Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BE9485

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-08-2008
Datum publicatie
29-08-2008
Zaaknummer
AWB 08 - 25182 en AWB 08 - 25180
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verzoekers eerste asielaanvraag is afgewezen, omdat zijn asielrelaas ongeloofwaardig is geacht. In zijn tweede (onderhavige) aanvraag heeft verzoeker een beroep gedaan op de d-grond van artikel 29 Vw en artikel 15, aanhef, sub c, van de Definitierichtlijn en als nieuwe feiten naar voren gebracht dat de veiligheidssituatie in Noord-Irak is verslechterd, hetgeen blijkt uit twee volgende rapportages van:

- de ICG, van 30 april 2008, getiteld “Iraq after the Surge I: The New Sunni Landscape Crisis Group Middle East Report Nº74, 30 april 2008” en

- Amnesty International, van juni 2008, getiteld “Iraq. Rhetoric and reality: the Iraqi refugee crisis”.

De voorzieningenrechter stelt vast dat artikel 15 sub c van de Definitierichtlijn voor verzoeker geen (relevante) wijziging van recht is, nu op dat artikel sedert 10 oktober 2006 een rechtstreeks beroep kon worden gedaan, derhalve door verzoeker ook reeds vóór het afwijzende besluit in de eerste asielprocedure. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter beoordeeld of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd in verband met verzoekers beroep op de d-grond van artikel 29 Vw en artikel 15, aanhef, sub c, van de Definitierichtlijn. Hoewel het stuk van Amnesty International dateert van na de eerdere besluitvorming, kan het niet als een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 Awb worden aangemerkt, omdat dit stuk slechts algemeen geformuleerde aanbevelingen voor de terugkeer van asielzoekers naar Irak bevat en geen feiten die betrekking hebben op de veiligheidssituatie in Noord-Irak. Het stuk van de ICG bevat echter wel nieuwe feiten, waarvan niet op voorhand is uitgesloten dat deze af kunnen doen aan het eerdere besluit. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat verweerder de onderhavige aanvraag, voor zover die strekt tot een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw, en tot verlening van verblijf op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, ten onrechte met toepassing van artikel 4:6 Awb, heeft afgewezen. Dit leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. De voorzieningenrechter bepaalt echter dat de rechtsgevolgen in stand blijven en daarbij het volgende van belang geacht. Het stuk van de ICG heeft met name betrekking op de situatie rond Mosul, dat is gelegen in Centraal-Irak. Weliswaar heeft verzoeker gesteld dat niet is uitgesloten dat de activiteiten van Al-Quaeda strijders in het noorden van Centraal-Irak grensoverschrijdende gevolgen kunnen hebben voor Noord-Irak, maar dat die gevolgen zich al hebben voorgedaan blijkt niet uit het stuk van de ICG. Er is derhalve geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich (ter zitting en daarna schriftelijk) terecht op het standpunt heeft gesteld dat in Noord-Irak geen sprake is van een gewapend conflict als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c van de Definitierichtlijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 08 / 25182 (voorlopige voorziening)

AWB 08 / 25180 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 augustus 2008

in de zaak van:

[naam verzoeker],

geboren op [geboortedatum] van Iraakse nationaliteit, verblijvende in Detentiecentrum Alphen aan den Rijn, verzoeker,

gemachtigde: mr. M. Woudwijk, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.M. Sidler, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft op 19 juni 2008 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de asielaanvraag bij besluit van 13 juli 2008 afgewezen. Verzoeker heeft tegen het afwijzende besluit op zijn asielaanvraag, op 14 juli 2008 beroep ingesteld.

1.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep de werking van het besluit niet opschort. Verzoeker heeft op 14 juli 2008 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2008. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

1.4 Ter zitting is het onderzoek niet gesloten om verweerder in de gelegenheid te stellen om zijn ter zitting ingenomen standpunt dat in Noord-Irak geen sprake is van een (inter)nationaal gewapend conflict schriftelijk te motiveren en de gemachtigde van verzoeker in de gelegenheid te stellen daarop schriftelijk te reageren.

1.5 Verweerder heeft bij brief van 8 augustus 2008 aan de opdracht van de voorzieningenrechter voldaan. De gemachtigde van verzoeker heeft bij brief van 12 augustus 2008 op de brief van verweerder gereageerd.

