Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BE8990

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-08-2008
Datum publicatie
22-08-2008
Zaaknummer
09/614502-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte reed op een regenachtige dag een kruispunt op waar hij dagelijks reed. Hij verleende geen voorrang aan een fietser welke daardoor tegen zijn auto reed en ten val kwam. Het ongeval heeft bij het slachtoffer tot pijn en letsel geleid.

Blijkens het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister blijkt dat verdachte één keer eerder met justitie in aanraking is geweest, en wel voor een verkeersfeit. In het voordeel van verdachte neemt de rechtbank mee dat de verdachte na het ongeval zorgvuldig gehandeld heeft. Hij heeft direct 112 gebeld, zich om het slachtoffer bekommerd en hij heeft het slachtoffer later in het ziekenhuis bezocht. Tot slot heeft de rechtbank acht geslagen op de opmerking van de raadsman dat de verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk. Gelet op de vrijspraak voor het primair ten laste gelegde, de ernst van het bewezenverklaarde en het feit dat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk, zal de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde werkstraf matigen en de ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen in voorwaardelijke vorm opleggen. Werkstraf van 30 uren; ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/614502-07

's-Gravenhage, 21 augustus 2008

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1980,

adres: [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 7 augustus 2008.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. L.P.A. Zwijnenberg, advocaat te 's Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. Kramer heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem onder primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 juni 2007 te Den Hoorn, gemeente Midden-Delfland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto),

daarmede rijdende over de weg, de Harnaskade zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen:

- hij heeft gereden terwijl aan de binnenspiegel van zijn auto enkele onnodige voorwerpen waren aangebracht welke het uitzicht door de voorruit van zijn auto belemmerde en/of

- hij heeft, ter plaatse waar voor een kruisende weg, te weten de voor het verkeer openstaande weg, de Woudseweg, een bord B 6 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst - aanduidende: verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg - geen gevolg gegeven aan dat verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt en/of

- hij heeft, ter plaatse waar voor een kruisende weg, te weten de voor het verkeer openstaande weg, de Woudseweg, een bord J 24 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst - aanduidende: waarschuwing: Fietsers en bromfietsers - en/of een onderbord, aanduidende dat deze fietsers en/of bromfietsers van zowel links als rechts kunnen komen, geen of onvoldoende aandacht gehad voor dat/die verkeersteken(s) en/of

(vervolgens) is hij tegen een hem op die Woudseweg kruisende fietser gebotst, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een (linker)scheenbeenbreuk, doorlopend tot in het kniegewricht, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 juni 2007 te Den Hoorn, gemeente Midden-Delfland, als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de weg, de Harnaskade, als volgt heeft gehandeld:

- hij heeft gereden terwijl aan de binnenspiegel van zijn auto enkele onnodige voorwerpen waren aangebracht welke het uitzicht door de voorruit van zijn auto belemmerde en/of

- hij heeft, ter plaatse waar voor een kruisende weg, te weten de voor het verkeer openstaande weg, de Woudseweg, een bord B 6 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst - aanduidende: verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg - geen gevolg gegeven aan dat verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt en/of

- hij heeft, ter plaatse waar voor een kruisende weg, te weten de voor het verkeer openstaande weg, de Woudseweg, een bord J 24 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst - aanduidende: waarschuwing: Fietsers en bromfietsers - en/of een onderbord, aanduidende dat deze fietsers en/of bromfietsers van zowel links als rechts kunnen komen, geen of onvoldoende aandacht gehad voor dat/die verkeersteken(s) en/of

(vervolgens) is hij tegen een hem op die Woudseweg kruisende fietser gebotst, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) lichamelijk letsel, te weten een (linker)scheenbeenbreuk, doorlopend tot in het kniegewricht, werd toegebracht, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

De raadsman heeft betoogd dat de voorwerpen, die aan de binnenspiegel hingen van het voertuig waarmee verdachte reed, het zicht niet belemmerden. Verder heeft hij aangevoerd dat, indien de rechtbank de mening zou zijn toegedaan dat dit wel het geval is geweest, het ongeval ook zou hebben plaats gevonden wanneer deze voorwerpen er niet gehangen zouden hebben.

Dit verweer slaagt.

