzaam is gemotiveerd door de verwijzing daarin naar niet kenbare jurisprudentie gaat de rechtbank voorbij. De bedoelde uitspraken van de Afdeling zijn door vermelding van uitspraakdatum en zaaksnummer voldoende gespecificeerd en kunnen eenvoudig worden geraadpleegd door deze op te vragen bij de Afdeling. Anders dan eiseres veronderstelt levert het niet nader aanduiden, respectievelijk het niet door verweerder ter beschikking stellen van exemplaren van die uitspraken, geen motiveringsgebrek op.

2.10 Ook aan de door eiseres aangevoerde grond dat verweerder de beschikking ongenoegzaam heeft gemotiveerd door te verwijzen naar een kennelijk niet toepasselijke uitspraak, gaat de rechtbank voorbij. De verwijzing naar de uitspraak in zake Frederick heeft verweerder gehanteerd ter onderbouwing van het standpunt dat een naturalisatieverzoek aanleiding kon vormen voor nader onderzoek naar de herkomst van eiseres, en moet in verband worden gezien met de vaste Afdelingsjurisprudentie die inhoudt dat degene die op basis van onjuiste of onvolledige informatie rechten verwerft, er steeds rekening mee dient te houden dat op enig moment rechtsherstel kan plaatsvinden, alsmede dat nader onderzoek door verweerder kan worden ge-entameerd wanneer er aanleiding bestaat te onderzoeken of de vreemdeling aan de voorwaarden voor verlening, danwel verlenging van een vergunning voldoet.

2.11 Verweerder was dan ook bevoegd om naar aanleiding van de aanvraag van eiseres tot naturalisatie haar identiteitsgegevens opnieuw te beoordelen en naar aanleiding van de daaromtrent gerezen twijfels een nader onderzoek te gelasten in de vorm van een taalanalyse. Aan die bevoegdheid doet niet af dat van aanvang van de asielprocedure af twijfel heeft bestaan aan het relaas van eiseres voor wat betreft haar land van herkomst, vergelijk ABRvS 21 december 2005, AB 2006, 153, met noot H.B., rechtsoverweging 2.2.3. Aan het eerder verlenen van vergunningen ondanks de bestaande twijfel, kan niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat de verleende vergunning niet zou worden ingetrokken.

2.12 Blijkens door verweerder verstrekte informatie was bovendien indertijd nog onvoldoende kennis van de taal- en cultuurgemeenschap van Soedan beschikbaar om een gedegen onderzoek naar het relaas van eiseres te verrichten, en is die kennis pas in 2003 verworven en heeft zich pas daarna een nieuw toetsingsmoment voorgedaan. Niet aannemelijk is geworden dat verweerder reeds eerder over die kennis kon beschikken.

2.13 Volgens vaste jurisprudentie wordt een taalanalyse-rapport aangemerkt als een deskundigenrapport. De vreemdeling kan de conclusies van een deskundigenrapport inzake zijn herkomst weerleggen door het laten verrichten van een contra-expertise. Met het enkel plaatsen van kritische kanttekeningen bij de uitgevoerde taalanalyse kan de vreemdeling niet teweegbrengen dat verweerder een nieuwe taalanalyse moet verrichten, dan wel van een van de taalanalyse afwijkende conclusie uit dient te gaan (vergelijk AbRvS 14 juli 2004, 200401127/1).

2.14 Eiseres heeft in casu geen contra expertise laten verrichten. Zij heeft slechts kritische kanttekeningen bij de uitgevoerde taalanalyse geplaatst, onder meer hierin bestaande dat de taalanalyse op onzorgvuldige wijze is geschied en dat de betrouwbaarheid van de uitkomst wordt betwijfeld op grond van de bijzondere omstandigheden van de vreemdeling. Dat levert naar het oordeel van de rechtbank echter geen concrete aanwijzingen op voor twijfel aan de juistheid van de taalanalyse. Eiseres is er aldus niet in geslaagd de uitkomst van de taalanalyse te weerleggen. Gegeven de uitkomst van de taalanalyse heeft verweerder zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat eiseres inzake haar herkomst onjuiste gegevens heeft verstrekt.

2.15 De rechtbank is echter op grond van het navolgende van oordeel dat het bestreden besluit ongenoegzaam is gemotiveerd. De beschikking houdt weliswaar in dat eiseres onjuist heeft verklaard over haar land van herkomst, maar niet is gemotiveerd dat, zoals artikel 19 in verbinding met artikel 18, eerste lid, sub c Vw, voorschrijft, of en waarom de vergunning destijds niet aan eiseres zou zijn verleend, ware verweerder met de juiste gegevens omtrent haar herkomst bekend geweest.

