Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BE9730

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-07-2008
Datum publicatie
03-09-2008
Zaaknummer
AWB 06/3329 RWNL
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op grond van in Ghana afgelegde nadere verklaringen (affidavits) die dateren van na de beslissing op bezwaar moet worden geoordeeld dat onvoldoende feitelijke grondslag meer aanwezig is voor verweerders oordeel dat eisers ouders in een traditioneel huwelijk met elkaar gehuwd waren. De Nederlandse rechter moet zich richten naar de rechtskracht die in het Ghanese recht aan dergelijke verklaringen toekomt. Met dat uitgangspunt verdraagt zich niet dat nadere affidavits, indien deze ongemotiveerd afwijken van eerder door dezelfde personen over dezelfde feiten afgelegde verklaringen, door verweerder stelselmatig als van onwaarde terzijde worden gelegd. Nu verweerder op die nadere affidavits niet inhoudelijk heeft gereageerd, hoewel door de rechtbank daartoe uitdrukkelijk uitgenodigd, gaat de rechtbank er vanuit dat verweerder zijn standpunt heeft gehandhaafd. Gegrondverklaring van het beroep wegens onvoldoende draagkrachtige motivering van de beslissing op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

derde afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 06/3329 RWNL

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser] domicilie kiezende te Amsterdam, eiser,

en

de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

I. Ontstaan en loop van het geding

Eiser, geboren in Ghana op [geboortedatum] 1985, heeft op 7 februari 2004 een aanvraag ingediend bij de Nederlandse ambassade te Lagos (Ghana) voor het verkrijgen van een Nederlands paspoort.

Bij besluit van 8 april 2004 heeft verweerder eiser bericht dat zijn aanvraag niet in behandeling kon worden genomen, aangezien hij niet in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit.

Bij faxbericht van 5 mei 2004 heeft eiser tegen dat besluit bij verweerder bezwaar gemaakt.

Op 28 juli 2005 heeft verweerder eisers raadsvrouwe en zijn moeder op het bezwaar gehoord.

Bij besluit van 10 februari 2006 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit heeft eiser bij faxbericht van 23 maart 2006 bij de rechtbank beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is, gevoegd met de identieke zaak van de zus van eiser,

[zus], behandeld ter zitting op 16 juli 2007.

Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde, mr. S.S. Jangali, advocaat te Amsterdam.

Verweerder is, daartoe opgeroepen door de rechtbank, verschenen bij zijn [gemachtigde]

De rechtbank heeft op 20 juni 2007 het onderzoek heropend teneinde - ook in dit beroep - verweerder een vraag betreffende het toepasselijke Ghanese recht te doen beantwoorden.

Ter beantwoording van deze vraag heeft verweerder bij brief van

16 augustus 2007 nadere stukken ingezonden.

Bij brief van 12 oktober 2007 heeft eiser op die stukken gereageerd.

Vervolgens heeft eiser nog verscheidene nieuwe stukken in het geding gebracht.

Verweerder heeft, hoewel bij herhaling daartoe uitgenodigd, op geen van deze stukken gereageerd. Bij brief van 6 maart 2008 heeft de rechtbank verweerder medegedeeld dat zij, bij het uitblijven van een reactie, daaruit de gevolgtrekkingen kon maken die haar geraden voorkomen.

De rechtbank heeft daarop het onderzoek gesloten en heeft partijen bij brief van 29 mei 2008 medegedeeld dat zij binnen zes weken uitspraak zou doen.

II. Motivering

1. De rechtbank staat in dit geding voor de vraag of het bestreden besluit, gelet op de daartegen ingebrachte beroepsgronden, in rechte stand kan houden.

2. In artikel 9 van de Paspoortwet is bepaald dat iedere Nederlander binnen de grenzen van die wet recht heeft op een nationaal paspoort, dat geldig is voor vijf jaren en voor alle landen.

In artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c., van de Paspoortwet is bepaald dat in het buitenland tot het in ontvangst nemen van aanvragen voor nationale paspoorten bevoegd is: het hoofd van de daartoe aangewezen consulaire post, voor zover het personen betreft die zich in zijn ressort bevinden.

In artikel 28, eerste lid, van de Paspoortwet is voor de in artikel 26 bedoelde autoriteit de verplichting opgenomen zich de nodige zekerheid over de identiteit en de nationaliteit van de aanvrager te verschaffen en, indien deze geen Nederlander is, tevens met betrekking tot diens verblijfstitel.