1.6 Beide partijen hebben schriftelijk toestemming gegeven om de zaak zonder verdere zitting af te doen.

1.7 Hierop heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 In de hoofdzaak toetst de voorzieningenrechter het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.4 Op 18 maart 2003 heeft verzoeker een eerdere aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verzoeker heeft aan die asielaanvraag het volgende relaas ten grondslag gelegd. Verzoeker is een Koerd afkomstig uit Noord-Irak. Verzoekers familie wilde dat eiser met zijn nichtje, de dochter van de broer van zijn vader zou trouwen. Verzoeker wilde dat niet. De vader van het nichtje heeft verzoeker een keer geprobeerd te slaan. De vader van verzoeker wilde ook persé dat verzoeker met zijn nichtje zou trouwen. Nadat een bemiddelingspoging in deze was mislukt en het naar verzoekers gevoel de verkeerde kant uitging, heeft de broer van de moeder van verzoeker hem geholpen, zonder dat zijn ouders dat wisten, het land van herkomst te verlaten. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 24 mei 2007 afgewezen. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is op 3 januari 2008 door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Breda (kenmerk: AWB 07/26191), (onherroepelijk) ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder, nu verzoeker geen beroepsgrond heeft gericht tegen de geloofwaardigheidsbeoordeling van verweerder, zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van verzoeker positieve overtuigingskracht mist en het relaas ongeloofwaardig is, zodat verzoeker niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

2.5 In het kader van zijn onderhavige aanvraag heeft verzoeker twee rapportages overgelegd, welke zien op de situatie in Irak, te weten:

- een rapportage van de ICG van 30 april 2008, getiteld "Iraq after the Surge I: The New Sunni Landscape Crisis Group Middle East Report Nº74, 30 april 2008" en

- een rapportage van Amnesty International van juni 2008 getiteld "Iraq. Rhetoric and reality: the Iraqi refugee crisis".

Tevens heeft verzoeker verwezen naar Wijzigingsbesluit (WBV) 2007/21 en het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Irak van 14 februari 2008. Verzoeker heeft gesteld dat uit de voormelde stukken blijkt dat de veiligheidssituatie in Noord-Irak is verslechterd ten opzichte van de veiligheidssituatie ten tijde van de besluitvorming in de eerdere procedure. In Noord-Irak is sprake van een binnenlands gewapend conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2004/83 van de Raad van 29 april 2004 (verder: de Definitierichtlijn). Daarnaast meent verzoeker dat er, gelet op de verslechterde veiligheidssituatie, voor Noord-Irak een beleid van categoriale bescherming dient te gelden.

2.6 Verweerder heeft de onderhavige aanvraag in het bestreden besluit aangemerkt als een herhaalde aanvraag en met toepassing van artikel 4:6 Awb afgewezen onder verwijzing naar het eerdere besluit van 24 mei 2007, omdat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, in de zin van dit artikel. Met betrekking tot het beroep van verzoeker op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat met de toetsing die, bij de eerste asielaanvraag, aan artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) is verricht, reeds ook aan artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn is getoetst. Voorts heeft verweerder geen standpunt ingenomen met betrekking tot de vraag of er in Irak sprake is van een conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn en overwogen dat het aan verzoeker is om aannemelijk te maken dat sprake is van een dergelijk conflict, en dat verzoeker daarin niet is geslaagd. Vervolgens heeft verweerder daaraan de conclusie verbonden dat er voor verzoeker geen sprake is van relevant gewijzigd recht.

2.7 Ter zitting, en toegelicht in het schrijven van 8 augustus 2008, heeft verweerder zich primair op het standpunt gesteld dat de bescherming die artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn beoogt te bieden, niet verder reikt dan de bescherming die wordt geboden door artikel 3 Europees verdrag voor de rechten van de mens (EVRM). Subsidiair stelt verweerder dat verzoeker geen rechten kan ontlenen aan artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn, omdat zijn asielrelaas ongeloofwaardig is. Meer subsidiair stelt verweerder dat in de provincie Duhok in Noord-Irak, waaruit verzoeker afkomstig is, geen sprake is van een gewapend conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Daartoe is verwezen naar het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 12 juni 2007, dat is geactualiseerd op 14 februari 2008, alsmede naar het algemeen ambtsbericht van 27 juni 2008. Uit het ambtsbericht van 27 juni 2008 blijkt dan ook niet dat er een georganiseerde gewapende groep met een verantwoordelijk bevel is, die in staat is in de gebieden die vallen onder de Kurdistan Regional Government (KRG), operaties uit te voeren tegen de peshmerga's of de lokale politie of een andere dergelijke groep die aanhoudend en samenhangend van aard zijn. Voorts heeft verweerder gesteld dat, gelet op de voormelde ambtsberichten er geen aanleiding is voor het voeren van een beleid van categoriale bescherming voor asielzoekers afkomstig uit Noord-Irak en dat de door verzoeker overgelegde stukken daar niet aan af doen.