2.16 Aan genoemde voorschriften ligt ten grondslag dat de asielzoeker die onjuiste gegevens opgeeft bij de aanvraag van een verblijfsvergunning asiel, daarmee mogelijkerwijs in een gunstiger positie is gekomen dan het geval zou zijn geweest als de juiste gegevens waren vermeld. De Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 1999-2000, 26732, no. 7) houdt dienaangaande in:

"Met de intrekking van de verblijfsvergunning op grond van het feit dat er bij de verlening of verlenging onjuiste gegevens zijn verstrekt, wordt slechts beoogd de situatie te herstellen zoals die rechtens zou zijn geweest indien wel de juiste gegevens zouden zijn verstrekt. Zoals in de betreffende artikelen tot uitdrukking wordt gebracht, is de intrekking gericht op het ongedaan maken van de gevolgen die aan de onjuiste gegevens zijn verbonden. Met de intrekking van de vergunning wordt dan ook nadrukkelijk niet beoogd enig leed toe te voegen. Zij is louter van reparatoire en niet van punitieve aard.

Om die reden is dan ook niet vereist dat de vreemdeling de onjuiste gegevens zelf heeft verstrekt, dat hij op de hoogte was van de verstrekking van de onjuiste gegevens of dat hij daarmee heeft ingestemd. Opzet van de vreemdeling of diens persoonlijke betrokkenheid in welke vorm dan ook, is evenmin vereist; dergelijke factoren zijn immers niet relevant voor de vraag welke beslissing rechtens de juiste zou zijn geweest indien er geen onjuiste gegevens waren verstrekt, en derhalve evenmin voor de vraag of de bestaande situatie moet worden gecorrigeerd door intrekking van de ten onrechte verleende vergunning. Het gaat er bij de intrekking uitsluitend om dat de situatie wordt hersteld naar de situatie zoals die had behoren te zijn".

2.17 De onderhavige intrekkingsgrond beoogt dus te voorkomen dat asielzoekers die onjuiste gegevens hebben verstrekt, hun daardoor verkregen gunstiger positie behouden. Met intrekking van de eertijds verleende vergunning wordt rechtsherstel bewerkstelligd, waarbij het uitgangspunt echter is dat beoordeeld moet worden of evenmin een vergunning zou zijn verstrekt indien de juiste gegevens bekend waren geweest. Verweerder behoort derhalve na te gaan of aan de asielzoeker die de onjuiste gegevens heeft vermeld, destijds evenmin een vergunning zou zijn verleend indien zou worden uitgegaan van de juiste gegevens. In die situatie zou immers geen rechtsherstel behoeven plaats te vinden en zou intrekking van de verblijfsvergunning een louter punitief karakter hebben.

2.18 In casu heeft verweerder niet - ook niet ter zitting van de rechtbank - gemotiveerd dat en waarom aan eiseres eertijds geen verblijfsvergunning regulier als alleenstaande minderjarige asielzoekster zou zijn verleend, ware destijds bekend geweest dat zij vermoedelijk uit Noord-Oeganda afkomstig was. Verweerder heeft enkel gewezen op een uitspraak van de Rechtseenheidskamer, welke inhoudt dat alleen wanneer boven iedere twijfel is verheven dat het relaas van de alleenstaande minderjarige vreemdeling onjuist is, de verblijfsvergunning geweigerd kan worden. Daarmee legt verweerder de nadruk op de omstandigheid dat eiseres destijds onjuiste gegevens heeft verstrekt, en beoordeelt verweerder niet of aan eiseres destijds een vergunning zou zijn verleend, indien zij wel de juiste gegevens zou hebben verstrekt. Door deze beoordeling na te laten vormt de intrekking van de verblijfsvergunning van eiseres een punitieve reactie op die verstrekking.

2.19 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren wegens schending van artikel 7:12 Awb.

2.20 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt en de Staat der Nederlanden als rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

2.21 De rechtbank zal de Staat der Nederlanden aanwijzen als rechtspersoon die het door eiseres betaalde griffierecht vergoedt.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1. verklaart het beroep gegrond;

3.2. vernietigt het bestreden besluit;

3.3. draagt verweerder op binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift;

3.4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- en wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet voldoen;

3.5. draagt de Staat der Nederlanden op € 143,- aan eiseres te betalen als vergoeding voor het betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Geelhoed, rechter, en op 27 mei 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. S.S. de Groot, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, 's-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.