Het tweede en derde lid van genoemd artikel bevatten bepalingen terzake het overleggen van bewijsstukken door de aanvrager en het in de regel persoonlijk verschijnen van de aanvrager voor het doen van de aanvraag.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, (oud) van de Rijkswet op het Nederlander-schap wordt het Nederlanderschap verkregen door een niet-Nederlands minderjarig kind, dat door een Nederlander wordt erkend.

Ingevolge artikel 1:199 van het Burgerlijk Wetboek is vader van een kind de man:

a. die op het tijdstip van de geboorte van het kind met de vrouw uit wie het kind is geboren is gehuwd;

b. (…);

c. die het kind heeft erkend;

(…).

In artikel 1:203, eerste lid, onder b., van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat erkenning kan geschieden bij notariële akte. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat de erkenning gevolg heeft vanaf het tijdstip waarop zij is gedaan.

Ingevolge artikel 1:204, eerste lid, aanhef en onder f, van het Burgerlijk Wetboek, voor zover thans van belang, is de erkenning nietig indien zij is gedaan terwijl er twee ouders zijn.

3. Partijen worden verdeeld gehouden over de vraag of eiser, die in Ghana is geboren uit Ghanese ouders, als gevolg van erkenning door een Nederlandse man de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, zodat hem op zijn verzoek een Nederlands paspoort moet worden verstrekt.

Eiser heeft daartoe, kort weergegeven, aangevoerd dat hij als [... namen ...] is geboren op [geboortedatum] 1985, dat zijn ouders, [vader] en [moeder], nimmer met elkaar gehuwd zijn geweest, dat hij derhalve niet is geboren uit een huwelijk tussen hen beiden, dat hij bij zijn geboorte de familienaam van zijn moeder heeft gekregen, dat hij altijd bij zijn moeder of bij familie van moederszijde heeft gewoond, dat zijn moeder later naar Nederland is vertrokken en daar samenwoont met [A.], dat deze laatste de Nederlandse nationaliteit heeft en op

6 mei 2002 eiser bij notariële akte heeft erkend. Eiser leidt uit deze feiten af dat hij geen andere wettige vader heeft dan [A.], dat hij door de erkenning de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen en daarom aanspraak heeft op de verstrekking van een Nederlands paspoort.

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij heeft de door eiser ter ondersteuning van zijn aanvraag overgelegde documenten beoordeeld in het licht van in 1998 en 2000 in het kader van de legalisatie en verificatie van zijn geboorteakte verkregen verklaringen van familieleden over de afstamming van eiser. Daaruit is volgens verweerder gebleken dat tussen [vader] en [moeder] een zogeheten “customary marriage” is gesloten en dat eiser uit die verbintenis is geboren. [vader] is dus de wettige vader van eiser, zodat de erkenning van eiser door [A.] nietig is en eiser daardoor niet de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Daardoor kon aan hem geen Nederlands paspoort worden afgegeven.

4. De familierechtelijke positie van eiser wordt in eerste instantie bepaald door het Ghanese familierecht. Naar Nederlands internationaal privaatrecht wordt een in het buitenland tot stand gekomen familierechtelijke betrekking tussen een vader en een kind ook in Nederland als zodanige familierechtelijke betrekking erkend.

Door eiser is een geboorteakte overgelegd, waaruit blijkt dat hij op 14 november 1997 is opgenomen in het Ghanese geboorteregister als zoon van [vader] en [moeder] en is geboren op [geboortedatum] 1985. Op de geboorteakte is [tante], een tante van eiser, als informant vermeld.

Blijkens een stempel van 22 september 2000 heeft de Nederlandse ambassade te Accra (Ghana) vastgesteld dat de geboorteakte inhoudelijk was geverifieerd en akkoord bevonden. De ambassade is tot deze conclusie gekomen op grond van een verificatieonderzoek in Ghana, waarbij diverse familieleden van eiser hebben verklaard dat zijn ouders in een customary marriage met elkaar gehuwd waren. Op grond van deze bevinding heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser de Ghanese nationaliteit heeft, aangezien familierechtelijke betrekkingen bestaan tussen eiser en zijn biologische vader [vader].

