Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BE9468

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
29-08-2008
Zaaknummer
AWB 08/4111 en AWB 08/4109
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Een tweede of verdere aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is alleen een aanvraag in de zin van artikel 4:6 Awb indien het een aanvraag betreft waarin wordt verzocht om een vergunning voor hetzelfde doel als aan de orde bij het afwijzende besluit op de eerdere aanvraag. Nu verzoeksters aanvraag van 10 januari 2005 is gedaan voor een ander doel dan de onderhavige aanvraag van 25 september 2007, heeft verweerder laatstgenoemde aanvraag niet onder verwijzing naar de besluiten op de eerdere aanvraag mogen afwijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummers: AWB 08 / 4111 (voorlopige voorziening)

AWB 08 / 4109 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juni 2008

in de zaak van:

[naam verzoekster],

geboren op [geboortedatum], van Pakistaanse nationaliteit,

verzoekster,

gemachtigde: mr. A. Khan, advocaat te Hoofddorp,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.M.C. de Haan, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoekster heeft op 25 september 2007 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel "verruimde gezinshereniging bij kind". Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 5 oktober 2007, verzonden op 9 oktober 2007, afgewezen. Verzoekster heeft tegen het besluit op 22 oktober 2007 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 31 januari 2008 ongegrond verklaard. Verzoekster heeft tegen dit besluit op 4 februari 2008 beroep ingesteld.

1.2 Verzoekster heeft op 4 februari 2008 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoekt verweerder te verbieden haar uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.3 Verweerder heeft op 21 mei 2008 een verweerschrift ingediend.

1.4 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 5 juni 2008. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door drs. J.E. Groenenberg, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 In de hoofdzaak toetst de voorzieningenrechter het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.4 De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten. Verzoekster heeft op 10 januari 2005 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een vergunning tot verblijf voor het doel 'wedertoelating'. Bij besluit van 15 juni 2005 is deze aanvraag afgewezen, omdat verzoekster niet in het bezit was van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf. Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft verweerder verzoekster op 22 maart 2006 gehoord. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 29 mei 2006 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van deze rechtbank van 19 november 2007 is het door verzoekster ingestelde beroep tegen laatstgenoemd besluit ongegrond verklaard (AWB 06/31063 en 05/29275). In deze uitspraak is de tegenwerping van het mvv-vereiste niet door de rechtbank getoetst.

2.5 Verweerder heeft de onderhavige aanvraag aangemerkt als een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6, eerste lid, Awb en deze afgewezen onder verwijzing naar de besluiten in de voorgaande procedure van 15 juni 2005 en 29 mei 2006, omdat verzoekster geen nieuwe feiten en veranderde omstandigheden heeft aangevoerd.

2.6 Verzoekster heeft hiertegen het volgende aangevoerd. Verzoekster heeft reeds in bezwaar aangevoerd en met jurisprudentie onderbouwd dat geen sprake kan zijn van een aanvraag in de zin van artikel 4:6 Awb. Het inhoudelijk toetsingskader van beide aanvragen is totaal verschillend waardoor het verzoek om vrijstelling van het mvv-vereiste verschillend beoordeeld moet worden. Verweerder heeft hier in het bestreden besluit niet deugdelijk op gereageerd. Bovendien heeft verzoekster op advies van verweerder onderhavige aanvraag ingediend. Het bestreden besluit is genomen in strijd met de in artikel 7:2 van de Awb neergelegde hoorplicht.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.7 De voorzieningenrechter beoordeelt ambtshalve of de onderhavige aanvraag een aanvraag is in de zin van artikel 4:6 Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.8 Ingevolge artikel 4:6 Awb is, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

2.9 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is een tweede of verdere aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd alleen een aanvraag in de zin van artikel 4:6 Awb indien het een aanvraag betreft waarin wordt verzocht om een vergunning voor hetzelfde doel als aan de orde bij het afwijzende besluit op de eerdere aanvraag. Nu verzoeksters aanvraag van 10 januari 2005 is gedaan voor een ander doel (wedertoelating) dan de onderhavige aanvraag van 25 september 2007, heeft verweerder laatstgenoemde aanvraag niet onder verwijzing naar de besluiten op de eerdere aanvraag van 10 januari 2005 mogen afwijzen.

2.10 De voorzieningenrechter zal het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 4:6 Awb.

2.11 Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking.

2.12 De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

2.13 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.14 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoekster heeft gemaakt en de Staat der Nederlanden als rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en € 322,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1). Omdat aan verzoekster een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, worden deze bedragen ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb betaald aan de griffier.

2.15 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb de Staat der Nederlanden aanwijzen als rechtspersoon die het betaalde griffierecht vergoedt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 31 januari 2008;

3.3 draagt verweerder op binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift;

3.4 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt de Staat der Nederlanden op € 644,- te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening en € 322,- in verband met het beroep.

3.6 draagt de Staat der Nederlanden op € 145,- aan verzoekster te betalen als vergoeding voor het betaalde griffierecht voor het verzoek om voorlopige voorziening en € 145,- voor het beroep.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, en op 25 juni 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. L.I. Siers, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, 's-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.