Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BE9230

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-08-2008
Datum publicatie
03-09-2008
Zaaknummer
AWB 07/8358 WAV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wav-boete; De vreemdeling, een scholier, zou niet via uitzendbureau zijn tewerkgesteld maar rechtstreeks bij de eigenaar van het bedrijf in dienst zijn. Verklaringen bij boete rapport zouden onbetrouwbaar zijn; vreemdeling zou door personeelschef zijn geïnstrueerd. Niet voldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

derde afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 07/8358 WAV

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A.] B.V., gevestigd te 's-Gravenhage, eiseres,

en

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

I. Ontstaan en loop van het geding

1. Bij besluit van 1 november 2006 heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 9.500,-.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 16 november 2006 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Bij besluit van 21 september 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

2. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 2 november 2007 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 21 december 2007 een verweerschrift ingediend.

3. De zaak is op 25 juni 2008 ter zitting behandeld.

Eiseres is niet verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [...]

II. Motivering

1. Verweerder heeft eiseres wegens een op 25 maart 2006 door de Arbeidsinspectie geconstateerde overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) een boete opgelegd van € 8.000,-. Daarnaast heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 1.500,- wegens overtreding van artikel 15, eerste lid, van de Wav. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de overtredingen aan eiseres zijn toe te rekenen en dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan de boetes moeten worden gematigd.

2. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte op de verklaringen van de vreemdeling en de personeelschef van [M.] is afgegaan. De vreemdeling was geïnstrueerd door de personeelschef van [M.] met de bedoeling zo de schuld bij eiseres te leggen. Verweerder is op de onwaarschijnlijkheden in deze verklaringen niet ingegaan. De vreemdeling heeft later zijn verklaring herzien en de gang van zaken uitgebreid uiteengezet. De vreemdeling heeft geen enkele band met eiseres, is nooit bij eiseres in dienst geweest en is niet via eiseres te werk gesteld. Eiseres kan niet als feitelijk of formeel werkgever worden aangemerkt. De vreemdeling mocht enkel als vriend van een zoon van de bestuurder van eiseres kosteloos meereizen met de medewerkers van eiseres omdat er genoeg ruimte in het voertuig was.

3. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, sub 1, van de Wav wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder werkgever verstaan: degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge art. 15, eerste lid, van de Wav draagt de werkgever die door een vreemdeling arbeid laat verrichten bij een andere werkgever er bij de aanvang van de arbeid door de vreemdeling onverwijld zorg voor dat de werkgever bij wie de arbeid feitelijk wordt verricht een afschrift van het document, bedoeld in art. 1, eerste lid, onder 1°-3° van de Wet op de identificatieplicht, van de vreemdeling ontvangt.

Ingevolge artikel 18 van de Wav wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, en 15 van de Wav aangemerkt als een beboetbaar feit.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, van de Wav legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

Volgens de Beleidsregels boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen (Beleidsregels), zoals deze ten tijde van belang luidden, wordt bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wet arbeid vreemdelingen (Tarieflijst) die als bijlage bij deze beleidsregels is gevoegd. In de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav gesteld op € 8.000,--. Het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 15, eerste lid, van de Wav is gesteld op

€ 1.500,--.

4. Verweerder heeft bij het opleggen van een boete ingevolge artikel 19a, eerste lid, van de Wav een discretionaire bevoegdheid. De rechtbank toetst in het licht van de door eiseres aangevoerde gronden of verweerder bij de uitoefening van die bevoegdheid na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met het recht. Nu de onderhavige bestuurlijke boete is aan te merken als een punitieve sanctie, brengt artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden mee dat de rechtbank vol dient te toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en verwijtbaarheid van de overtreding.

5. Blijkens het op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte opgemaakte boeterapport van 20 juni 2006 zijn op 25 maart 2006 in de kas van [M.] B.V. zestien personen aangetroffen die arbeid verrichtten, bestaande uit het knippen en in een sorteermachine hangen van rozen.

Van deze personen bleek er een, de vreemdeling [vreemdeling], niet te beschikken over een door de Wav vereiste tewerkstellingsvergunning.

Ten overstaan van de inspecteurs verklaarde de vreemdeling via uitzendbureau [A.] bij [M.] te werken. De eigenaar van het uitzendbureau is een kennis die de vreemdeling alleen naar zijn Turks paspoort heeft gevraagd. Met de bus van het uitzendbureau rijdt de vreemdeling naar het werk. De vreemdeling zou twee á drie dagen op proef komen werken. Hij had nog niet gehoord hoeveel hij zou gaan verdienen en had nog geen geld ontvangen.

Namens [M.] B.V. heeft de eigenaar, C.J.J.M. [M.], verklaard enkele vaste medewerkers in dienst te hebben en overigens gebruik te maken van uitzendbureaus. Ook maakt hij gebruik van scholieren die soms direct bij hem in dienst zijn en soms, zoals in het geval van de aangetroffen vreemdeling, via een uitzendbureau. Volgens de eigenaar van [M.] is het niet logisch dat scholieren die direct bij hem in dienst zijn uit de bus van het uitzendbureau stappen. Alle identiteitsdocumenten van de medewerkers worden door iemand in de onderneming gescand in de computer van de onderneming. De controle vindt altijd voor aanvang van de werkzaamheden plaats.

