Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BF0150

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-08-2008
Datum publicatie
13-10-2008
Zaaknummer
AWB 07/46 IB/PVV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

VAR 2005. Eiser heeft ook nu nog belang bij afgifte VAR-dga over 2005. Verweerder maakt niet aannemelijk dat sprake is van gezagsverhouding tussen eiser en de opdrachtgever. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-2156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/46 IB/PVV

Uitspraakdatum: 29 augustus 2008

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[regio], kantoor [P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 19 april 2007 op het bezwaar van eiser tegen de op de voet van artikel 3:157 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) voor het jaar 2005 gegeven beschikking Verklaring arbeidsrelatie (VAR).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2008. Namens eiser is verschenen [A] en namens verweerder is verschenen mr. [B]

1 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- wijzigt de beschikking aldus dat de door eiser in 2005 verrichte werkzaamheden die voortvloeien uit zijn arbeidsrelatie met de KNHS worden aangemerkt als werkzaamheden die uitsluitend zijn verricht voor rekening en risico van de onderneming van [C] B.V.;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644 en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon aan die dit bedrag aan eiser moet voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden het door eiser betaalde griffierecht € 281 aan hem vergoedt.

2 Gronden

2.1. Ter zitting is komen vast te staan dat eiser geen belang meer heeft bij het beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Anders dan verweerder heeft gesteld in zijn nader stuk van 30 juli 2008, betekent dit dat het beroep op de voet van artikel 6:19, eerste lid, Awb wordt geacht mede te zijn gericht tegen de uitspraak op bezwaar van 19 april 2007.

2.2. Eiser heeft ter zitting verklaard dat het beroep geen betrekking heeft op de VAR's voor de jaren 2006 en 2007, waartegen afzonderlijk bezwaar is gemaakt. Wel geldt hetgeen hij in deze procedure met betrekking tot die jaren heeft aangevoerd eveneens voor het jaar 2005.

2.3. Voorts hebben partijen ter zitting eenparig verklaard dat het beroep geacht moet worden te zijn ingediend door of namens eiser en dat zij ervan uitgaan dat deze rechtbank bevoegd is.

2.4. Tot slot is komen vast te staan dat aan eiser nog geen aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen voor 2005 is opgelegd.

2.5. Met inachtneming van het vorenstaande betreft het geschil uiteindelijk nog a) de vraag of eiser thans nog een belang heeft bij deze procedure over de afgifte van de door hem aangevraagde zogeheten Verklaring arbeidsrelatie 'directeur-grootaandeelhouder' als bedoeld in artikel 3.157 van de Wet (hierna: VAR-dga) in plaats van de door verweerder afgegeven VAR-loon voor 2005 en - indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord -

b) de vraag of verweerder terecht in plaats van de door eiser aangevraagde VAR-dga een VAR-loon heeft afgegeven.

2.6. Eiser heeft ter zitting gesteld dat de KNHS bij de betalingen over de jaren 2005 tot en met 2008 circa 30 percent heeft ingehouden. Verweerder heeft daartegenover gesteld dat eiser over 2005 volledig is betaald.

De stellingen van partijen zijn niet onverenigbaar met elkaar, indien ervan wordt uitgegaan dat het totaal van de sinds 2005 uitbetaalde bedragen hoger is dan de voor 2005 overeengekomen vergoeding. De rechtbank houdt het daarom bij gebrek aan aanwijzingen in andere richting ervoor dat van de voor 2005 overeengekomen vergoeding nog circa 30 percent dient te worden uitbetaald. Voorts ligt het gezien de omstandigheden van het geval niet voor de hand dat de KNHS de ingehouden bedragen reeds als loonbelasting heeft afgedragen, zodat naheffing van loonbelasting over 2005 niet is uigesloten. Op grond van het vorenstaande heeft eiser belang bij een procedure over de voor 2005 afgegeven VAR, ook al is dat jaar inmiddels verstreken.

2.7. De afgifte van de VAR-loon is gebaseerd op verweerders kwalificatie van eisers rechtsbetrekking met de KNHS als een civielrechtelijke dienstbetrekking. Daar is sprake van indien aan de navolgende criteria is voldaan:

a. de opdrachtnemer is verplicht de arbeid persoonlijk te verrichten; en

b. de opdrachtgever is verplicht tot het betalen van enige beloning; en

c. de opdrachtnemer staat in een gezagsverhouding tot de opdrachtgever.

2.8. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de rechtsbetrekking tussen eiser en de KNHS ziet op - kort gezegd - eisers activiteiten als bondscoach van de Nederlandse dressuurploeg en is aangegaan voor een periode van drie jaar (2005 tot en met 2008), met het oog op de Olympische Spelen in Peking in 2008.

