Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BE8956

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-08-2008
Datum publicatie
21-08-2008
Zaaknummer
AWB 08/28741
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / China / zicht op uitzetting / uitspraken van de Afdeling

De omstandigheid dat de Chinese autoriteiten vanaf april 2007 ook aan (deels) gedocumenteerde Chinese vreemdelingen geen laissez passers meer hebben afgegeven logenstraft de veronderstelling die ten grondslag ligt van de betreffende overwegingen van de Afdeling, inhoudende dat ingeval de Chinese vreemdeling de juiste documenten of gegevens omtrent zijn identiteit verschaft, de Chinese autoriteiten zullen overgaan tot het verstrekken van een reisdocument. Uit de betreffende overwegingen van de Afdeling kan niet worden afgeleid hoe een en ander met elkaar te rijmen is. Tegen de achtergrond van het gegeven dat ook aan (deels) gedocumenteerde Chinese vreemdelingen geen laissez passers meer worden verstrekt is het al dan niet meewerken aan de verkrijging van juiste documenten of juiste gegevens omtrent de eigen identiteit niet relevant.

Op dit moment bestaat geen enkel aanknopingspunt dat tot concrete afspraken is gekomen met de Chinese autoriteiten en dat binnen afzienbare tijd de verstrekking van laissez passers (aan gedocumenteerden dan wel ongedocumenteerden) zal worden hervat. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesproken van een reëel zicht op uitzetting. De enkele verwachting van de staatssecretaris aangaande een veranderde houding bij de Chinese autoriteiten, waarvan melding wordt gemaakt in de uitspraken van de Afdeling, acht de rechtbank onvoldoende voor een ander oordeel. Slechts indien de verstrekking van laissez passers daadwerkelijk wordt hervat dan wel door de Chinese autoriteiten de concrete toezegging is gedaan dat binnen afzienbare tijd daartoe zal worden overgegaan, bestaat alsdan weer een reëel zicht op uitzetting binnen redelijke termijn. [..] De rechtbank neemt verder in aanmerking dat de genoemde uitspraken van de Afdeling zonder voorafgaande behandeling ter zitting zijn gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/28741

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2008

inzake

[eiser],

geboren op [1978],

nationaliteit Chinese,

verblijvende te Dordrecht in de penitentiaire inrichting (detentieboot),

eiser,

gemachtigde mr. M.M. van Daalhuizen,

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. S.H.M. Maas.

Procesverloop

Op 15 juli 2008 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld.

Bij kennisgeving ex artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van 11 augustus 2008, diezelfde datum ontvangen ter griffie van de rechtbank, heeft verweerder bericht dat eiser in bewaring verblijft zonder beroep te hebben ingesteld tegen de inbewaringstelling.

De zaak is behandeld op de zitting van 18 augustus 2008, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. S.C. van Paridon, waarnemend voor zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank beoordeelt thans of de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in overeenstemming is met de wet en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is.

2. Namens eiser is – kort weergegeven – aangevoerd dat een reëel zicht op uitzetting ontbreekt.

3. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting van de rechtbank allereerst gewezen op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 juni 2008 (200803754/1), van 1 juli 2008 (200803837/1), van 7 juli 2008 (200803334/1) en 28 juli 2008 (200804914/1) en van 6 augustus 2008 (200805059/1). Voorts heeft verweerder erop gewezen dat eiser zelf inspanningen moet verrichten om aan documenten te komen om zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk te maken. Tenslotte heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat er op dit moment overleg op diplomatiek en politiek niveau plaatsvindt.

4. De rechtbank constateert allereerst dat de gronden van de bewaring niet zijn betwist en dat thans ter beoordeling voorligt of sprake is van zicht op uitzetting.

