Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BE9563

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-08-2008
Datum publicatie
02-09-2008
Zaaknummer
08/1276 & 08/1275
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Vovo hangende beroep, regulier, verblijf bij kind, hardheidsclausule, 8 EVRM

Hetgeen hierna wordt overwogen, ziet zowel op het beroep op de hardheidsclausule als het beroep op artikel 8 EVRM.

In navolging van de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (het Hof) van 11 juli 2000 in de zaak Ciliz tegen Nederland en de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 5 maart 2007 (AWB 06/57568) is de voorzieningenrechter van oordeel dat de wens van verzoekster om een meer betekenisvolle inhoud aan het familie- en/of gezinsleven te geven, een belang is dat artikel 8 EVRM beoogt de beschermen. Gelet hierop is de voorzieningenrechter voorts van oordeel dat verweerder door tegenwerping van het mvv-vereiste in de onderhavige zaak niet heeft gehandeld “in a manner which enables family ties to be developed” en daarmee in strijd met artikel 8 EVRM heeft gehandeld.

Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 2.11 en volgende concludeert de voorzieningenrechter dat verweerder zich op grond van de motivering in het bestreden besluit niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat tegenwerping van het mvv-vereiste niet van bijzondere hardheid is dan wel artikel 8 EVRM in het onderhavige geval niet tot vrijstelling van het mvv-vereiste noopt.

Beroep gegrond, vovo afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummers: AWB 08 / 1276 (voorlopige voorziening)

AWB 08 / 1275 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 augustus 2008

in de zaak van:

[naam verzoekster],

geboren op [geboortedatum], van Surinaamse nationaliteit,

verzoekster,

gemachtigde: drs. F.W. King, advocaat te Leiden,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.W. Kreumer, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoekster heeft op 3 augustus 2006 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel "verblijf bij kind". Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 9 november 2006 afgewezen. Verzoekster heeft tegen het besluit op 23 november 2006 bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft op 23 november 2006 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 19 februari 2007 ongegrond verklaard. Verzoekster heeft op 22 februari 2007 beroep ingesteld.

1.2 Bij uitspraak van 30 maart 2007 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en verweerder verboden verzoekster uit te zetten voordat de rechtbank op het beroepschrift heeft beslist (AWB 06/57568).

1.3 Bij schrijven van 30 mei 2007 heeft verweerder het besluit van 19 februari 2007 ingetrokken. Bij schrijven van 31 mei 2007 heeft verzoekster het beroep van 22 februari 2007 ingetrokken. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 11 december 2007 ongegrond verklaard. Verzoekster heeft tegen dit besluit op 9 januari 2008 beroep ingesteld.

1.4 Verzoekster heeft op 9 januari 2008 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoekt verweerder te verbieden haar uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.5 Verweerder heeft op 9 mei 2008 een verweerschrift ingediend.

1.6 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 5 juni 2008. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 In de hoofdzaak toetst de voorzieningenrechter het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.4 Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd (het mvv-vereiste).

2.5 De voorzieningenrechter betrekt bij de beoordeling de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster is op 7 april 2004 in Suriname gehuwd met [naam]. Uit dit huwelijk is op [datum] in Groningen een zoon geboren, genaamd [naam zoon]. Verzoekster verbleef op dat moment op basis van een visum voor kort verblijf in Nederland en is een maand na de geboorte van haar zoon teruggekeerd naar Suriname voor een mvv-procedure. Omdat haar zoon op het paspoort van haar echtgenoot stond bijgeschreven, heeft verzoekster haar zoon in Nederland achtergelaten. Op 8 november 2005 is de echtscheiding tussen verzoekster en [naam] uitgesproken. Bij beschikking van de rechtbank Groningen van 20 december 2005 (registratienummer 81987/FA RK 05/1788) is haar ex-echtgenoot belast met het gezag over hun zoon en is zijn hoofdverblijf tevens bij hem bepaald.

Op 26 juli 2006 heeft verzoekster een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling ingediend bij de rechtbank Groningen. Op 14 augustus 2006 heeft verzoekster tevens een verzoek om wijziging eenhoofdig gezag over haar zoon ingediend bij de rechtbank Groningen.

