Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BE9560

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-08-2008
Datum publicatie
02-09-2008
Zaaknummer
AWB 07/7273/KANSSP
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

kansspelbelasting

Eiseres voert beleid dat gericht is op het stimuleren van sportdeelname (dit is een onderdeel van haar zogenoemde breedtesportbeleid). Hiertoe reikt zij onder meer zogenoemde ‘sportstimuleringsprijzen’ uit. Verenigingen, scholengemeenschappen, etc. die een initiatief hebben ontplooid waarmee sportdeelname op een originele wijze is gestimuleerd, kunnen voor deze prijs worden genomineerd. Een deskundige jury bepaalt aan de hand van beleidsinhoudelijke criteria welk initiatief voor de prijs in aanmerking komt en kiest vervolgens het beste dan wel origineelste initiatief uit. Verweerder heeft een naheffingsaanslag kansspelbelasting en een vergrijpboete aan eiseres opgelegd. In geschil is of eiseres in verband met de door haar georganiseerde activiteit kansspelbelasting dient in te houden en af te dragen en of de boete terecht is. Rechtbank Den Haag oordeelt dat dit het geval is. Gelet op de bij haar (als gemeente) aanwezige kennis als vergunning verlener voor de kansspelen behoorde eiseres te weten dat het om een prijsvraag ging. Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel faalt. De rechtbank verklaart het beroep tegen de naheffingsaanslag ongegrond maar vermindert de boete tot een symbolisch bedrag van € 1.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/21.5 met annotatie van Redactie
FutD 2008-1839 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/7273/KANSSP

Uitspraakdatum: 11 augustus 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

Gemeente [X.], gevestigd te [Z.], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te [P.], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres met betrekking tot de jaren 2004 en 2006 een naheffingsaanslag kansspelbelasting [aanslagnummer] ten bedrage van € 3.708 opgelegd. Voorts heeft verweerder bij beschikking een vergrijpboete van € 927 opgelegd.

1.2. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 20 augustus 2007 de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft daartegen bij brief van 25 september 2007, ontvangen bij de rechtbank op 1 oktober 2007, beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Voorts heeft verweerder bij brief van 19 mei 2008 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift aan eiseres verstrekt.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2008 te 's-Gravenhage.

Namens eiseres is verschenen [...] . Namens verweerder zijn verschenen [...]

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiseres voert beleid dat gericht is op het stimuleren van sportdeelname (dit is een onderdeel van haar zogenoemde breedtesportbeleid). Hiertoe reikt zij onder meer zogenoemde ‘sportstimuleringsprijzen’ uit.

Verenigingen, scholengemeenschappen en clubs die een initiatief hebben ontplooid waarmee sportdeelname op een originele wijze is gestimuleerd, kunnen voor deze prijs worden genomineerd. Een deskundige jury bepaalt aan de hand van beleidsinhoudelijke criteria welk initiatief voor de prijs in aanmerking komt en kiest vervolgens het beste dan wel origineelste initiatief uit.

2.2. In het kader van het in 2.1 genoemde beleid heeft eiseres verenigingen en/of clubs uit de regio [X.], die een rol zouden kunnen spelen bij de sportstimulering, uitgenodigd om een door hen georganiseerde sportactiviteit, waarbij sportstimulering centraal staat, op te geven. Hiermee konden die instanties een zogenoemde sportstimuleringsprijs winnen. De brief luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“(…) Evenals vorig jaar vindt ook dit jaar weer de uitreiking van (…) de sportstimuleringsprijs plaats. (…)

Tevens kan uw vereniging een prijs winnen als uw vereniging een sportactiviteit heeft georganiseerd waarbij sportstimulering centraal staat. Sportstimulering is het stimuleren van mensen om actie te ondernemen nadat u een activiteit heeft aangeboden. (…) De uitreiking vindt plaats op (7 april 2006) in [sportzaal]. U kunt uw initiatief (…) opgeven door de meegezonden bijlage in te vullen en op te sturen naar de gemeente [X.].”