5. Voor zover voor de onderhavige zaak van belang, is uit de genoemde uitspraken af te leiden dat de Afdeling zich op het standpunt stelt dat het gegeven dat de Chinese autoriteiten na april 2007 geen laissez passers hebben verstrekt aan ongedocumenteerde en (deels) gedocumenteerde Chinese vreemdelingen niet van doorslaggevend belang is als het gaat om de vraag of zicht op uitzetting bestaat, nu op de vreemdeling de rechtsplicht rust Nederland te verlaten. Van de vreemdeling kan worden gevergd dat hij actieve en volledige medewerking verleent aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen en dat hij ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verricht om dergelijke gegevens te verkrijgen alsmede dat de vreemdeling aannemelijk maakt dat in zijn geval sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat hij niet in staat kan worden geacht gegevens als vorenbedoeld te verschaffen. Aangevoerde omstandigheden als de omstandigheid dat veel Chinezen niet beschikken over een paspoort, identiteitskaart of hukou-registratie of mogelijke schrapping uit het hukou-register zijn, in het geval van de genoemde uitspraken, niet aan te merken als omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat de vreemdeling niet in staat is de benodigde gegevens te verschaffen.

6. De rechtbank overweegt dienaangaande dat het uitgangspunt van de verplichting tot medewerking berust op een veronderstelling welke in beginsel als plausibel kan worden aanvaard. De juistheid van de veronderstelling wordt echter aangetast, indien enig bewijs daarvoor in de praktijk uitblijft. Daarvan is thans sprake. Niet alleen ontbreekt enig statistisch bewijs doordat verweerder niet kan wijzen op na april 2007 daadwerkelijk afgegeven reisdocumenten aan ongedocumenteerde en (deels) gedocumenteerde Chinese vreemdelingen. Evenzeer ontbreekt iedere concrete informatie over de reden waarom er in de bedoelde periode geen reisdocumenten zijn verstrekt. Wat zich hier wreekt is het ontbreken van een vorm van terugkoppeling tussen de Chinese autoriteiten en verweerders Dienst Terugkeer en Vertrek over de reden voor het niet verstrekken van de bedoelde reisdocumenten of voor het uitblijven van onderzoeksresultaten. Daardoor is tot nu toe niet bekend welke cruciale informatie bij de indiening van de aanvraag kennelijk heeft ontbroken. Hetzelfde geldt voor de invloed op het onderzoek van de houding en het gedrag van betrokken Chinese vreemdeling. Tegen die achtergrond en gegeven het feit dat thans reeds sinds zeer lange tijd geen reisdocumenten meer zijn verstrekt aan ongedocumenteerde en (deels) gedocumenteerde Chinese vreemdelingen, acht de rechtbank verweerders standpunt niet langer houdbaar.

7. De omstandigheid dat de Chinese autoriteiten vanaf april 2007 ook aan (deels) gedocumenteerde Chinese vreemdelingen geen laissez passers meer hebben afgegeven logenstraft de veronderstelling die ten grondslag ligt van de betreffende overwegingen van de Afdeling, inhoudende dat ingeval de Chinese vreemdeling de juiste documenten of gegevens omtrent zijn identiteit verschaft, de Chinese autoriteiten zullen overgaan tot het verstrekken van een reisdocument. Uit de betreffende overwegingen van de Afdeling kan niet worden afgeleid hoe een en ander met elkaar te rijmen is. Tegen de achtergrond van het gegeven dat ook aan (deels) gedocumenteerde Chinese vreemdelingen geen laissez passers meer worden verstrekt is het al dan niet meewerken aan de verkrijging van juiste documenten of juiste gegevens omtrent de eigen identiteit niet relevant.

