Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BE9528

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-08-2008
Datum publicatie
08-09-2008
Zaaknummer
AWB 07/3780 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Werkgever aansprakelijk voor schade ambtenaar door val over plas koffie? Zorgplicht werkgever. Nu werkgever situatie tijdelijke plaatsing kopieerapparaat niet heeft onderzocht, geen maatregelen heeft getroffen of aanwijzingen heeft verstrekt ter voorkoming van schade werknemers bij uitoefening werkzaamheden, is zorgplicht niet nagekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

derde afdeling, meervoudige kamer

Reg. nr. AWB 07/3780 AW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[Eiseres], wonende te [woonplaats],

en

de Korpsbeheerder van het Politiekorps Haaglanden, verweerder.

I. Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 18 augustus 2006 heeft eiseres de Korpschef van het Politiekorps Haaglanden (de Korpschef) verzocht een zelfstandig schadebesluit te nemen.

Bij brief van 24 januari 2007 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op haar verzoek.

Eiseres heeft bij brief van 12 april 2007 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar verzoek.

Bij besluit van 3 juli 2007 heeft de Korpschef eiseres een vergoeding toegekend voor de door haar gemaakte en nog te maken noodzakelijke medische kosten ten gevolge van het ongeval dat haar begin 2003 is overkomen, tot een bedrag van maximaal € 5.000,-- netto.

De rechtbank heeft het beroep met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 3 juli 2007.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 11 juli 2008. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. N.D. Dane. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door

mr. S. Denneman en mr. F.A.C. Bergervoet.

II. Motivering

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Eiseres is werkzaam als coördinator slachtofferzorg bij het Bureau Vrijwilligers in het Bureau [locatie]

1.2. Begin januari 2003 is eiseres op haar werk ten val gekomen. Zij is, toen zij onderweg was naar het kopieerapparaat, uitgegleden over een plas koffie. Hierbij is letsel ontstaan. Eiseres heeft in het ongevallenrapport d.d. 17 november 2004 aangegeven dat dit letsel bestaat uit hoofd-, nek-, en schouderklachten (verschoven nekwervels, uitpuilende tussenwervelschijf/beklemming zenuw en een blokkade in de (lage) rugwervels).

1.3. Bij besluit van 28 december 2004 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat het haar overkomen ongeval niet als dienstongeval in de zin van artikel 54, juncto artikel 1, lid 1, sub z van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) wordt aangemerkt. Het uitglijden in de gang vindt volgens verweerder niet zijn oorzaak in de aard van de aan eiseres opgedragen werkzaamheden en tevens zijn er geen bijzondere omstandigheden waaronder zij haar werkzaamheden moest verrichten. Het door eiseres tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is bij besluit van 1 september 2005 ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen geen rechtsmiddelen aangewend.

1.4. Op 12 januari 2005 heeft eiseres een Aangifteformulier (dienst)ongevallenverzekering ingevuld en aan het Politiekorps Haaglanden verzonden. Naar aanleiding van dit formulier heeft het Politiekorps Haaglanden het ongeval gemeld bij zijn aansprakelijkheidsverzekeraar.

1.5. Op 1 februari 2005 heeft de bedrijfsarts Mutsaerts causaal verband vastgesteld tussen het letsel van eiseres en het haar overkomen ongeval.

1.6. Bij brief van 24 maart 2006 heeft eiseres de Korpschef aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden en te lijden schade ten gevolge van haar val.

1.7. Bij brief van 7 juni 2006 heeft de verzekeraar de aansprakelijkheid afgewezen. Eiseres heeft hierop bij brief van 18 augustus 2006 gereageerd. In deze brief is tevens aan de verzekeraar verzocht om bij handhaving van diens standpunt de brief door te leiden naar het Politiekorps Haaglanden met het verzoek een zelfstandig schadebesluit te nemen.

2.1. In beroep heeft eiseres – kort samengevat – aangevoerd dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn zorgplicht als genoemd in artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het kopieerapparaat had op een andere, veiligere werkplek gesitueerd moeten worden. Of verweerder had, indien een andere plaatsing niet mogelijk was geweest, goede onderhouds- en/of schoonmaakinstructies moeten geven. Ook had verweerder moeten waarschuwen voor de situatie. Door verweerder is niet aannemelijk gemaakt dat hij voldoende voorzorgsmaatregelen heeft getroffen om te voorkomen dat werknemers in het kader van de uitoefening van hun werk schade lijden.

2.2. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.1. Allereerst stelt de rechtbank vast dat verweerder de ingevolge artikel 7:10 van de Awb gestelde termijn voor het beslissen op het bezwaarschrift heeft overschreden, zodat sprake is van het niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in artikel 6:2 van de Awb. Omdat verweerder enige tijd na het ingestelde beroep wel een beslissing heeft genomen, te weten bij besluit van 3 juli 2007, heeft eiseres geen belang meer bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar.