Bij deze brief is een ‘Inschrijf Formulier Sportinitiatief’ gevoegd. Voorts is een bijlage, genaamd ‘Criteria Sportstimuleringsprijs’ bij die brief gevoegd, die – voor zover hier van belang – als volgt luidt:

“De initiatieven die worden ingediend, worden beoordeeld op de volgende criteria:

- Het doel van het project is stimulering van sportdeelname en/of sportorganisatie en of sportintegratie;

- Het project wordt in 2005-2006 uitgevoerd;

- Het project is vernieuwend en onderscheidend

- De betreffende initiatiefnemer(s) die de aanvraag indien(t)(n), is/zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van het project;

- Het project dient door [X.]se sportverenigingen, particulieren en overige vrijwilligersorganisaties worden georganiseerd;

- De organisatie van sportevenementen voor gehandicapten of chronisch zieken vindt vaak op regionaal of provinciaal niveau plaats. In dat geval kan de vereniging of organisatie die een initiatief indient ook buiten [X.] gevestigd zijn;

- Het project dient in de Gemeente [X.] plaats te vinden.”

2.3. De ingezonden inschrijfformulieren zijn beoordeeld door een deskundige jury. Aan de hand van de in 2.2 genoemde criteria beoordeelde de jury de inschrijvingen en bepaalde zij wie in aanmerking voor de sportstimuleringsprijs zou kunnen komen. Indien er voldoende geld beschikbaar is dan kunnen meerdere instanties die aan de criteria voldoen een prijs winnen. Indien er niet voldoende geld beschikbaar is dan wordt er slechts één instantie uitgekozen die een substantieel bedrag aan prijzengeld krijgt.

2.4. Op 7 april 2006 zijn de prijzen met betrekking tot de actie 2005/2006 uitgereikt door de betrokken wethouder. De eerste prijs bedroeg € 2.500, de tweede prijs € 1.500 en de derde prijs € 1.000, totaal € 5.000. Met betrekking tot het jaar 2004 is eveneens € 5.000 aan sportstimuleringsprijzen uitgereikt.

2.5. Eiseres heeft ter zake van de in 2.2 vermelde, door haar georganiseerde, activiteit geen aangifte kansspelbelasting gedaan, noch kansspelbelasting afgedragen aan verweerder.

2.6. Verweerder heeft naar aanleiding van een krantenartikel in juni 2006 bij eiseres een deelonderzoek kansspelbelasting ingesteld. Op 15 juni 2006 is daarvan een rapport opgemaakt. Verweerder heeft dit rapport bij brief van 11 juli 2006 aan eiseres verzonden.

2.7. Met dagtekening 3 augustus 2006 heeft verweerder aan eiseres de hier in het geding

zijnde naheffingsaanslag kansspelbelasting opgelegd ten bedrage van € 3.708 . Voorts heeft verweerder bij beschikking van een vergrijpboete wegens grove schuld opgelegd ten bedrage van € 927 (25% van de nageheven belasting).

3. Geschil

3.1. In geschil is:

a) of de door eiseres georganiseerde activiteit als een prijsvraag als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de kansspelbelasting (tekst zoals deze in de jaren 2004 en 2006 luidde, hierna: de Wet) kan worden aangemerkt;

b) of verweerder in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld; en

c) of terecht een vergrijpboete aan eiseres is opgelegd.

3.2. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een kansspel omdat de door haar georganiseerde activiteit geen prijsvraag is als bedoeld in de Wet. De instanties hebben de sportactiviteiten ontplooid ter voldoening aan hun doelstellingen en de ondernomen activiteiten zijn niet puur gericht op het winnen van de prijs maar op het, zonder winstoogmerk, stimuleren van sportbeoefening. De prijsvraag is volgens eiseres bedoeld als een bijzondere vorm van subsidiëring en er is sprake van een besloten deelname. Subsidiair stelt zij dat ook al is de sportstimuleringsprijs niet expliciet in de Wet genoemd, deze naar analogie onder de vrijstelling van prijsvragen, die betrekking hebben op wetenschappelijke of kunstzinnige prestaties, valt. Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest om prijzen zoals deze onder het bereik van de Wet te brengen, zoals ook blijkt uit de wetswijziging in 2008.