2.8 Verzoeker heeft zich in de gronden van zijn beroep, kort samengevat en voor zover hier van belang, op het standpunt gesteld dat uit de door hem overgelegde stukken blijkt dat de veiligheidssituatie in Noord-Irak is verslechterd. Deze stukken vormen wel degelijk een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 Awb. Verweerder is daarop in het bestreden besluit onvoldoende ingegaan. Verweerder heeft aan verzoeker ten onrechte geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw, verleend. Voorts is in Noord-Irak sprake van een conflict in de zin van artikel artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Verweerder heeft in het bestreden besluit ten onrechte geen standpunt ingenomen op dit punt.

2.9 De gemachtigde van verzoeker heeft zich in haar schriftelijke reactie op de brief van verweerder van 8 augustus 2008 op het standpunt gesteld dat verweerder niet pas ter zitting een standpunt kan innemen met betrekking tot de vraag of in Duhok in Noord-Irak sprake is van een binnenlands gewapend conflict. Voorts heeft verweerder in andere zaken zich op het standpunt gesteld dat het aan de minister van Buitenlandse Zaken is om daarover een standpunt in te nemen. Verweerder kan zich niet onder enkele verwijzing naar het ambtsbericht op het standpunt stellen dat geen sprake is van een binnenlands conflict. In het ambtsbericht is namelijk geen rekening gehouden met de stukken van Amnesty International en de ICG. Uit het stuk van de ICG blijkt dat zich aanvallen voordoen dicht bij de grens van Centraal-Irak met Noord-Irak.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.10 De voorzieningenrechter stelt vast dat de onderhavige aanvraag een nieuwe aanvraag is na een eerdere afwijzende beschikking in de zin van artikel 4:6 Awb.

2.11 Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, Awb is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan. Ingevolge het tweede lid van deze bepaling kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 Awb de aanvraag afwijzen, onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

2.12 Slechts indien en voor zover door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kunnen het besluit op de herhaalde aanvraag, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

2.13 De voorzieningenrechter is van oordeel dat artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn voor verzoeker geen (relevante) wijziging van recht is, nu op dat artikel sedert 10 oktober 2006 een rechtstreeks beroep kon worden gedaan, derhalve door verzoeker ook reeds vóór het eerdere afwijzende besluit van 24 mei 2007.

2.14 Vervolgens dient de voorzieningenrechter direct treden in de vraag of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd.

2.15 Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), onder meer de uitspraak van 20 april 2007 in zaak nr. 200700590/1, vloeit voort dat onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten en omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet voor het nemen van dat besluit konden worden aangevoerd en bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet voor het nemen van het eerdere besluit konden worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit.

2.16 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan het door verzoeker overgelegde stuk van Amnesty International niet als een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 Awb worden aangemerkt. Hoewel dit stuk dateert van na de besluitvorming in de vorige procedure, bevat dit stuk slechts algemeen geformuleerde aanbevelingen voor de terugkeer van asielzoekers naar Irak en zijn in dit stuk geen feiten genoemd die betrekking hebben op de veiligheidssituatie in Noord-Irak. Derhalve is geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden en om die reden al geen sprake van nova in de zin van artikel 4:6 Awb.

2.17 Uit het stuk van de ICG komt naar voren dat strijders van Al-Qaeda in Irak, op de vlucht voor Amerikaanse troepen, zich hergroeperen in minder gevaarlijke zones. In Anbar schijnen Al-Qaeda-strijders zich in Noordelijke richting te hebben bewogen naar Mosul en omgeving. Thans lijkt de Jihad-beweging zich te concentreren in het Noorden, in de gebieden met een gemengde populatie die grenzen aan het de Koerdische regio. De Verenigde Staten en Iraakse autoriteiten hebben aangekondigd dat zij een groot offensief gaan instellen om Al Qaeda uit zijn noordelijke vluchtplaats te verdrijven (p. 8).

2.18 Voormelde omstandigheden dateren van na het eerdere afwijzende besluit. Voorts is niet op voorhand uitgesloten dat deze omstandigheden kunnen afdoen aan het eerdere besluit, voor zover daarbij is overwogen dat geen beleid van categoriale bescherming geïndiceerd is en verzoeker daarom een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw, is onthouden.