8. Uit de door verweerder genoemde uitspraken leidt de rechtbank voorts af dat de Afdeling doorslaggevend acht dat thans op diplomatiek en politiek niveau overleg met de Chinese autoriteiten plaatsvindt, welk overleg zou moeten leiden tot verbetering in de afhandeling van verzoeken om afgifte van een vervangend reisdocument. De rechtbank merkt daarover op dat, niettegenstaande de inspanningen die verweerder ook blijkens de genoemde Afdelingsuitspraken heeft verricht, er over dit overleg niets inhoudelijks bekend is en dat het overleg nog geen concreet resultaat heeft opgeleverd. De omstandigheid dat de Nederlandse minister-president op 6 augustus 2008 tijdens de Olympische Spelen in Beijing over deze aangelegenheid nog contact heeft gehad met de Chinese autoriteiten verandert daar niets aan. Op dit moment bestaat geen enkel aanknopingspunt dat tot concrete afspraken is gekomen met de Chinese autoriteiten en dat binnen afzienbare tijd de verstrekking van laissez passers (aan gedocumenteerden dan wel ongedocumenteerden) zal worden hervat. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesproken van een reëel zicht op uitzetting. De enkele verwachting van de staatssecretaris aangaande een veranderde houding bij de Chinese autoriteiten, waarvan melding wordt gemaakt in de uitspraken van de Afdeling, acht de rechtbank onvoldoende voor een ander oordeel. Slechts indien de verstrekking van laissez passers daadwerkelijk wordt hervat dan wel door de Chinese autoriteiten de concrete toezegging is gedaan dat binnen afzienbare tijd daartoe zal worden overgegaan, bestaat alsdan weer een reëel zicht op uitzetting binnen redelijke termijn.

9. De rechtbank weet zich in dit oordeel gesteund door de uitvoerig gemotiveerde uitspraken van de rechtbank, meervoudige kamer nevenzittingsplaats Maastricht van 30 juli 2008, nevenzittingsplaats Zwolle van 5 augustus 2008 en meervoudige kamer nevenzittingsplaats Dordrecht van 11 augustus 2008, waarin tot dezelfde conclusie is gekomen. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat de genoemde uitspraken van de Afdeling zonder voorafgaande behandeling ter zitting zijn gedaan. Tenslotte heeft verweerder ter zitting meegedeeld dat tegen de genoemde uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank, nevenzittingsplaats Maastricht, van 30 juli 2008 hoger beroep is ingesteld. De rechtbank gaat ervan uit dat de Afdeling in de uitspraak op dat hoger beroep uitgebreider zal ingaan op de punten waar de rechtbank in verschillende nevenzittingsplaatsen ondanks de tot nu toe andersluidende uitspraken van de Afdeling tegenaan blijft lopen.

10. Gelet op het voorafgaande moet de bewaring van aanvang af onrechtmatig worden geacht en dient het beroep gegrond te worden verklaard.

11. Op grond van het bepaalde in artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van een maatregel tot vrijheidsontneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreedeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 90 en 93 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

12. Uitgangspunt bij de vaststelling van de schadevergoeding vormt de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak betreffende de vergoeding van immateriële schade bij inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, die uitgaat van een schadevergoeding van € 95,00 voor elke dag die in een politiecel is doorgebracht en van € 70,00 voor elke dag die in een huis van bewaring is doorgebracht.

13. Nu de bewaring blijkens het voorgaande van aanvang af onrechtmatig is, acht de rechtbank gronden van billijkheid aanwezig om eiser schadevergoeding toe te kennen.

14. Overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank de dag waarop de bewaring is geëindigd, te weten 19 augustus 2008, buiten beschouwing laten bij de vaststelling van de schadevergoeding, zodat eiser over de periode van 15 juli 2008 tot en met 18 augustus 2008 schadevergoeding toekomt. In totaal bedraagt de schadevergoeding 2 x € 95,00 en 33 x € 70,00 is € 2.500,00.

15. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

16. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gericht tegen de bewaring gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming ex artikel 59 van de Vw 2000 van eiser met ingang van 19 augustus 2008;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe, ten laste van de Staat der Nederlanden, ten bedrage van € 2.500,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. A.B.M. Hent als rechter in tegenwoordigheid van P. Bijen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2008.

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 2.500,00 (ZEGGE: TWEEDUIZENDVIJFHONDERD EURO)

Aldus gedaan op 19 augustus 2008 door mr. A.B.M. Hent.