Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BE9598

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-04-2008
Datum publicatie
02-09-2008
Zaaknummer
08/10349 & 08/10351
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Aanvraag verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verzoeker heeft de Zimbabwaanse nationaliteit. Voorstel tot doen taalanalyse in ac-procedure niet gehonoreerd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/407

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 08 / 10349 (voorlopige voorziening)

AWB 08 / 10351 (vrijheidsontneming)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 8 april 2008

in de zaak van:

[naam verzoeker],

geboren op [geboortedatum], van Zimbabwaanse nationaliteit, verblijvende in

het Detentiecentrum in Alphen a/d Rijn,

verzoeker,

gemachtigde, tevens raadsman: mr. P.J. Schüller, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. E.T.P. Scheers, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

's-Gravenhage.

Procesverloop

Verzoeker heeft op 20 maart 2008 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 24 maart 2008 afgewezen. Verzoeker heeft tegen het besluit op 24 maart 2008 beroep ingesteld.

Verzoeker heeft op 24 maart 2008 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

De ambtenaar belast met de grensbewaking heeft op 19 maart 2008 aan verzoeker de toegang tot Nederland geweigerd en bij besluit van diezelfde datum aan hem op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Verweerder heeft bij het besluit op de asielaanvraag de vrijheidsontnemende maatregel voortgezet. Verzoeker heeft op 24 maart 2008 beroep ingesteld tegen de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel en verzocht om schadevergoeding toe te kennen.

De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 1 april 2008. verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Het verzoek om een voorlopige voorziening

Indien tegen een besluit beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen in het kader van de zogenoemde aanmeldcentrumprocedure (ac-procedure). Een aanvraag kan in dat kader worden afgewezen, indien dit zonder schending van eisen van zorgvuldigheid binnen 48 proces-uren kan geschieden.

Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Verzoeker behoort tot de Shona. Verzoeker heeft van zijn geboorte tot 1991/1992 in de plaats [plaatsnaam] in Zimbabwe gewoond. Daarna is verzoeker naar Malawi verhuisd. Eind 2007 is verzoeker op verzoek van zijn vader teruggekeerd naar Zimbabwe. Hij is na zijn terugkeer lid geworden van de oppositiepartij genaamd Movement for democratic chance (MDC). Verzoeker woonde in [plaatsnaam] en fietste met de vlag van deze partij door de stad. Verzoeker vreest dat hij na de verkiezingen in Zimbabwe zal worden vermoord omdat hij aanhanger is van de MDC. Ook wenst verzoeker asiel aan te vragen in verband met de slechte situatie in Zimbabwe. Er wordt honger geleden, er is geen sociale dienstverlening en de telefoonverbinding is slecht.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit - samengevat - op de volgende standpunten gesteld. Verzoeker heeft toerekenbaar geen reis-, identiteits- of nationaliteitsdocumenten overgelegd. Verzoeker heeft zijn gestelde Zimbabwaanse nationaliteit niet geloofwaardig gemaakt. Aangezien uit de verklaringen van verzoeker aangaande zijn gestelde woonplaats en land van herkomst eenduidig kan worden opgemaakt dat deze verklaringen ongeloofwaardig zijn, bestaat geen aanleiding om een taalanalyse te verrichten. In de landen rondom Zimbabwe wordt ook Shona gesproken zodat beheersing van die taal niet vanzelfsprekend op de Zimbabwaanse nationaliteit of herkomst duidt. Aangezien verzoekers Zimbabwaanse nationaliteit niet geloofwaardig wordt geacht, wordt geen waarde gehecht aan de door hem afgelegde verklaringen omtrent de problemen die hij aldaar zou hebben ondervonden of in de toekomst te vrezen heeft. Verzoeker komt derhalve niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Het standpunt van verweerder dat verzoeker, op basis van de op het moment van het besluit beschikbare gegevens, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de Zimbabwaanse nationaliteit heeft, dan wel dat hij afkomstig is uit Zimbabwe, is door verzoeker niet betwist. Verzoeker heeft in het beroepschrift erkend slechts in beperkte mate antwoord te hebben gegeven op de landenvragen die hem zijn gesteld. Gezien zijn beperkte opleiding vindt verzoeker dat niet bevreemdend.

Verzoeker meent dat een taalanalyse van het Shona dat verzoeker spreekt, een bijdrage kan leveren aan de besluitvorming en meent dat het ingevolge artikel 3:2 Awb op de weg van verweerder had gelegen om in ieder geval na te gaan of er een mogelijkheid was om zich van het Zimbabwaanse Shona van verzoeker te vergewissen. Beleidsmatig stelt verweerder zich immers op het standpunt dat een taalanalyse wordt uitgevoerd als er twijfel is aan de gestelde herkomst van een vreemdeling, blijkens verweerders werkinstructies 270A en 270B. Uit jurisprudentie blijkt dat verweerder een aanbod van de vreemdeling om een taalanalyse te laten uitvoeren niet zonder kenbare of inzichtelijke motivering mag weigeren.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 8 april 2004 in zaak nr. 200308064/1), voor zover thans van belang, komt de minister met het uitvoeren van een taalanalyse de vreemdeling die in bewijsnood verkeert tegemoet in de voldoening aan de ingevolge voormeld artikel 31, eerste lid, van de Vw op hem rustende last om de aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken, in het geval twijfel gerezen is over de gestelde identiteit en nationaliteit, waaronder in voorkomende gevallen begrepen de stamafkomst of de plaats van herkomst. Verweerder is hier evenwel niet op grond van een wettelijke plicht of uit het oogpunt van het zorgvuldigheidsvereiste toe gehouden, nu het aan de vreemdeling is om zijn gestelde nationaliteit aannemelijk te maken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder verzoeker het aanbod van een taalanalyse kunnen onthouden.