2.19 Verzoeker heeft de hierboven genoemde stukken ook overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat in Noord-Irak sprake is van een binnenlands gewapend conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. De vraag is of die stukken ook in dit kader zijn aan te merken als nova. Hierbij is het volgende van belang.

2.20 Ingevolge artikel 2, aanhef en onder e, Definitierichtlijn, is de persoon die voor een subsidiaire beschermingsstatus in aanmerking komt een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, waneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, eerste en tweede lid, niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen.

2.21 Ingevolge artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn is één van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming, het bestaan van ernstige schade, zijnde ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

2.22 In de uitspraak van 20 juli 2007, LJN: BB0917, heeft de Afdeling overwogen dat op grond van bepalingen van internationaal recht moet worden geconcludeerd dat sprake is van een binnenlands gewapend conflict indien een georganiseerde gewapende groep met een verantwoordelijk bevel in staat is op het grondgebied van een land of een gedeelte daarvan militaire operaties uit te voeren jegens de strijdkrachten van de autoriteiten van dat land. Deze operaties dienen dan aanhoudend en samenhangend van aard te zijn, wil er sprake zijn van een gewapend conflict. Ongeregeldheden en spanningen leiden niet tot de conclusie dat sprake is van een zodanig conflict. Indien zich in het land van herkomst van de vreemdeling een zodanig conflict voordoet, houdt dit echter niet zonder meer in dat hij reeds daarom onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn valt. Vastgesteld moet worden of de door hem gestelde schade in verband kan worden gebracht met dit conflict. Daarbij is van betekenis of dit conflict zich over alle delen van het land van herkomst uitstrekt, dan wel beperkt is tot duidelijk te onderscheiden deelgebieden. Indien, in dat laatste geval, een vreemdeling afkomstig is uit een deel waar geen sprake is van een gewapend conflict en evenmin van gevolgen voor hem van een elders in het land bestaand gewapend conflict, zal hij bij terugkeer naar dat deel geen schade leiden die in verband kan worden gebracht met een zodanig conflict en daarom buiten de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn vallen.

2.23 De voorzieningenrechter is van oordeel dat het door verzoeker overgelegde stuk van Amnesty International niet als een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 Awb kan worden aangemerkt. Verwezen wordt naar hetgeen hierboven onder 2.16 is overwogen.

2.24 De in het stuk van de ICG vervatte feiten en omstandigheden, zoals hierboven onder 2.17 weergegeven, dateren van na het eerdere afwijzende besluit. Voorts is niet op voorhand uitgesloten dat deze feiten en omstandigheden kunnen afdoen aan het eerdere besluit.

2.25 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat verweerder de onderhavige aanvraag, voor zover die strekt tot een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw, en tot verlening van verblijf op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, ten onrechte met toepassing van artikel 4:6 Awb, heeft afgewezen. Hierom komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Het beroep zal gegrond worden verklaard.

2.26 De voorzieningenrechter is evenwel van oordeel, gelet op de door partijen nader ingenomen standpunten, dat buiten twijfel is dat een nieuwe beslissing op de aanvraag, eveneens tot afwijzing van de aanvraag zal leiden. Daarom zal de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Hiertoe is het volgende overwogen.

2.27 Met betrekking tot verzoekers stelling dat verweerder een categoriaal beschermingsbeleid voor Noord-Irak zou moeten voeren, wordt het volgende overwogen.

2.28 Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen in de uitspraak van 8 november 2001 (JV 2002/12), moet de vraag of een asielzoeker op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw voor toelating in aanmerking komt, worden beantwoord aan de hand van een beoordeling van de algehele situatie in het land van herkomst. Ter zake daarvan komt aan verweerder een ruime beoordelingsmarge toe, waarvan de aanwending de toetsing in rechte slechts dan niet kan doorstaan, indien geoordeeld moet worden dat het besluit niet voldoet aan de wettelijke voorschriften, dan wel verweerder bij afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen en gegeven de feitelijke grondslag ervan, niet in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen.