Het beroep van eiseres zal dan ook, voor zover het is gericht tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar, niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.2. De rechtbank ziet wel aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) wordt 1 punt met een waarde van € 322,-- toegekend voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand bij het indienen van een beroepschrift, waarbij, aangezien het beroep zich richtte tegen het niet tijdig beslissen, als wegingsfactor 0,25 (zeer licht) wordt gehanteerd.

3.3. De rechtbank stelt vervolgens vast dat het besluit van 3 juli 2007 een primaire beslissing is waartegen bezwaar open stond. Dit is door partijen niet onderkend. Ter zitting hebben partijen aangegeven de bezwaarschriftenprocedure te willen overslaan en een uitspraak van de rechtbank te wensen. De rechtbank zal dit verzoek honoreren en oordelen over het besluit van 3 juli 2007.

3.4. De rechtbank stelt tot slot vast dat niet de Korpschef de bevoegdheid toekomt besluiten te nemen over aansprakelijkheden maar de Korpsbeheerder. Verweerder heeft, desgevraagd, hierover ter zitting verklaard dat er een mandaatregeling is, op grond waarvan onderhavige bevoegdheid is gemandateerd aan de Korpschef. Ten onrechte is in het bestreden besluit niet vermeld dat het in mandaat is genomen, aldus verweerder. Gelet hierop is het besluit onbevoegd genomen en kan het niet in stand blijven. Het beroep is derhalve gegrond. De rechtbank zal beoordelen of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

3.5. Niet in geschil is dat in het onderhavige geval geen sprake is van een dienstongeval als bedoeld in artikel 54, juncto artikel 1, lid 1, sub z van het Barp.

3.6. Met betrekking tot het beroep op aansprakelijkheid van de werkgever merkt de rechtbank het volgende op. In het geval als het onderhavige dat sprake is van een zelfstandig schadebesluit aangaande de schade die door de ambtenaar beweerdelijk in de uitoefening van zijn dienstbetrekking is geleden, wordt de norm gehanteerd die ook tot uitdrukking is gebracht in het thans in artikel 7:658 van het BW bepaalde: voorzover zulks niet reeds voortvloeit uit op de ambtenaar van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften heeft de ambtenaar recht op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanig wijze in te richten, alsmede voor het verrichten van die werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar (zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 22 juni 2000, TAR 2000, 112).

3.7. Het standpunt van verweerder dat eiseres de door haar geleden schade niet aannemelijk heeft gemaakt volgt de rechtbank niet. Eiseres heeft aangegeven welke behandelingen zij heeft ondergaan en tevens heeft zij daarbij aangegeven welke kosten niet door de verzekeraar zijn vergoed. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee de schade voldoende aannemelijk gemaakt. Ter zitting heeft verweerder voorts aangegeven dat inmiddels een bedrag van iets meer dan € 4.300,-- aan eiseres is uitgekeerd.

3.8. Eiseres heeft de verklaring van de bedrijfsarts van verweerder, Mutsaerts, overgelegd. Mutsaerts heeft op 1 februari 2005 causaal verband aangenomen tussen het arbeidsongeval (de val) en het letsel van eiseres.

Verweerder heeft daartegenover gesteld dat geen sprake is van causaal verband gelet op de verstreken periode tussen de val en het eerste doktersbezoek (ongeveer 10 maanden).

3.9. Ten aanzien van het causaal verband is de rechtbank, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, van oordeel dat verweerder niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat geen sprake is van causaal verband. Verweerder heeft bij besluit van 1 september 2005 het bezwaarschrift van eiseres gericht tegen het besluit van verweerder waarin was geoordeeld dat het ongeval van eiseres niet als dienstgeval kon worden aangemerkt ongegrond verklaard. De bezwarenadviescommissie rechtspositionele besluiten van het regionaal politiekorps Haaglanden heeft in zijn advies, dat door verweerder in zijn besluit van 1 september 2005 is overgenomen, geconstateerd dat oorzakelijk verband aanwezig is tussen het letsel en het aan eiseres overkomen ongeval. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend zodat dit besluit onherroepelijk is geworden. Daarmee is het causaal verband tussen het ongeval en de schade komen vast te staan. Verweerder heeft gesteld noch aannemelijk gemaakt dat op grond van feiten en omstandigheden van dit standpunt thans dient te worden afgeweken.

3.10. Resteert de stelling van verweerder dat hij met betrekking tot het voorkomen van het ongeval heeft voldaan aan de onder 3.6. omschreven zorgplicht van de werkgever.

Tussen partijen staat vast dat de val van eiseres niet het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid. Overigens is evenmin sprake van eigen schuld. Het geschil spitst zich daarmee toe op de vraag of verweerder zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden op zodanige wijze in te richten alsmede voor het verrichten van de werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.