3.3. Eiseres stelt voorts dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Ook is de vergrijpboete volgens eiseres ten onrechte opgelegd. Dat sprake is van een kansspel is alles behalve evident gelet op de kenmerken van de door eiseres georganiseerde activiteit. Ook is in soortgelijke gevallen geen naheffingsaanslag opgelegd. De visie van eiseres dat geen sprake is van een belastbaar feit is verdedigbaar.

3.4. Verweerder is van mening dat eiseres ten behoeve van haar beleidsdoelstellingen in 2004 en 2006 gebruik heeft gemaakt van prijsvragen. De naam ‘sportstimuleringsprijs’ geeft al aan dat er prijzen zijn uitgereikt en dat er geen subsidie is toegekend. De sportstimuleringsprijs voldoet bovendien niet aan titel 4.2 van de Awb. Geen van de uitzonderingen op het begrip prijsvraag is van toepassing. Het is voorts niet van belang of het gewonnen geld al dan niet vrij besteedbaar is.

3.5. Verweerder stelt voorts dat hij bij het opleggen van de naheffingsaanslag niet willekeurig te werk is gegaan en dat eiseres geen feiten heeft gesteld over gelijke gevallen. Zelf heeft verweerder nog drie gemeenten met sportstimuleringsprijzen achterhaald maar er is geen sprake van vergelijkbare gevallen. Voor wat betreft de vergrijpboete stelt verweerder dat eiseres bevoegd is kansspelvergunningen te verlenen en derhalve over meer kennis van kansspelen en prijsvragen beschikt dan de gemiddelde burger. Omdat zij wordt geacht over specifieke kennis inzake prijsvragen en in het algemeen inzake kansspelen te beschikken, heeft zij onzorgvuldig gehandeld. Zij wist of behoorde te weten dat de door haar georganiseerde activiteit een prijsvraag betreft. Er is geen sprake van afwezigheid van alle schuld maar sprake van grove nalatigheid. Het niet aanmerken van genoemde activiteit als een prijsvraag en het bij twijfel niet vragen om het standpunt van verweerder inzake de heffing van kansspelbelasting in deze situatie, is aan te merken als grove schuld.

3.6. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag en de boetebeschikking.

3.7. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onderdeel b, van de Wet wordt onder de naam 'kansspelbelasting' een directe belasting geheven van de gerechtigden tot de prijzen van binnenlandse kansspelen, niet zijnde casinospelen. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet wordt onder kansspelen verstaan gelegenheden, gegeven tot mededinging naar prijzen en premies, uitgeloofd ten behoeve van de deelnemers aan een prijsvraag, van welke aard ook, tenzij voor de deelneming het verrichten van een wetenschappelijke of kunstzinnige prestatie wordt gevorderd.

4.2. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet op de loterijbelasting, de voorloper van de Wet en relevant voor de toepassing van laatstgenoemde Wet valt – voor zover hier van belang – het volgende af te leiden:

“(…)Een zelfde, zelfs nog scherpere tegenstelling doet zich voor ten aanzien van de prijsvragen, waaraan men buiten het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf deelneemt. Daarbij blijft immers de gewonnen prijs, indien deze geheel door het lot wordt bepaald, buiten de heffing, doch hij wordt volledig door het progressieve tarief van de inkomstenbelasting getroffen, zo een zekere mate van op zich zelf staande arbeid aan het materiële gewin heeft bijgedragen. Uit een oogpunt van wenselijk belastingrecht bezien, komt het de Regering voor, dat met het rangschikken van deze laatste soort prijzen onder het belastbare inkomen fiscaal aan de factor arbeid ten opzichte van de overige factoren, welke tot het resultaat voor de prijswinnaar hebben bijgedragen, een te zwaar gewicht wordt toegerekend. Vooral beschouwd uit de gezichtshoek van de deelnemer aan dergelijke prijsvragen, is de toegekende prijs een onverwachte toevalstreffer, een voordeel, dat - hoezeer het voor de fortuinlijke winnaar een vermeerdering van financiële draagkracht betekent - toch naar de gangbare maatschappelijke opvattingen niet tot het normale, periodiek vloeiende inkomen pleegt te worden gerekend. Veeleer hebben deze incidentele voordelen met prijzen uit loterijen en andere georganiseerde kansspelen, waartoe de gelegenheid voor een al dan niet beperkte groep van personen wordt opengesteld, dit algemene hoofdkenmerk gemeen, dat zij een financiële buitenkans zijn, welke afhangt van omstandigheden, waarop de prijswinnaar zelf weinig of geen invloed kan uitoefenen. In deze gedachtengang ligt het dan ook voor de hand deze voordelen, indien zij buiten het verband beroeps- of bedrijfsuitoefening zijn verkregen ook fiscaal onder een zelfde noemer te brengen.”

MvT, Kamerstukken II 1959/60, 5787, nr. 3, blz. 4 (wet van 14 september 1961, Stb. 1961, 313 (Wet op de loterijbelasting)).

“Wat de werkingssfeer van de loterijbelasting betreft wordt in het wetsontwerp voorgesteld de belasting te heffen van hier te lande wonende natuurlijke personen en binnen Nederland gevestigde lichamen, die een prijs hebben verkregen uit een loterij, prijsvraag of andere vorm van georganiseerd kansspel, onverschillig of deze kansspelen door instellingen hier te lande dan wel in het buitenland zijn aangelegd. (…) Zoals in het algemene gedeelte van deze memorie is uiteengezet, vormen de prijzen uit loterijen en andere kansspelen het object van de voorgestelde loterijbelasting. Als belastingplichtige is aangewezen de gerechtigde tot de prijs.(…)

De beantwoording van de vragen wat moet worden verstaan onder een loterij of een ander kansspel en of sprake is van een binnenlandse dan wel een buitenlandse loterij wordt gevonden in artikel 2 van het ontwerp van wet.”

MvT, wet van 14 september 1961, Stb. 1961, 313 (Wet op de loterijbelasting), Kamerstukken II 1959/60, 5787, nr. 3, blz. 5-6.

“Bij de omschrijving van wat onder loterijen en andere kansspelen moet worden verstaan, is in de eerste plaats aansluiting gezocht bij de Loterijwet, zoals deze zal luiden, nadat het tegelijk met dit ontwerp ingediende ontwerp van wet tot wijziging van de Loterijwet kracht van wet zal hebben verkregen. Hierdoor zullen dan binnen de werkingssfeer van de onderhavige belasting komen te vallen de loterijen in de zin van de genoemde wet en de prijsvragen, tot deelneming waaraan tegen voldoening aan zekere voorwaarde, anders dan het verrichten van een wetenschappelijke of kunstzinnige prestatie, gelegenheid wordt gegeven en waarbij de prijzen meer dan f 200 bedragen, zoals sportprijsvragen en prijsvragen met slagzinnen en dergelijke opgaven. De vraag of een deelnemer al dan niet een overwegende invloed op de kansbepaling kan uitoefenen, is bij bedoelde prijsvragen van geen belang. Voorts valt onder de uitdrukking 'andere kansspelen' elke andere gelegenheid tot spel of weddenschap. Gedacht zij hierbij o.m. aan loterijen binnen een besloten kring, prijsvragen, waarbij de prijzen niet meer bedragen dan f 200 en de deelnemers geen overwegende invloed op de kansbepaling kunnen uitoefenen, zomede de verschillende vormen, waaronder gelegenheid bestaat om op de uitslag van een sport- of andere gebeurtenis te wedden, zoals de totalisator bij harddraverijen en paardenrennen, een en ander voor zover deze figuren niet reeds vallen onder de omschrijving van de Loterijwet. Voldaan moet echter zijn aan het vereiste dat tot de deelneming door een of ander persoon of lichaam gelegenheid wordt gegeven. Weddenschappen, kaartspelen e.d. tussen bepaalde personen onderling blijven dus buiten beschouwing.”