Blijkens een proces-verbaal van de zitting van 29 augustus 2006 van de rechtbank Groningen is een voorlopige omgangsregeling vastgelegd tussen verzoekster en haar zoon. Bij beschikking van 5 december 2006 van de rechtbank Groningen (registratienummer 88309/FA RK 06-1338) heeft de rechtbank de beslissing met betrekking tot het gezag, het hoofdverblijf en de omgangsregeling aangehouden en heeft de rechtbank de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek dienaangaande in te stellen en aan de rechtbank rapport en advies uit te brengen. Tevens heeft de rechtbank een voortgezette behandeling van de zaak ter zitting van 1 maart 2007 bepaald. Blijkens een faxbericht van 2 maart 2007 van mr. drs. E.A.A. Charry, de advocaat van verzoekster in de civielrechtelijke procedure met betrekking tot het gezag, het hoofdverblijf en de omgangsregeling, heeft de rechtbank, na ten aanzien van het adviesrapport van de Raad voor de Kinderbescherming enige onduidelijkheden te hebben benoemd, de zitting op 1 maart 2007 aangehouden voor twee maanden. De rechtbank heeft de zaak op 6 maart 2008 ter zitting behandeld.

In de beschikking van 25 maart 2008 van de rechtbank Groningen (88309/FA RK 06-1338) wordt overwogen dat er zo spoedig mogelijk één keer in de veertien dagen (begeleide) omgang tussen de vrouw en het kind moet zijn, aangezien dit in het belang van het nog jonge kind is. De rechtbank heeft de volgende (definitieve) omgangsregeling vastgesteld. Verzoekster is gedurende een zestal keren om de veertien dagen gerechtigd tot contact met het minderjarige kind, [naam zoon], op de met Humanitas te bepalen begeleide wijze. Met ingang van zaterdag 28 juni 2008 is verzoekster een zaterdag per veertien dagen gerechtigd tot contact met het minderjarige kind in (de omgeving van) Groningen. Met ingang van het weekend van 20 september 2008 is zij gerechtigd het minderjarige kind één weekend per veertien dagen bij zich te ontvangen. De rechtbank heeft het verzoek met betrekking tot de wijziging van het eenhoofdig gezag en het hoofdverblijf afgewezen.

Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat de omgangsregeling met haar zoon inmiddels tot stand is gebracht en dat deze goed verloopt. Verzoekster zal haar zoon op 6 juni 2008 voor de zesde keer, onder begeleiding van Humanitas, zien. Verzoekster is voornemens om over een half jaar, wanneer de omgangsregeling enige tijd heeft voortgeduurd, opnieuw een verzoek tot wijziging van het eenhoofdig gezag en het hoofdverblijf in te dienen.

2.6 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de door verzoekster aangevoerde gezondheidsklachten, de stelling dat zij is ingeburgerd in de Nederlandse samenleving en het belang van de aanwezigheid van verzoekster hier te lande in verband met een lopende strafzaak tegen haar ex-echtgenoot, geen omstandigheden zijn die nopen tot toepassing van de hardheidsclausule. Verweerder is voorts van oordeel dat toepassing van het mvv-vereiste niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, omdat verzoekster de afgelopen jaren meerdere malen is teruggekeerd naar Suriname en in Suriname familie heeft. Verzoekster heeft op de hoorzitting bij verweerder verklaard er geen bezwaar tegen te hebben om met het minderjarige kind naar Suriname terug te keren teneinde aldaar gezinsleven met hem uit te oefenen. Op grond van vorenstaande heeft verweerder aangenomen dat verzoekster zich in Suriname zelfstandig kan handhaven.

Verweerder overweegt voorts dat er geen aanleiding bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule naar aanleiding van het betoog van verzoekster dat bij terugkeer naar Suriname de kans op succes in de procedure inzake voogdij over haar minderjarige kind zou worden geschaad. Hiertoe overweegt verweerder dat juridische procedures vanuit het buitenland kunnen worden gevoerd, dat aan de voorlopige omgangsregeling van 29 augustus 2006 sinds 17 maart 2007 geen uitvoering wordt gegeven omdat de ex-echtgenoot daaraan niet meewerkt en dat derhalve een tijdelijke terugkeer naar Suriname de feitelijke omgang met haar kind niet nadelig beïnvloedt.

