Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BE9366

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-04-2008
Datum publicatie
27-08-2008
Zaaknummer
AWB 08/10194 VRONTN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beroep vrijheidsontnemende maatregel gegrond. onrechtmatige vreemdelingenbewaring. Geen zicht op uitzetting binnen redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

beroep vrijheidsontnemende maatregel

Reg.nr : AWB 08/10194 VRONTN

Inzake : [vreemdelinge], V-nummer 271.491.4529, thans verblijvende in Detentiecentrum [locatie], hierna te noemen de vreemdelinge, gemachtigde mr. F.M. Holwerda, advocaat te Amsterdam,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde [ambtenaar] ten departemente.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 20 maart 2008 heeft de vreemdelinge een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.

2. De openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 31 maart 2008. De vreemdelinge is aldaar verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig [tolk] in het Mandarijn.

3. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank, omdat zij tot het oordeel is gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest, het onderzoek heropend. De rechtbank heeft verweerder verzocht nadere gegevens te verstrekken gelet op de uitspraak van deze rechtbank, zittinghoudende te Rotterdam, van 2 april 2008. De gemachtigde van de vreemdelinge is in de gelegenheid gesteld om op deze gegevens te reageren.

4. Verweerder heeft op 8 april 2008 gereageerd. De gemachtigde van de vreemdelinge heeft vervolgens op 9 april 2008 gereageerd.

5. De rechtbank heeft na ontvangst van de toestemming van partijen, met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het heropende onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. De vreemdelinge heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1985 en de Chinese nationaliteit te hebben. Het beroep is gericht tegen het besluit van verweerder van 20 maart 2008 waarbij de vreemdelinge de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd.

2. De vreemdelinge stelt zich op het standpunt dat de maatregel onrechtmatig is. Daartoe heeft de vreemdelinge onder andere aangevoerd dat er geen zicht op uitzetting is binnen een redelijke termijn. Onder verwijzing naar het artikel van mr. M.A. Collet en W.S. Jiang, Persoonsregistratie in China en zicht op uitzetting (Migrantenrecht 2007, nr. 8), stelt de vreemdelinge dat het uitgesloten is dat aan haar een laissez-passer (LP) zal worden afgegeven, nu zij geen documenten heeft, niet ingeschreven staat in het hukou register en al vijf jaar geleden illegaal uit China is vertrokken. Verder heeft zij geen familie meer in China en is zij eerder in bewaring genomen, zonder dat dit heeft geleid tot verwijdering.

3. Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vreemdelingenwet (Vw) 2000 staat ter beoordeling of dit besluit in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

4. De rechtbank overweegt het volgende.

Verweerder stelt dat in het recente verleden onvolledige informatie is verstrekt ten aanzien van het aantal LP’s dat aan ongedocumenteerde Chinezen is verstrekt. Eerder was gesteld dat in 2007 twee LP’s aan ongedocumenteerde Chinezen waren verstrekt, maar hierbij bleek het te gaan om afgifte van een paspoort in plaats van een LP alsmede om een verlenging in 2006 van een reeds in 2004 afgegeven LP.

Vaststaat dat in 2007 geen LP’s zijn verstrekt door de Chinese autoriteiten aan ongedocumenteerde Chinezen. Noch is door verweerder gesteld noch is gebleken dat in 2008 LP’s zijn verstrekt door de Chinese autoriteiten aan ongedocumenteerde Chinezen. Verder is niet gebleken dat de vreemdelinge identiteitsdocumenten heeft gehad, terwijl zij gemotiveerd heeft gesteld dat zij nooit dergelijke documenten heeft gehad. Dit is niet door verweerder betwist. Gezien het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.

5. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring van de vreemdelinge van meet af aan onrechtmatig was. Het beroep is derhalve gegrond en de maatregel dient te worden opgeheven met ingang van heden.

6. De rechtbank acht voldoende gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 25 dagen onrechtmatige bewaring ten bedrage van € 1875,- (te weten 5 x € 95,- voor 5 dagen bewaring in een politiecel en

20 x € 70,- voor 20 dagen bewaring in een huis van bewaring).

De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door de vreemdelinge gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,--

(1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,-- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van de vreemdelinge een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III. BESLISSING

De rechtbank ’s-Gravenhage:

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van heden;

3. wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan de vreemdelinge een schadevergoeding toe, groot € 1875,- ten laste van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie), te betalen door de griffier van de rechtbank;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. A.P. Pereira Horta en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.

RECHTSMIDDEL

Krachtens artikel 95 Vw 2000 staat tegen deze uitspraak voor partijen hoger beroep open.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).