MvT, Kamerstukken II 1959/60, 5787, nr. 3, blz. 6 (wet van 14 september 1961, Stb. 1961, 313 (Wet op de loterijbelasting)).

“De vraag of een deelnemer al dan niet overwegende invloed op de kansbepaling kan uitoefenen, is bij bedoelde prijsvragen van geen belang.”

MvT, Kamerstukken II 1959/60, 5787, nr. 3, blz. 6 (wet van 14 september 1961, Stb. 1961, 313 (Wet op de loterijbelasting)).

Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet op de kansspelen valt – voor zover hier van belang – het volgende af te leiden:

“Voor de omschrijving van het fiscale begrip 'kansspel' … is uiteraard aansluiting gezocht bij hetgeen de voorgestelde Wet op de kansspelen bepaalt omtrent kansspelen (artikel 1, letter a) en prijsvragen (artikel 28, eerste lid). Daar de Wet op de kansspelen op dit punt niet anders doet dan de bepalingen van de Loterijwet technisch verbeteren, zal de kansspelbelasting materieel hetzelfde terrein bestrijken als de loterijbelasting. Slechts met de nieuw opgenomen uitdrukkelijke uitschakeling van speelautomaten uit het fiscale kansspelbegrip wordt een wijziging beoogd, doch deze wijziging is van ondergeschikt belang. Zij strekt er nl. slechts toe duidelijk te maken dat speelautomaten onder de omzetbelasting en niet onder de kansspelbelasting vallen, ook indien zij - hetgeen overigens verboden was en blijft - zodanig zouden zijn geconstrueerd dat de speler geen overwegende invloed kan uitoefenen op het verwerven van een prijs.”

MvT, Kamerstukken II 1959/60, 7603, nr. 3, blz. 12 (wet van 10 december 1964, Stb. 1964, 483 (Wet op de kansspelen)).

4.3. Uit de tekst van de wet en de wetsgeschiedenis leidt de rechtbank af dat de wetgever heeft beoogd het begrip prijsvraag een zo ruim mogelijke betekenis te geven en zo ruim mogelijk toe te passen. Naar het oordeel van de rechtbank dient de activiteit die eiseres heeft georganiseerd als kansspel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet te worden aangemerkt. Eiseres heeft initiatiefnemers in de gelegenheid gesteld om door middel van het organiseren van een sportactiviteit, waarbij sportstimulering centraal staat, mee te dingen naar een prijs, de zogenoemde sportstimuleringsprijs. Hetgeen eiseres heeft georganiseerd betrof een opgave dan wel opdracht, waarbij een prijs is uitgeloofd aan degene die aan de in 2.2 genoemde criteria voldeed èn die volgens de jury het beste initiatief heeft ontplooid. Eiseres heeft derhalve naar het oordeel van de rechtbank een prijsvraag uitgeschreven. Bij de beoordeling of er sprake is van een prijsvraag als bedoeld in voornoemd artikel is de reden waarom de prijsvraag wordt georganiseerd of waarom een deelnemer meedoet niet van belang, ook niet of zij een winstoogmerk hebben. Anders dan eiseres stelt was mededinging niet alleen voorbehouden aan door eiseres aangeschreven en uitgenodigde verenigingen en clubs. Voorwaarde is dat aan de gestelde criteria wordt voldaan.