De rechtbank is van oordeel dat uit (de foto's in) het dossier niet kan blijken dat de voorwerpen die aan de binnenspiegel hingen van invloed zijn geweest op het zicht dat de verdachte op de fietser heeft gehad. Daaruit valt wel af te leiden dat verdachte bij het naderen van de kruising zijn snelheid heeft geminderd en naar links en rechts heeft gekeken, waarbij verdachte het slachtoffer kennelijk over het hoofd heeft gezien. Verdachte heeft daarover ter terechtzitting verklaard dat het zicht op het slachtoffer mogelijk werd belemmerd door de zogenaamde A-stijl. De rechtbank sluit die mogelijkheid, mede gelet op de foto's in het dossier, niet uit.

De rechtbank sluit evenmin uit dat, hoewel daaromtrent niets kon worden vastgesteld bij de analyse van het verkeersongeval, met name de weersomstandigheden - ten tijde van het ten laste gelegde regende het hevig - hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Verdachte had de fietser ook onder de gegeven omstandigheden echter wel kunnen en moeten zien, voordat hij optrok en de kruising op reed. Hem kan dan ook worden verweten dat hij niet die oplettendheid en voorzichtigheid heeft betracht die redelijkerwijs van een automobilist onder voornoemde omstandigheden mag worden gevergd. Dit maakt echter nog niet dat sprake is van aanmerkelijke schuld als bedoeld in art. 6 WVW 1994.

Het ongeval is naar het oordeel van de rechtbank veeleer te wijten aan een ongelukkige samenloop van omstandigheden.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank niet bewezen acht dat de verdachte zich, zoals ten laste is gelegd, 'roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend' heeft gedragen.

De rechtbank spreekt de verdachte dan ook vrij van het primair ten laste gelegde feit.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 juni 2007 te Den Hoorn, gemeente Midden-Delfland, als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de weg, de Harnaskade, als volgt heeft gehandeld:

- hij heeft gereden terwijl aan de binnenspiegel van zijn auto enkele onnodige voorwerpen waren aangebracht welke het uitzicht door de voorruit van zijn auto belemmerde en/of

- hij heeft, ter plaatse waar voor een kruisende weg, te weten de voor het verkeer openstaande weg, de Woudseweg, een bord B 6 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst - aanduidende: verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg - geen gevolg gegeven aan dat verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt en/of

- hij heeft, ter plaatse waar voor een kruisende weg, te weten de voor het verkeer openstaande weg, de Woudseweg, een bord J 24 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst - aanduidende: waarschuwing: Fietsers en bromfietsers - en/of een onderbord, aanduidende dat deze fietsers en/of bromfietsers van zowel links als rechts kunnen komen, geen of onvoldoende aandacht gehad voor dat/die verkeersteken(s) en/of

(vervolgens) is hij tegen een hem op die Woudseweg kruisende fietser gebotst, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) lichamelijk letsel, te weten een (linker)scheenbeenbreuk, doorlopend tot in het kniegewricht, werd toegebracht, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte reed op een regenachtige dag een kruispunt op waar hij dagelijks reed. Hij verleende geen voorrang aan een fietser welke daardoor tegen zijn auto reed en ten val kwam. Het ongeval heeft bij het slachtoffer tot pijn en letsel geleid.

Blijkens het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 18 december 2007, betreffende verdachte, blijkt dat verdachte één keer eerder met justitie in aanraking is geweest, en wel voor een verkeersfeit.

In het voordeel van verdachte neemt de rechtbank mee dat de verdachte na het ongeval zorgvuldig gehandeld heeft. Hij heeft direct 112 gebeld, zich om het slachtoffer bekommerd en hij heeft het slachtoffer later in het ziekenhuis bezocht. Tot slot heeft de rechtbank acht geslagen op de opmerking van de raadsman dat de verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk.

Gelet op de vrijspraak voor het primair ten laste gelegde, de ernst van het bewezenverklaarde en het feit dat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk, zal de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde werkstraf matigen en de ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen in voorwaardelijke vorm opleggen.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht;

- 5, 177, 179 van de Wegenverkeerswet 1994;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 30 (DERTIG) uren;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 15 dagen;

veroordeelt verdachte voorts tot:

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van

3 (DRIE) maanden;

bepaalt dat deze bijkomende straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. De Ruiter, voorzitter,

Brand en Meessen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Lohuis, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 augustus 2008.