De aangetroffen vreemdeling is via uitzendbureau [A.] bij zijn onderneming terecht gekomen. Jonge medewerkers komen, gezien het verloop, eerst een dag meewerken en wanneer ze dan de volgende dag weer komen, wordt er naar het identiteitsdocument gevraagd. De aangetroffen vreemdeling had al eerder een dag gewerkt en toen is niet naar het identiteitsdocument gevraagd. Dat zou op 25 maart 2006 wel gebeurd zijn ware het niet dat de eigenaar van [M.] zelf in het buitenland was.

Namens eiseres heeft de bestuurder, C. [A.], verklaard dat hij er niet van op de hoogte was dat de aangetroffen vreemdeling, die een vriend is van zijn zoon [D.], bij [M.] werkte. Hij vermoedt dat de eigenaar van [M.] aan [D.] heeft gevraagd of die nog scholieren kende die bij hem konden komen werken of dat [D.], die zelf bij [M.] werkte, heeft gevraagd of een vriend van hem ook kon komen werken. [D.] heeft de vreemdeling wegwijs gemaakt in de onderneming.

Afgezien van [D.] laat eiseres geen scholieren en studenten voor zich werken. Eiseres hanteert een vast uurtarief van € 17,- per uur. Een scholier is aanzienlijk goedkoper wanneer een opdrachtgever die direct in dienst neemt in plaats van via eiseres.

In de zienswijze heeft eiseres verklaard dat de vreemdeling weliswaar bij het bedrijf staat aangemeld als werkzoekende, maar dat hem geen arbeid is aangeboden omdat hij geen tewerkstellingsvergunning bezit.

Bij de zienswijze en in bezwaar zijn verklaringen van de vreemdeling overgelegd, waarin onder meer wordt gesteld dat de vreemdeling door de personeelschef van [M.] is geïnstrueerd over wat hij ten overstaan van de inspecteurs zou moeten verklaren.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat [vreemdeling] vreemdeling is in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 en dat het de vreemdeling niet was toegestaan arbeid te verrichten nu daarvoor geen tewerkstellingsvergunning was verstrekt.

7. Lettende op de hiervoor weergegeven ruime definitie van het begrip werkgever, heeft verweerder zich op basis van de uit voormeld boeterapport en de daarbij behorende bijlagen blijkende feiten en omstandigheden terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling ten dienste van eiseres arbeid heeft verricht, zodat zij als werkgever in de zin van de Wav is aan te merken. De stelling van eiseres dat zij niet als werkgever kan worden aangemerkt faalt, nu de vreemdeling als werkzoekende bij eiseres stond ingeschreven, meereisde in het busje van eiseres en werd ingewerkt door de zoon van de eigenaar van eiseres. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat verweerder zich niet zou mogen baseren op de op ambtseed opgemaakte rapporten van verklaringen van de personeelschef van [M.] en van de betrokken vreemdeling zelf die bij het boeterapport zijn gevoegd. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de onderzoeksplicht. De door eiseres overgelegde verklaring van 21 november 2006 van de vreemdeling, waarin deze zijn eerdere verklaring herziet, maakt dat niet anders. Eiseres heeft haar stelling dat de bij het boeterapport gevoegde verklaringen gemanipuleerd en ongeloofwaardig zijn overigens niet onderbouwd en onvoldoende aannemelijk gemaakt. Aan de tweede verklaring van de vreemdeling wordt daarom niet de waarde gehecht die eiseres daaraan toegekend wenst te zien en de rechtbank gaat uit van de verklaringen, gevoegd bij voormeld ambtsedig boeterapport.

Niet in geschil is voorts dat eiseres geen afschrift van het identiteitsdocument van de vreemdeling heeft verstrekt aan de werkgever bij wie de arbeid feitelijk werd verricht. Gelet op de ten aanzien van de verificatie- en administratieplicht met artikel 15 van de Wav beoogde doelstelling dat alle werkgevers in een keten daarvoor afzonderlijk de verantwoordelijkheid dragen, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres als werkgever in het kader van de Wav kan worden verweten op dit punt in gebreke te zijn gebleven.

Dit betekent dat de rechtbank het er voor houdt dat de vreemdeling ten dienste van eiseres arbeid heeft verricht zonder dat eiseres beschikte over een tewerkstellingsvergunning voor deze vreemdeling, en tevens dat eiseres, door er bij aanvang van de arbeid door de vreemdeling niet voor te zorgen dat de andere werkgever een afschrift van het document, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1°-3° van de Wet op de identificatieplicht, van de vreemdeling ontving, artikel 15, eerste lid, van de Wav heeft overtreden.

8. De conclusie is dat verweerder op goede gronden heeft vastgesteld dat eiseres heeft gehandeld in strijd met de hiervoor genoemde artikelen. Verweerder was derhalve bevoegd een boete op te leggen. Voorts mocht verweerder de overtredingen aan eiseres toerekenen.

Geoordeeld wordt dat verweerder aldus in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot het opleggen van de boete. De rechtbank is van oordeel dat in hetgeen eiseres overigens naar voren heeft gebracht geen zodanig bijzondere omstandigheden zijn gelegen dat verweerder op grond daarvan het boetebedrag had moeten matigen. De rechtbank acht de opgelegde boete evenredig in verhouding tot de ernst en verwijtbaarheid van de overtreding.

9. Gezien het vorenstaande is het beroep ongegrond. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.W.H.B. Sentrop en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2008, in tegenwoordigheid van de griffier C.A.Y. Morison-Libourel.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State