5. Eiser heeft daar tegen ingebracht dat de familieleden die in het kader van verweerders verificatieonderzoek verklaringen hebben afgelegd zich daarbij hebben gebaseerd op de uiterlijke schijn van een customary marriage tussen de ouders van eiser. Een dergelijk huwelijk heeft echter nimmer bestaan, omdat niet is voldaan aan de voor de sluiting van een dergelijk huwelijk geldende vereisten. De moeder van eiser heeft verklaard dat er geen huwelijkssluiting is geweest, er hebben geen huwelijksrituelen of huwelijksceremonies plaatsgevonden, er is geen bruidsschat betaald en er is geen huwelijksfeest gevierd. Zij heeft nimmer met [vader] samengewoond, maar heeft bij haar ouders gewoond en zij heeft zelf een naam voor de kinderen gekozen: haar eigen familienaam. [vader] heeft weliswaar beloofd met haar te zullen huwen, toen zij zwanger bleek van hun eerste kind, maar is deze belofte niet nagekomen; hij zei daarvoor de financiële middelen niet te hebben. Na de geboorte van haar tweede kind, toen deze situatie zich herhaalde, heeft zij de banden met [vader] verbroken. Eiser wijst er nog op dat niemand van de door verweerder geïnterviewde personen een datum van huwelijksvoltrekking heeft genoemd.

Eiser heeft nadere verklaringen (affidavits) overgelegd van eerder door verweerder gehoorde familieleden, inhoudende dat tussen de ouders van eiser geen customary marriage heeft bestaan, omdat de huwelijksrituelen nooit hebben plaatsgevonden, maar dat zij hun relatie als een dergelijk huwelijk hebben ervaren, omdat de ouders van eiser samen kinderen hadden. Verder hebben deze familieleden verklaard dat ook geen burgerlijk huwelijk (marriage ordinance) tussen de ouders heeft bestaan.

Verweerder hecht aan deze nadere verklaringen weinig waarde, omdat eiser de toegang tot deze getuigen beheerst, de verklaringen zijn opgesteld in het kader van eisers poging een Nederlands paspoort te verkrijgen, de notaris in Ghana de verklaringen niet inhoudelijk verifieert en zelfs de identiteit van de verklarende persoon niet verifieert en de betrokkenen geen goede verklaring geven voor het feit dat zij nu wezenlijk anders verklaren dan zij destijds in vrijheid hebben gedaan in het kader van het eerder door verweerder ingestelde onderzoek.

6. Verweerder heeft desgevraagd de tekst overgelegd van de Ghanese Customary Marriage and Divorce (Registration) Law uit 1985 (P.N.D.C.L. 112) en van de amendering van die wet in 1991 (P.N.D.C.L. 263).

Deze wet van 14 juni 1985 bevat omtrent een customary marriage (verder: huwelijk) een verplichting tot registratie daarvan binnen drie maanden na het huwelijk dan wel, voor een eerder gesloten huwelijk, binnen drie maanden na de inwerkingtreding van de wet. Bij de aanvraag voor registratie moet een officiële verklaring (statutory declaration) worden gevoegd, waaruit onder meer blijkt dat is voldaan aan de essentiële voorwaarden voor de geldigheid van het huwelijk volgens het van toepassing zijnde gewoonterecht.

In 1991 is deze wettelijke verplichting omgezet in een mogelijkheid tot registratie van een huwelijk in het register. Daarbij is bepaald dat een verzoek om registratie op elk gewenst moment na het huwelijk kan worden gedaan.

Verweerder heeft daarbij toegelicht dat de wettelijke verplichting tot registratie vanaf medio 1985 feitelijk niet werd nageleefd en daarom is vervangen door een mogelijkheid tot registratie. De praktijk is dat huwelijken pas worden geregistreerd indien partijen daar belang bij hebben. In dit concrete geval ontbreekt dat belang. Het ontbreken van een huwelijksregistratie is echter niet van invloed op de rechtsgeldigheid van het huwelijk.

Eiser heeft overgelegd een verklaring van A. Osei-Poku als “solicitor/registrar of marriages & divorce” te Kumasi (Ghana) van 5 november 2007, waarin hij verklaart dat hij vergeefs naspeuringen heeft gedaan naar (de afgifte van) een “customary marriage certificate” betreffende eisers ouders.

7.1 Eiser heeft zich beroepen op een arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2001 (RvdW 2001, 132) waarin is geoordeeld dat niet zonder toereikende motivering kan worden geoordeeld dat uit het enkele feit dat in de Ghanese geboorteakte de vader als zodanig vermeld staat kan worden afgeleid dat naar Ghanees recht tussen de vader en de zoon reeds een familierechtelijke betrekking bestaat die op één lijn kan worden gesteld met de rechtsbetrekking die naar Nederlands recht wordt gevestigd door erkenning.