2.9. In de considerans van de overeenkomst waarin deze rechtsbetrekking is neergelegd (bijlage 2 bij het nader stuk van 1 augustus 2008 - hierna ook: de overeenkomst) is onder meer in aanmerking genomen dat 'X zijn werkzaamheden zal uitvoeren zonder dat er een gezagsverhouding bestaat'. Dat staat op zichzelf niet in de weg aan het aannemen van een gezagsverhouding op grond van hetgeen partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen in de overeenkomst mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, mede gelet op de maatschappelijke kringen waartoe partijen behoren en de rechtskennis die van zodanige partijen kan worden verwacht.

In de considerans van de overeenkomst is voorts opgenomen dat 'X zijn werkzaamheden zal uitvoeren binnen het algemeen raamwerk dat de KHNS aan hem opdraagt'. Het raamwerk is nader uitgewerkt in de overeenkomst. Dit enkele binnen een raamwerk moeten verrichten van werkzaamheden is onvoldoende om te kunnen spreken van een dienstbetrekking. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het raamwerk kan worden getypeerd als een, in een aantal gevallen algemeen geformuleerde, nadere bepaling van de overeengekomen werkzaamheden, bijvoorbeeld: 'het vergroten van de groep Nederlandse combinaties (ruiter/amazone en paard die op nationaal / internationaal niveau goed presteren').

2.10. Niet in geschil is dat eiser grote vrijheid had bij de inrichting en uitvoering van de overeengekomen werkzaamheden. Volgens verweerder, op wiens weg het ligt het bestaan van een gezagsverhouding aannemelijk te maken, kan de gezagsverhouding echter worden herleid uit de structuur die door de KNHS is gekozen. Verweerder heeft deze stelling geconcretiseerd door te wijzen op de topsportcommissies per discipline, die de regie zouden voeren en het beleid zouden vaststellen en met wie eiser regelmatig zou dienen te overleggen over de voortgang van de selectieleden. Verweerder heeft in dit verband ook gewezen op het federatiebestuur dat uiteindelijk zou bepalen wie uitgezonden wordt.

Verweerder heeft de door hem gestelde en door eiser weersproken bevoegdheden echter niet nader heeft gespecificeerd en onderbouwd. Bovendien impliceren de gestelde bevoegdheden, zo zij bestaan, geen gezagsverhouding.

2.11. Verweerder heeft gesteld dat de gezagsverhouding voorts volgt uit een combinatie van factoren, te weten:

- eiser dient zich te voegen in een door de KNHS geschapen organisatorisch kader;

- uit de overeenkomst blijkt dat eiser geen soortgelijke opdrachten mag aanvaarden,

- eiser doet mee aan het programma 'Coaches aan de top', waarvan één van de voorwaarden is dat hij in dienst moet zijn van de bond.

De eerste twee punten vormen geen concrete aanwijzingen voor een gezagsverhouding.

De kennelijk voor deelname aan het programma 'Coaches aan de top' gestelde eis van een dienstbetrekking werpt op geen licht op de bevoegdheden van de KNHS met betrekking eiser in 2005. Overigens heeft eiser eerst met ingang van 1 januari 2007 aan dat programma deelgenomen.

Daarnaast heeft verweerder gewezen op feiten en omstandigheden aangaande andere coaches, waarvan zonder nadere toelichting - die ontbreekt - niet kan worden aangenomen dat die ook voor eiser gelden.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank de aanwezigheid van een voor een civielrechtelijke dienstbetrekking noodzakelijke gezagsverhouding tussen eiser en de KNHS niet aannemelijk geworden. Of aan de andere vereisten voor een civielrechtelijke dienstbetrekking is voldaan, kan onbesproken blijven.

2.12. Verweerder heeft ter zitting nog geopperd dat wellicht sprake is van een fictieve dienstbetrekking. Zonder feitelijke onderbouwing, die verweerder niet heeft verschaft, valt niet in te zien onder welke van in de artikelen 3 en 4 van de Wet op de loonbelasting 1964 bedoelde categorieën fictieve dienstbetrekkingen de arbeidsverhouding van eiser zou kunnen worden gebracht.

2.13. Gelet op het hiervoor overwogene is geen sprake van een civielrechtelijke of fictieve dienstbetrekking tussen eiser en de KNHS in 2005.

2.14. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en de VAR aanpassen in de door eiser voorgestane zin.

2.15. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). Voor een hogere vergoeding, zoals door eiser verzocht, acht de rechtbank geen termen aanwezig. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat niet gesteld of gebleken is dat de beperkte motivering van de uitspraak of bezwaar of de lange duur van de procedure vanaf het verzoek om een VAR-dga - welke omstandigheden eiser heeft aangevoerd als grond voor integrale vergoeding van zijn proceskosten - hebben geleid tot extra kosten (vgl. HR 21 maart 2008, nr. 43 066, V-N 2008/15.6).

Deze uitspraak is gedaan op 29 augustus 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. L. de Loor-Alwin, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Holdert, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a.de naam en het adres van de indiener;

b.een dagtekening;

c.een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d.de gronden van het hoger beroep.