Ten aanzien van het beroep op artikel 8 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt verweerder dat de weigering om verzoekster vrij te stellen van het mvv-vereiste geen schending betekent van het recht op eerbieding van familie- of gezinsleven, omdat tegenwerping van het mvv-vereiste niet betekent dat nimmer gezinsleven hier te lande zal worden toegestaan. Voorts wordt overwogen dat verzoekster niet de voogdij heeft over haar kind. Dat zij een procedure heeft opgestart ter verkrijging van de voogdij doet daaraan niet af. Voorts is gebleken dat sinds 17 maart 2007 feitelijk geen uitvoering wordt gegeven aan de getroffen omgangsregeling. Dat dat komt door de weigerachtige houding van de ex-echtgenoot doet aan het feit dat van feitelijke omgang met het kind geen sprake is, volgens verweerder niet af. Niet gebleken is voorts dat verzoekster een financiële bijdrage levert aan de verzorging en opvoeding van haar kind. Er is geen sprake van een objectieve belemmering voor verzoekster om haar gezinsleven met haar zoon in Suriname uit te kunnen oefenen.

2.7 Verzoekster heeft hiertegen aangevoerd dat zij psychisch lijdt onder de gezinssituatie zoals die is ontstaan en verwijst daartoe in beroep naar een verklaring van een neuropsychologe. In beroep wordt herhaald dat verzoekster is ingeburgerd in de Nederlandse samenleving en dat haar aanwezigheid hier te lande is vereist om als getuige in de strafzaak tegen haar ex-echtgenoot te kunnen optreden. Verzoekster beroept zich op de hardheidsclausule en op artikel 8 EVRM en meent dat er ruimte is om artikel 8 EVRM te betrekken bij een beroep op vrijstelling van het mvv-vereiste. Verzoekster heeft gezinsleven in Nederland met haar zoon [naam zoon]. De uitzetting van verzoekster zal de ontwikkeling van de omgangsregeling met haar zoon kunnen frustreren. Verzoekster heeft belang bij het persoonlijk en in rechte kunnen behartigen van haar wens om een meer betekenisvolle inhoud te kunnen geven aan haar gezins- en familieleven. Verzoekster verwijst in dit verband naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 maart 2007 en de uitspraak van 11 juli 2000 van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens inzake Ciliz tegen Nederland (nr. 29192/95, JV 2000, 187). Op verweerder rust een positieve verplichting om verzoekster verblijf toe te staan nu zij dit gezinsleven niet buiten Nederland kan uitoefenen. Het zoontje van verzoekster heeft een zeer jonge leeftijd en juist gedurende deze levensfase is het van groot belang dat hij tevens de zorg van zijn moeder geniet. De bestreden beschikking berust niet op een deugdelijke motivering.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.8 Niet in geschil is dat verzoekster niet in het bezit is van een geldige mvv, die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. In geschil is of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten verzoekster niet op grond van de hardheidsclausule voor vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking te brengen en voorts of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat tegenwerping van het mvv-vereiste niet in strijd is met artikel 8 EVRM.

2.9 De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door verzoekster gestelde inburgering in de Nederlandse samenleving en het gestelde belang van de aanwezigheid van verzoekster hier te lande in verband met een lopende strafzaak tegen haar ex-echtgenoot, geen omstandigheden zijn die nopen tot toepassing van de hardheidsclausule. Uit het beleid van verweerder, zoals neergelegd in B1/4.1.1 Vc, blijkt dat van de hardheidsclausule slechts in zeer bijzondere gevallen gebruik gemaakt wordt. Verweerder heeft op basis van de in het bestreden besluit gegeven motivering kunnen menen dat voornoemde omstandigheden niet bijzonder zijn. De voorzieningrechter is van oordeel dat de gestelde gezondheidsklachten evenmin de toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen. De overgelegde verklaring van de neuropsychologe, waarmee de gezondheidsklachten thans zijn onderbouwd, leidt in het licht van het terughoudende beleid inzake toepassing van de hardheidsclausule, niet tot het oordeel dat van verzoekster niet kan worden gevergd dat zij terugkeert naar haar land van herkomst en aldaar de aanvraag om een mvv afwacht.