Eiser heeft betoogd dat uit de overgelegde verklaringen van familieleden van zijn moeder genoegzaam blijkt dat geen sprake is geweest van een huwelijk waaruit familierechtelijke betrekkingen zijn ontstaan tussen hem en zijn biologische vader [vader]. Meer in het bijzonder heeft hij verwezen naar de affidavit van [vader] van 4 juli 2007, waarin hij verklaart dat eiser en zijn [zus] zijn kinderen zijn en dat zij zijn geboren “out of wedlock [d.w.z. buiten huwelijk] by [moeder] and myself”.

7.2 Voorts heeft eiser zich beroepen op een arrest van de Hoge Raad van 31 januari 1992 (NJ 1993, 261; RvdW 1992, 39), waarin is geoordeeld dat de bewijskracht van in Ghana opgemaakte verklaringen tot bewijs van een aldaar verrichte rechtshandeling door de Nederlandse rechter niet naar Nederlands, maar naar Ghanees recht moet worden beoordeeld (r.o. 3.2.4.).

Eiser wijst er op dat dit ook zou moeten gelden in dit geval, waarin juist het ontbreken van een rechtshandeling (een rechtsgeldig huwelijk tussen zijn biologische ouders) uit in Ghana opgemaakte affidavits naar voren komt.

Eiser heeft affidavits overgelegd van diverse familieleden, waarin zij nader verklaren dat zij met termen als “customary marriage” en “separation” niet de bedoeling hebben gehad te verwijzen naar een daadwerkelijk gesloten traditioneel huwelijk en de beëindiging daarvan, maar zijn afgegaan op de uiterlijke schijn van een bestaand huwelijk tussen de biologische ouders van eiser.

7.3 Tenslotte heeft eiser zich beroepen op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 oktober 2007, 200700483/1, LJN: BB6811, waarin is geoordeeld dat verweerder, die (in die zaak) op geen van de stellingen van appellanten of de door hen ter motivering hiervan in beroep en hoger beroep overgelegde documenten inhoudelijk heeft gereageerd, zijn oordeel dat tussen appellanten en hun biologische vader familierechtelijke betrekkingen zijn ontstaan, omdat de vader met de moeder was gehuwd, heeft gebaseerd op onvoldoende onderzoek en onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd. Het ging in dat hoger beroep eveneens om in Nederland door een Nederlander erkende kinderen van biologische ouders van Ghanese nationaliteit aan wie een Nederlands paspoort was geweigerd. Eiser heeft betoogd dat het gelijkheidsbeginsel meebrengt, dat, nu verweerder aan die appellanten inmiddels een Nederlands paspoort heeft doen verstrekken, ook eiser daarvoor in aanmerking komt. Hij heeft immers aangetoond, dan wel aannemelijk gemaakt dat hij niet is geboren staande huwelijk, dat de erkenning door [A.] rechtsgeldig is en dat hij daardoor het Nederlanderschap heeft verkregen.

8.1 De rechtbank heeft alle door eiser nader ingebrachte stukken, waaronder de verscheidene affidavits van de biologische vader en van de familieleden van eiser aan verweerder gezonden. Daarbij is door de rechtbank uitdrukkelijk verzocht om in ieder geval te reageren op het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel. Ondanks herhaalde rappels heeft de rechtbank van verweerder geen enkele reactie ontvangen. De rechtbank heeft bij brief van 6 maart 2008 aan verweerder medegedeeld dat zij uit het uitblijven van een reactie van verweerder de gevolgtrekkingen kon maken die haar geraden voorkomen.

8.2 De rechtbank stelt vast dat het door eiser ingenomen standpunt dat tussen zijn biologische ouders geen rechtsgeldig huwelijk heeft bestaan, zodat met zijn biologische vader [vader] geen familierechtelijke betrekkingen zijn ontstaan aanvankelijk was gebaseerd op schriftelijke verklaringen van eiser zelf, zijn grootvader, twee tantes van moederszijde en zijn oudere [zus]. Na het bestreden besluit heeft eiser diverse affidavits overgelegd van eisers vader [vader] (4 juli 2007), van diens [broer] (6 november 2007), van zijn tantes [tante 2] en [tante] (beide van 13 december 2007).

Verweerder heeft in zijn brief van 16 juli 2007 aangegeven aan dergelijke latere verklaringen geen waarde toe te kennen, aangezien zij haaks staan op eerdere verklaringen van dezelfde personen en eiser geen coherente verklaring kan geven voor het feit dat zij thans ontkennen hetgeen zij eerder hebben verklaard. Op de concrete, thans voorliggende verklaringen heeft verweerder, hoewel daartoe door de rechtbank nadrukkelijk uitgenodigd, niet gereageerd.