De stelling van verzoeker dat verweerder zonder kenbare of inzichtelijke motivering heeft geweigerd een taalanalyse bij de beoordeling van de aanvraag te betrekken, mist feitelijke grondslag. In het bestreden besluit heeft verweerder immers overwogen dat geen taalanalyse zal worden uitgevoerd, nu het aan verzoeker is om zijn gestelde nationaliteit aannemelijk te maken en hij daar, mede gelet op zijn antwoorden op de landenvragen, niet in is geslaagd. Daarnaast heeft verweerder overwogen dat het Shona ook in de omringende landen van Zimbabwe wordt gesproken, zodat de beheersing van deze taal niet vanzelfsprekend duidt op de Zimbabwaanse nationaliteit van de betreffende persoon, of diens herkomst uit Zimbabwe. Verweerder heeft hiermee voldoende inzichtelijk en kenbaar gemotiveerd dat en waarom geen taalanalyse zal worden uitgevoerd.

Verzoeker heeft in beroep aangevoerd dat hij een taalanalyse wil laten uitvoeren om op deze wijze zijn gestelde nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken. Verzoeker heeft, blijkens de e-mail wisseling tussen de gemachtigde van verzoeker en [naam] van het Lowani Afrika Talencentrum van 30 en 31 maart 2008, een taalanalist van het Talencentrum bereid gevonden om zijn dialect of accent van het Shona specifiek op Zimbabwe te onderzoeken. Dat was binnen de 48 procesuren van de AC-procedure niet mogelijk. Desgevraagd heeft de gemachtigde van verzoeker ter zitting toegelicht dat met de taalanalyse, afhankelijk van de eventueel noodzakelijke medewerking van verweerder, op korte termijn kan worden aangevangen en dat voor de kosten van de taalanalyse een oplossing zal worden gevonden. De kosten zullen een door verzoeker op te starten taalanalyse in ieder geval niet in de weg staan.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker, teneinde te voldoen aan de ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw op hem rustende last om de aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken, een concreet, serieus en realistisch voornemen heeft gedaan om aan zijn bewijslast te voldoen. Nu verzoeker met de in beroep ter sprake gebrachte, door hemzelf georganiseerde taalanalyse, zijn stelling in de besluitvormingsfase dat hij afkomstig is uit Zimbabwe, kan onderbouwen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker daartoe uit oogpunt van zorgvuldige besluitvorming en fair play de gelegenheid dient te worden geboden. Het is de consequentie van de korte duur van de AC-procedure dat verzoeker daartoe eerst thans in de gelegenheid is. Hoewel thans niet kan worden geoordeeld dat op de aanvraag niet met inachtneming van de eisen van zorgvuldigheid is beslist, kan evenmin worden uitgesloten dat de uitkomst van een taalanalyse, die als een onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt bij de beoordeling van het beroep kan worden betrokken, zal leiden tot gegrondverklaring van het beroep.

Derhalve ziet de voorzieningenrechter aanleiding de gevraagde voorziening toe te wijzen, zoals hierna bepaald. Na afweging van de belangen, dient aan het belang van verzoeker, dat is gediend met het in Nederland mogen afwachten van de behandeling van zijn beroep nadat een taalanalyse heeft plaatsgevonden, doorslaggevende betekenis te worden toegekend. De toewijzing van de voorlopige voorziening brengt met zich dat verweerder, zolang aan verzoeker een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd, verzoeker in de gelegenheid stelt de taalanalyse te doen verrichten. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar door verzoeker overgelegde e-mail van [naam] van Lowani Afrika Talencentrum van 31 maart 2008, waarin is vermeld dat voor een gedegen taalanalyse de taalanalist naar verzoeker zal toekomen voor een gesprek, waarvan een opname zal worden gemaakt.

De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt en de Staat der Nederlanden als rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel

Indien de rechtbank bij het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vreemdelingenwet 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw het beroep gegrond. Indien de rechtbank de opheffing van een maatregel strekkende tot vrijheidsontneming beveelt, kan zij ingevolge artikel 106, eerste lid, Vw aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Ingevolge artikel 6, eerste en tweede lid, Vw kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

De toewijzing van de voorlopige voorziening leidt niet tot het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel dient te worden opgeheven. Overeenkomstig hoofdstuk C12/2.2.2 van de Vreemdelingencirculaire zal de IND bezien of de toewijzing van de voorlopige voorziening aanleiding vormt de vrijheidsontnemende maatregel op te heffen. Daartoe zal de IND thans nog in de gelegenheid worden gesteld.

De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

De rechtbank zal het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding afwijzen, omdat zij de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel niet zal bevelen.

Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte kosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat uitzetting van verzoeker achterwege blijft totdat op het beroep is beslist.

De rechtbank:

verklaart het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel ongegrond;

wijst het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, tevens voorzieningenrechter, en op 8 april 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. S. Parlevliet, griffier.

Afschrift verzonden op :

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag, het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel en het verzoek om toekenning van schadevergoeding betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, 's-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Tegen deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.