4.4. De stelling van eiseres dat het niet om een prijsvraag maar om een verkapte subsidieverstrekking gaat, kan niet als juist worden aanvaard. Weliswaar wordt aan de hand van de in 2.2 vermelde criteria beoordeeld wie in aanmerking komt voor de sportstimuleringsprijs maar het voldoen aan die criteria geeft de deelnemer geen recht op die prijs. Indien er niet voldoende geld is, kan het voorkomen dat een instantie die aan de beleidscriteria voldoet toch geen prijs ontvangt. De deelnemers met het beste of het meest bijzondere initiatief winnen uiteindelijk een sportstimuleringsprijs. Voorts heeft eiseres ter zitting verklaard dat zij tijdens de uitreiking van de sportprijs aan de prijswinnaar meedeelt waaraan hij het prijzengeld kan besteden maar dat zij niet controleert of het geld ter stimulering van de sport wordt besteed.

4.5. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat er voor de deelneming aan de activiteit het verrichten van een wetenschappelijke of kunstzinnige prestatie wordt gevorderd, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet. De Wet biedt evenmin ruimte om de vrijstelling analoog toe te passen op de onderhavige activiteit. Ook de wetswijziging sinds 1 januari 2008 brengt dit niet mee. Vanaf dat moment is als uitzondering toegevoegd: “een prestatie waarmee het algemeen maatschappelijk belang wordt gediend” omdat de wetgever het niet wenselijk achtte dat dergelijke activiteiten belast waren met kansspelbelasting. Partijen zijn het erover eens dat de sportstimuleringsprijs hieronder begrepen kan worden maar nu deze bepaling geen terugwerkende kracht heeft kan hieraan voor het onderhavige tijdvak geen betekenis worden toegekend.

Gelijkheidsbeginsel

4.6. Het ligt op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat in de meerderheid van met haar vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. Eiseres heeft zelf geen feitelijk en rechtens vergelijkbare gevallen aangedragen. Verweerder heeft een drietal persberichten bij zijn verweerschrift gevoegd, waaruit volgt dat de gemeente Den Haag, de gemeente Groningen en de gemeente Goes prijzen hebben uitgereikt die eveneens sportstimuleringsprijs worden genoemd en dat de gemeente Goes tevens een zogenoemde sportprijs heeft uitgereikt.

4.7. Met betrekking tot de toekenning van een sportstimuleringsprijs door de gemeente Den Haag is naar het oordeel van de rechtbank te weinig informatie voorhanden om te kunnen beoordelen of er sprake is van een feitelijk en rechtens met eiseres vergelijkbaar geval. Niet duidelijk is of de gemeente Den Haag, net als in het geval van eiseres, verenigingen en/of clubs heeft uitgenodigd mee te dingen naar die prijs door middel van het organiseren van een sportactiviteit of het leveren van een andere prestatie of dat de gemeente Den Haag zelf instanties dan wel personen heeft genomineerd voor die prijs. Dat er, net als in het geval van eiseres, een prijs wordt toegekend voor een initiatief van een vereniging is dan onvoldoende. In het geval van de gemeente Groningen is eveneens te weinig informatie voorhanden om te kunnen beoordelen of er sprake is van een feitelijk en rechtens met eiseres vergelijkbaar geval. Gelet op de betwisting van verweerder is de enkele stelling van eiseres dat er bij de gemeente Groningen sprake is van feitelijk en rechtens vergelijkbare gevallen onvoldoende om aan te nemen dat dit het geval is. In het geval van de gemeente Goes is de sportstimuleringsprijs een prijs die naar aanleiding van een voordracht door een vereniging of de Sportraad van een individuele sporter aan die sporter wordt uitgereikt met de bedoeling om aanstormend talent extra aan te moedigen. Gelet hierop acht de rechtbank niet aannemelijk dat deze sportstimuleringsprijs is uitgereikt naar aanleiding van een prijsvraag. Indien de organisatie rondom de eveneens door de gemeente Goes uitgereikte sportprijs feitelijk en rechtens vergelijkbaar is met de door eiseres georganiseerde activiteit, dan nog is er geen meerderheid van met eiseres vergelijkbare gevallen waarin een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven, nog afgezien van de vraag of in dit kader de handelwijze van andere eenheden kan worden meegenomen.

4.8. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.6. en 4.7. is overwogen, acht de rechtbank niet aannemelijk dat verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld.