2.10 De beroepsgronden die het familieleven tussen verzoekster en haar zoon betreffen, zijn aangevoerd zowel ten behoeve van de toepassing van de hardheidsclausule als het beroep op artikel 8 EVRM. Ook de overwegingen van verweerder met betrekking tot het familieleven van verzoekster en haar zoon betreffen zowel de toepassing van de hardheidsclausule als het beroep op artikel 8 EVRM. Hetgeen hierna wordt overwogen, ziet derhalve zowel op het beroep op de hardheidsclausule als het beroep op artikel 8 EVRM.

2.11 Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (zie onder meer de uitspraak van 9 november 2007, JV 2008, 14) komt naar voren dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste slechts in uitzonderlijke gevallen schending van artikel 8 EVRM oplevert, nu de verplichting Nederland te verlaten slechts van tijdelijke aard is. De voorzieningenrechter is evenwel van oordeel dat in dit geval sprake is van een uitzonderlijk geval en overweegt daartoe het volgende.

2.12 In eerdergenoemde uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (het Hof) van 11 juli 2000 in de zaak Ciliz tegen Nederland heeft het Hof als volgt overwogen.

(...). The authorities, through their failure to co-ordinate the various proceedings touching on the applicants family rights, have not, therefore, acted in a manner which has enabled family ties to be developed.

In sum, the Court considers that de decision-making process concerning both the question of the applicant's expulsion and the question of access did not afford the requisite protection of the applicant's interests as safeguarded by Article 8. The interference with the applicant's right under this provision was, therefore not necessary in a democratic society. Accordingly, there has been a breach of that provision.

Het Hof komt in deze uitspraak, samengevat, tot de conclusie dat er een positieve verplichting bestaat het gezinsleven tussen ouders en kinderen te verzekeren na een scheiding. Door te onderzoeken of een omgangsregeling mogelijk was werd hier aan voldaan echter door het in bewaring stellen in afwachting van het uitzetten van de vader werd dit onderzoek gefrustreerd waardoor een inbreuk op het recht op gezinsleven ontstond. De twee naast elkaar lopende procedures, te weten de procedure inzake de omgangsregeling van de vader met zijn zoon en de verblijfsrechtelijke procedure van de vader, en het onvermogen deze procedures te coördineren, hebben er voor gezorgd dat de vader de gezinsbanden met zijn zoon niet verder kon ontwikkelen. Het besluitvormingsproces met betrekking tot de uitzetting van de vader en de vraag om toelating voldeden derhalve niet aan de vereisten zoals neergelegd in artikel 8 EVRM.

2.13 In navolging van voornoemde uitspraak van het Hof en de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 5 maart 2007 (AWB 06/57568) is de voorzieningenrechter van oordeel dat de wens van verzoekster om een meer betekenisvolle inhoud aan het familie- en/of gezinsleven te geven, een belang is dat artikel 8 EVRM beoogt de beschermen. Gelet hierop is de voorzieningenrechter voorts van oordeel dat verweerder door tegenwerping van het mvv-vereiste in de onderhavige zaak niet heeft gehandeld "in a manner which enables family ties to be developed" en daarmee in strijd met artikel 8 EVRM heeft gehandeld. Immers, met de procedure inzake het verzoek een omgangsregeling te treffen en de recent tot stand gebrachte omgangsregeling beoogt verzoekster een meer betekenisvolle inhoud te geven aan haar familie- en/of gezinsleven met haar zoon. Bij een (tijdelijke) terugkeer naar Suriname voor een mvv-procedure zal verzoekster deze omgangsregeling niet kunnen nakomen waardoor deze wordt gefrustreerd, alsmede wellicht toekomstige verzoeken tot wijziging van het gezag.