3.11. Verweerder heeft zich in het verweerschrift en ter zitting op het standpunt gesteld dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan. In dat verband heeft verweerder gesteld nimmer klachten te hebben ontvangen over de situering van het afruimbuffet en/of het kopieerapparaat. Verweerder was dan ook niet op de hoogte van de rommel rondom het afruimbuffet dat in de nabijheid van het kopieerapparaat stond. Ook bij het opnieuw beoordelen van de locatie en situering is verweerder niet gebleken van een gevaarlijke situatie. Het morsen van koffie op zich is niet onrechtmatig. Dit had ook kunnen gebeuren als het afruimbuffet op een andere plek zou hebben gestaan. Voorts werd de ruimte rondom het kopieerapparaat dagelijks schoongemaakt. Verweerder heeft niet kunnen constateren dat dit vaker of anders had dienen te gebeuren. Daar komt bij dat de koffievlek overdag is ontstaan en deze bij meer intensievere schoonmaakwerkzaamheden niet zou zijn voorkomen nu er 's morgens werd schoongemaakt. Het geven van instructies of waarschuwingen zou de koffievlek niet hebben kunnen voorkomen. Bovendien dient degene die koffie morst dit zelf op te ruimen. Een dergelijke beleefdheidsnorm behoeft de werkgever niet te instrueren. Ook is een dergelijke instructie zinloos in het geval iemand ongemerkt en onbedoeld koffie zou morsen. Tot slot is het een feit van algemene bekendheid dat wanneer op een harde vloer wordt gemorst dit gladheid kan veroorzaken. Het ligt dan ook niet in de rede om hiervoor te waarschuwen. Gelet op de korte tijdspanne tussen het morsen en het ongeval was verweerder (indien hij al op de hoogte zou zijn van de plas koffie) niet in de gelegenheid de koffie op te ruimen dan wel een waarschuwingsbord te plaatsen.

3.12. Niet in geschil is dat verweerder de situatie niet heeft onderzocht op het moment dat het kopieerapparaat tijdelijk werd verplaatst. Toen zijn geen maatregelen getroffen of aanwijzingen verstrekt om te voorkomen dat werknemers schade zouden lijden bij de uitoefening van hun werkzaamheden. Naar het oordeel van de rechtbank lag het in de gegeven omstandigheden, de (tijdelijke) plaatsing van een kopieerapparaat in de nabijheid van een afruimbuffet, op de weg van verweerder om instructies te geven of maatregelen te treffen als door eiseres zijn gesuggereerd. Vast staat dat verweerder dit niet heeft gedaan. Het dagelijks schoon (laten) maken van de ruimte waarin het kopieerapparaat en het afruimbuffet waren geplaatst kan in dit opzicht niet als afdoende worden beschouwd. Of het ongeval zich ook zou hebben voorgedaan als verweerder wel maatregelen zou hebben getroffen en aanwijzingen zou hebben verstrekt doet niet terzake.

De conclusie dient dan ook te zijn dat verweerder zijn onder 3.6. vermelde zorgplicht niet is nagekomen.

3.13. Uit het vorenstaande volgt dat verweerder aansprakelijk is voor de door eiseres geleden schade en dat hij deze schade aan eiseres dient te vergoeden. De rechtbank ziet tevens aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 3 juli 2007 te herroepen, nu gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen andere beslissing mogelijk is indien verweerder opnieuw zou moeten beslissen.

3.14. Omdat thans onvoldoende duidelijkheid bestaat over de omvang van de schade, zal de rechtbank bepalen dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de te vergoeden schade. Eiseres wordt verzocht om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een schadebegroting aan de rechtbank te overleggen. Verweerder zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld daarop te reageren. Daarna zal, zo mogelijk met toepassing van artikel 8:57 van de Awb, een nadere uitspraak volgen.

3.15. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb te veroordelen in de door eiseres in verband met het niet tijdig beslissen op het door haar ingediende bezwaarschrift gemaakte proceskosten. Met inachtneming van het bepaalde in het Bpb stelt de rechtbank het voor vergoeding in aanmerking komende bedrag van kosten vast op € 80,50 (1 punt voor het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 322,-- en wegingsfactor 0,25). Voorts wordt verweerder in de door eiseres gemaakt proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Bpb het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting) 2 punten worden toegekend, met een waarde per punt van € 322,--.

III Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk;

2. verklaart het beroep tegen het besluit van 3 juli 2007 gegrond;

3. herroept het bestreden besluit;

4. bepaalt dat verweerder aansprakelijk is voor de door eiseres als gevolg van de val geleden schade;

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 805,-- onder aanwijzing van de politieregio Haaglanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiseres dient te vergoeden;

6. gelast dat voornoemde rechtspersoon het door eiseres betaalde griffierecht van € 143,-- vergoedt;

7. bepaalt dat ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevorderde schadevergoeding het onderzoek wordt heropend teneinde de omvang van de schade vast te stellen en bepaalt voorts dat partijen uitvoering dienen te geven aan hetgeen in deze uitspraak staat vermeld onder rechtsoverweging 3.14.

IV Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mrs. M.M.F. Holtrop, C. Fetter en F. Brekelmans en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2008, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Molemans, griffier