4.9. Met betrekking tot de stelling van eiseres dat verweerder willekeurig heeft gehandeld, oordeelt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet onzorgvuldig gehandeld door, na kennisname van een advertentie in een plaatselijk huis-aan-huisblad, een boekenonderzoek bij eiseres in te stellen en naar aanleiding daarvan een naheffingsaanslag aan eiseres op te leggen.

4.10. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, diende eiseres naar het oordeel van de rechtbank kansspelbelasting in te houden op de door haar uitbetaalde sportstimuleringsprijzen en deze belasting af te dragen aan verweerder. Nu zij dit niet heeft gedaan, is de naheffingsaanslag terecht aan eiseres opgelegd. Het beroep tegen de naheffingsaanslag zal de rechtbank derhalve ongegrond verklaren.

Vergrijpboete

4.11. Artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“1. Indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige is te wijten dat belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem een boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete.

2. De grondslag voor de boete wordt gevormd door het bedrag van de belasting dat niet of niet tijdig is betaald, voor zover dat bedrag als gevolg van de opzet of de grove schuld van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige niet of niet tijdig is betaald.

3. Bij niet of gedeeltelijk niet betalen legt de inspecteur de boete op, gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag.”

4.12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht een vergrijpboete wegens grove schuld aan eiseres opgelegd. Verweerder, op wie in deze de bewijslast rust, heeft met hetgeen hij heeft gesteld aannemelijk gemaakt dat het aan de grove schuld, dat is in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid, van eiseres is te wijten dat te weinig kansspelbelasting is afgedragen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiseres, althans burgemeester & wethouders, in artikel 28, eerste lid, van de Wet op de kansspelen als vergunningverlenende instantie is aangewezen voor prijsvragen. Op grond daarvan zal eiseres moeten kunnen beoordelen of sprake is van een prijsvraag. De omstandigheid dat de onderhavige prijsvraag is georganiseerd door een andere afdeling/onderdeel van eiseres dan de vergunningverlenende afdeling/onderdeel is daarbij niet van belang omdat eiseres hierbij als een geheel moet worden beschouwd. Gelet op deze specifieke kennis inzake prijsvragen heeft eiseres, door zich niet af te vragen of sprake is van een prijsvraag onzorgvuldig gehandeld. Door bedoeld handelen heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank dermate lichtvaardig gehandeld dat het aan haar grove schuld is te wijten dat er ten onrechte geen kansspelbelasting is voldaan.

4.13. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.12 is overwogen, kon eiseres redelijkerwijs niet menen dat de door haar georganiseerde activiteit geen kansspel is. Dat eiseres stelt dat zij niet van belastbaarheid van andere vergelijkbare sportstimuleringsprijzen heeft gehoord, doet hier niet aan af reeds omdat niet is komen vast te staan dat er vergelijkbare gevallen te onderkennen zijn. Per 1 januari 2008 is de Wet gewijzigd, als eerder beschreven onder 4.5, ertoe leidende dat een sportstimuleringsprijs zoals hier aan de orde niet langer belast wordt met kansspelbelasting. Deze wetswijziging kent, als eerder opgemerkt, geen terugwerkende kracht. Echter, de rechtbank acht een (symbolische) boete van € 1 in deze situatie meer passend en geboden. Het beroep tegen de vergrijpboete zal de rechtbank derhalve gegrond verklaren.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde verleende beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 966 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1,5).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor wat betreft de naheffingsaanslag ongegrond;

- verklaart het beroep voor wat betreft de vergrijpboete gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de vergrijpboete;

- vermindert de vergrijpboete tot € 1 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 966 en

wijst de Staat aan als rechtspersoon die dit bedrag aan eiseres moet voldoen;

- gelast dat de Staat het door eiseres betaalde griffierecht van € 285 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 11 augustus 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J. Ghrib, mr. M.A. Dirks en mr. J.M. Vink in tegenwoordigheid van mr. S.R.M. Dekker, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.