2.14 Dat verweerder, zoals ter zitting betoogd, de beschikking van de rechtbank Groningen van 25 maart 2008 niet bij het besluit van 11 december 2007 heeft kunnen betrekken, doet aan vorenstaande niet af. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter beschermt artikel 8 EVRM reeds het belang van verzoekster om een meer betekenisvolle inhoud te kunnen geven aan haar familie- en gezinsleven, dat door de Raad voor de Kinderbescherming in de periode voorafgaand aan het bestreden besluit nog werd onderzocht. Uit het verslag van de hoorzitting van 29 augustus 2007 en het verloop van de procedure zoals hiervoor onder rechtsoverweging 2.5 weergegeven, komt naar het oordeel van de voorzieningenrechter genoegzaam naar voren dat door de rechtbank Groningen nog een omgangsregeling zou worden vastgesteld, nadat de Raad voor de Kinderbescherming zijn onderzoek zou hebben afgerond en rapport en advies zou hebben uitgebracht. De uit het besluit van 11 december 2007 voortvloeiende vertrekplicht had een te treffen onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming naar de omgangsregeling en derhalve de ontwikkeling van familieleven tussen verzoekster en haar zoontje, reeds kunnen frustreren.

2.15 Het standpunt van verweerder, dat de verwijzing naar de zaak Ciliz niet opgaat nu die zaak essentieel verschilt van de onderhavige zaak omdat daar sprake was van een weigering van voortgezet verblijf terwijl in het onderhavige geval om eerste toelating gaat, volgt de voorzieningenrechter niet. In de zaak Ciliz was de weigering van het voortgezet verblijf niet meer in geschil. In geschil was nog of de bewaring van de vader in afwachting van zijn uitzetting in strijd was met artikel 8 EVRM. Zoals hiervoor is weergegeven, heeft het Hof die vraag bevestigend beantwoord, omdat door het in bewaring stellen in afwachting van uitzetting van de vader het onderzoek of een omgangsregeling mogelijk was, werd gefrustreerd. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de verplichtingen voor verweerder, zoals deze voortvloeien uit de uitspraak Ciliz, niet zouden gelden bij een al dan niet vrijwillig en in principe tijdelijk vertrek naar het land van herkomst vanwege een te doorlopen mvv-procedure, indien door dit vertrek het onderzoek naar de te treffen omgangsregeling en de nakoming daarvan wordt gefrustreerd.

2.16 Ten slotte is de voorzieningenrechter van oordeel dat in de gronden van beroep terecht wordt gesteld dat, anders dan verweerder zowel in het kader van de toepassing van de hardheidsclausule als in het kader van 8 EVRM overweegt, familieleven in Suriname niet mogelijk is. Verzoekster beschikt immers niet over de voogdij van haar zoontje. Dat zij op de hoorzitting bij verweerder heeft gezegd er geen bezwaar tegen te hebben om met het minderjarige kind naar Suriname terug te keren teneinde aldaar gezinsleven met hem uit te oefenen, doet hieraan niet af.

2.17 Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 2.11 en volgende concludeert de voorzieningenrechter dat verweerder zich op grond van de motivering in het bestreden besluit niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat tegenwerping van het mvv-vereiste niet van bijzondere hardheid is dan wel artikel 8 EVRM in het onderhavige geval niet tot vrijstelling van het mvv-vereiste noopt.

2.18 De voorzieningenrechter zal het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit is in strijd met 7:12 van de Awb .

2.19 De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

2.20 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.21 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoekster heeft gemaakt en de Staat der Nederlanden als rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en € 322,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1).

2.22 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb de Staat der Nederlanden aanwijzen als rechtspersoon die het betaalde griffierecht vergoedt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 11 december 2007;

3.3 draagt verweerder op binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift;

3.4 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt de Staat der Nederlanden op € 644,- te betalen aan verzoekster in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening en € 322,- in verband met het beroep.

3.6 draagt de Staat der Nederlanden op € 143,- aan verzoekster te betalen als vergoeding voor het betaalde griffierecht voor het verzoek om voorlopige voorziening en € 143,- voor het beroep.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, en op 15 augustus 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. L.I. Siers, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, 's-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.