2.29 Uit de ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken over de situatie in Irak van februari en juni 2008 blijkt dat de veiligheidssituatie in het grootste deel van het KRG-gebied tamelijk stabiel is. Het geweld dat zich in Irak voordoet is multi-dimensionaal (etnisch, religieus, politiek en/of crimineel en soms willekeurig). De verantwoordelijkheid van het geweld wordt toegeschreven aan onder meer voorstanders van het voormalige Iraakse bewind van Saddam Hoessein. Daarnaast wordt een groot deel van het geweld toegeschreven aan de verschillende, maar met name sji'itische milities en daaraan gerelateerde doodseskaders. In KRG-gebied is de ordehandhaving in handen van de lokale politie en peshmerga's, militaire eenheden die onder de KRG vallen. Verschillende bronnen hebben aangegeven dat de peshmerga's de drie KRG-provincies strak onder controle hebben. De veiligheidsorganisaties in het KRG-gebied zijn doorgaans in staat om een zekere bescherming te bieden aan de burgers.

2.30 Een ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden indien het op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaft onder aanduiding - voor zover mogelijk en verantwoord - van de bronnen, waaraan deze informatie is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij de besluitvorming in asielzaken van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. De inhoud van het door verzoeker overgelegde stuk van Amnesty International kan niet als een dergelijk concreet aanknopingspunt worden aangemerkt. Verwezen wordt naar hetgeen daarover hierboven onder 2.16 is overwogen. Hetzelfde geldt voor het door verzoeker overgelegde stuk van de ICG. Dat heeft met name betrekking op de situatie rond Mosul, dat is gelegen in Centraal-Irak. Weliswaar heeft verzoeker gesteld dat niet is uitgesloten dat de activiteiten van Al-Quaeda strijders in het noorden van Centraal-Irak grensoverschrijdende gevolgen kunnen hebben voor Noord-Irak, maar dat die gevolgen zich al hebben voorgedaan blijkt niet uit het stuk van de ICG.

2.31 Er is derhalve geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat verzoeker niet in aanmerking komt voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning.

2.32 Met betrekking tot het beroep van verzoeker op artikel 15, aanhef en onder c van de Definitierichtlijn, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

2.33 De voorzieningenrechter is allereerst van oordeel dat verweerder niet gevolgd kan worden in zijn standpunt dat de toetsing welke dient te worden verricht in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, dezelfde is als de toetsing die wordt verricht in het kader van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw. Hierbij is volgende in aanmerking genomen.

2.34 Gelet op de door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) op 12 oktober 2007 (200702174/1) gestelde prejudiciële vragen aan het Hof die zien op de betekenis van artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn, is niet op voorhand duidelijk of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat de toetsing van artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn overeenkomt met de toetsing die thans wordt verricht in het kader van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw.

2.35 De voorzieningenrechter acht, in navolging van de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 25 januari 2007 (AWB 06/50100), de conclusie gerechtvaardigd dat met artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn sprake is van een beschermingsgrond die niet, althans niet zonder nadere implementatie in de nationale regelgeving, onder de b-grond van artikel 29 Vw valt te brengen.

2.36 Verweerder kan voorts niet worden gevolgd in zijn subsidiare standpunt. Immers in de zaak waarin de Afdeling prejudiciële vragen heeft gesteld was ook sprake van een ongeloofwaardig asielrelaas.

2.37 Daarmee komt het aan op de vraag of in de provincie Duhok, uit welk gebied in Noord-Irak verzoeker afkomstig is, sprake is van een binnenlands gewapend conflict dan wel van gevolgen voor verzoeker aldaar van een elders in Noord-Irak bestaand gewapend conflict. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag ontkennend. Verwezen wordt naar de informatie uit de ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken over Irak, zoals hierboven weergegeven onder 2.29. Uit die informatie blijkt niet dat er een georganiseerde gewapende groep met een verantwoordelijk bevel in staat is in de gebieden, die vallen onder de KRG, operaties uit te voeren jegens de peshmerga's of de lokale politie, althans jegens een andere dergelijke groep, die aanhoudend en samenhangend van aard zijn. Ook de verwijzing naar WBV 2007/21 biedt daarvoor geen enkele aanwijzing.

2.38 Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat in de provincie Duhok, waaruit verzoeker afkomstig is, ten tijde van het bestreden besluit geen sprake was van een binnenlands gewapend conflict als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c van de Definitierichtlijn en evenmin is gebleken van gevolgen voor verzoeker van een eventueel elders in Irak bestaand conflict.

2.39 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.40 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de door verzoeker gemaakte kosten en de rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en € 322,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 13 juli 2008;

3.3 bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

3.4 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.5 veroordeelt verweerder in de kosten in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening ad € 644,- en in verband met het beroep ad € 322,- en draagt de Staat der Nederlanden op deze kosten aan verzoeker te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Greeuw, voorzieningenrechter en op

20 augustus 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van S.S. de Groot, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Het hoger beroep moet worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.