De rechtbank acht verweerders standpunt in het licht van het door eiser aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 31 januari 1992 niet houdbaar. Verweerder stelt zich immers op voorhand op het standpunt dat affidavits met een inhoud die afwijkt van eerdere verklaringen van dezelfde personen geen waarde toekomt en dat die terzijde kunnen worden gelegd. Dit omdat dergelijke verklaringen op verzoek en met het oog op een lopende procedure worden afgelegd. Die benadering laat zelfs niet de mogelijkheid open dat de persoon in kwestie zich eerder heeft vergist of iets heeft verklaard waarvan hij de consequenties voor de direct betrokkene destijds niet (voldoende) heeft overzien, zodat met een nieuwe affidavit uiteindelijk een inhoudelijk juiste verklaring tot stand is gekomen. Volgens de Statutory Declaration Act kan ten overstaan van een notary public een verklaring worden afgelegd omtrent een bepaald rechtsfeit (in dit geval: het niet bestaan hebben van een rechtsgeldig huwelijk ten tijde van eisers geboorte). In het Ghanese recht komt aan dergelijke verklaringen rechtskracht toe. Ook de Nederlandse rechter zal zich, in het licht van het meergenoemde arrest, naar de rechtskracht van dergelijke verklaringen naar Ghanees recht moeten richten. Met dat uitgangspunt verdraagt zich niet dat nadere affidavits als hier aan de orde door verweerder stelselmatig als van onwaarde terzijde worden gelegd.

8.3 De rechtbank zal daarom uitgaan van de thans voorliggende (nadere) affidavits. De biologische vader van eiser, die niet eerder heeft verklaard, heeft verklaard dat eiser niet is geboren uit een huwelijk tussen [moeder] en hem. Een registratie van een dergelijk (traditioneel) huwelijk is in Ghana in de officiële registers niet aangetroffen. Hoewel een registratie geen constitutief vereiste is voor de rechtsgeldigheid van een gesloten traditioneel huwelijk, gelden daarvoor wel allerlei, per stam verschillende, vereisten zoals overeenstemming tussen de ouders van de huwenden en het betalen van een bruidsschat, en zijn bepaalde rituelen en ceremonies voorgeschreven. Dat blijkt onder meer uit verweerders besluit van

19 december 2002 (Ned. Stcrt. 24 december 2002, nr. 248). Geen van de opnieuw verklarende familieleden van eiser heeft iets verklaard over deze rituelen of een huwelijksceremonie. Er moet daarom van worden uitgegaan dat aan deze wel constitutieve vereisten voor een rechtsgeldig huwelijk niet is voldaan.

9. Voor verweerders standpunt dat de biologische ouders van eiser in een traditioneel huwelijk met elkaar gehuwd waren is daarom, bezien in het licht van de thans voorhanden affidavits, onvoldoende feitelijke grondslag meer aanwezig. Nu verweerder op de inhoud van deze affidavits niet heeft gereageerd, gaat de rechtbank er vanuit dat verweerder zijn standpunt heeft gehandhaafd.

Het uitblijven van een reactie van verweerder wekt bevreemding, nu in het bestreden besluit, dat in sterke mate is gebaseerd op in 1998 en 2000 door familieleden van eiser en eiser zelf afgelegde verklaringen, is overwogen dat geen verklaringen zijn afgelegd die de toen afgelegde verklaringen zouden kunnen weerspreken. Dergelijke verklaringen zijn inmiddels immers wel voorhanden.

Het bestreden besluit is daarom, in het licht van het voorgaande, onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd, zodat het niet in stand kan blijven. Het beroep moet mitsdien gegrond worden verklaard.

10. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten van door een derde beroepsmatig aan eiser verleende rechtsbijstand in verband met de behandeling van dit beroep. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,--. Daarbij is 1 punt toegekend voor het opstellen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een wegingsfactor 1 (gemiddeld) en een waarde per punt van € 322,--. Nu aan eiser een toevoeging is verleend voor het voeren van deze procedure, moet dit bedrag worden betaald aan de griffier van de rechtbank.

III. Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit van 10 februari 2006, kenmerk 0409/2004-NP;

Draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden (ministerie van Buitenlandse Zaken) aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 141,--, vergoedt;

Veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,--, welk bedrag de Staat der Nederlanden (ministerie van Buitenlandse Zaken) aan de griffier dient te vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. J.W. Sentrop en in het openbaar uitgesproken op

9 juli 2008, in tegenwoordigheid van de griffier mr. B.M. van der Meide.