Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BE8772

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-02-2008
Datum publicatie
19-08-2008
Zaaknummer
AWB 06/5707 RWNL
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2008:BG1880
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser wenst geen afstand te doen van de Joegoslavische nationaliteit. Verzoek tot naturalisatie is in 1998 ingediend. Eiser heeft gesteld dat de procedure inmiddels al meer dan acht jaar heeft geduurd en dat de redelijke termijn ruimschoots voorbij is, hetgeen grond is voor vernietiging van het bestreden besluit.

De rechtbank overweegt dat de periode van een jaar genoemd in het vierde lid van artikel 9 van de RWN een termijn van orde betreft. Uit deze wettelijke bepaling noch enige andere bepaling kan worden afgeleid dat verweerder na het verstrijken van deze termijn gehouden was een positieve beslissing te nemen op het verzoek tot naturalisatie. Dat geldt temeer nu eiser op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb een rechtsmiddel had kunnen instellen tegen het uitblijven van een beslissing.

Dit leidt tot de conclusie dat verweerder de afwijzing van het verzoek om naturalisatie terecht heeft gehandhaafd. Beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

derde afdeling, meervoudige kamer

Reg. nr. AWB 06/5707 RWNL

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats],

en

de Minister van Justitie, voorheen de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder.

I Ontstaan en loop van het geding

Eiser, geboren in Joegoslavië, heeft op 11 maart 1998 een verzoek tot naturalisatie ingediend. Bij besluit van 8 november 2005 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 24 mei 2006 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 3 juli 2006, ingekomen bij de rechtbank op 5 juli 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 23 januari 2008 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. G.E.M. Later, advocaat te ‘s-Gravenhage. Tevens is verschenen [de heer A.]

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [mr. ...]

II Motivering

Feiten

1.1. Eiser heeft bij de indiening van zijn verzoek tot naturalisatie aangegeven dat hij de Joegoslavische nationaliteit wenst te behouden en dat hij derhalve niet bereid is om afstand te doen van zijn huidige nationaliteit na de totstandkoming van de naturalisatie. Eiser heeft een beroep gedaan op een uitzondering op de afstandsverplichting. Eiser heeft verklaard dat hij een landhuis en grond in Servië bezit en dat hij in de toekomst bezittingen zal erven. Eiser heeft gesteld dat hij, indien hij afstand doet van de Joegoslavische nationaliteit, dit (toekomstig) bezit kwijt zal raken en dus een substantieel financieel nadeel zal lijden.

1.2. Verweerder heeft gesteld dat eiser niet aan de hand van gelegaliseerde en vertaalde documenten van de autoriteiten van zijn land van herkomst met daarbij de betreffende wettelijke bepalingen, heeft aangetoond dat hij door afstand van zijn Joegoslavische nationaliteit te doen, zijn rechten op het huis, de grond en erfenis zou verliezen. Evenmin heeft eiser volgens verweerder met originele, officiële en gelegaliseerde documenten aangetoond welke (vermogens)rechten en eigendommen hij in Servië heeft en wat de financiële waarde daarvan is. Tevens heeft eiser niet aan de hand van de betreffende wettelijke bepalingen dan wel originele gelegaliseerde verklaringen van de autoriteiten van zijn land van herkomst aangetoond dat de rechten of eigendommen niet vóór het doen van afstand te gelde kunnen worden gemaakt.

Juridisch kader

2.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) wordt aan een vreemdeling die daarom verzoekt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van de RWN, het Nederlanderschap verleend.

2.2. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN wordt een verzoek van een vreemdeling die voldoet aan de bepalingen van de beide voorgaande artikelen niettemin afgewezen, indien de verzoeker die een andere nationaliteit bezit, niet het mogelijke heeft gedaan om die nationaliteit te verliezen, dan wel niet bereid is het mogelijke te zullen

doen om, na de totstandkoming van de naturalisatie, die nationaliteit te verliezen, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden verlangd.

2.3. Ingevolge artikel 9, vierde lid, van de RWN wordt op het verzoek beslist binnen één jaar na de betaling van het verschuldigde recht, bedoeld in artikel 13 of na de beslissing tot algehele ontheffing van die betaling, dan wel na de ontvangst van de gevraagde aanvulling van het verzoek, noodzakelijk voor de beoordeling daarvan. De beslissing kan ten hoogste tweemaal zes maanden worden aangehouden.

2.4. Bij de toepassing van de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN genoemde maatstaf, hanteert verweerder richtlijnen, die ten tijde van het verzoek tot naturalisatie waren neergelegd in de Circulaire Wijziging beleid inzake afstand doen van oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander (kenmerk 631150/97/6) en inmiddels zijn weergegeven in de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Met ingang van 1 oktober 1997 dient een verzoeker om naturalisatie in beginsel aan te geven of hij bereid is afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. De afstandsverplichting geldt niet indien de verzoeker onder één van de met name genoemde uitzonderingscategorieën valt. De afstandsverplichting geldt onder meer niet als verzoeker aantoont, dat hij door het doen van afstand zodanige vermogensrechtelijke rechten, waaronder erfrechtelijke aanspraken, die hij op het moment van het verzoek in het land van oorsprong bezit, zal verliezen dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden.

Beoordeling

3.1. De rechtbank dient in dit geding de vraag te beantwoorden of verweerder redelijkerwijs van eiser heeft kunnen verlangen dat hij afstand doet van zijn nationaliteit.

3.2. Een verzoeker tot naturalisatie die een beroep doet op de betreffende uitzonderingscategorie, zal volgens het beleid bij zijn verzoek om naturalisatie aan de hand van gelegaliseerde documenten van de autoriteiten van het land van herkomst onder meer moeten aantonen, dat hij door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten zal verliezen.

Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij vanwege gewijzigde wetgeving in het land van herkomst niet langer door het doen van afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit zijn rechten op het huis en de grond zal kwijtraken.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser op geen enkel moment met stukken of anderszins aannemelijk heeft gemaakt dat het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit tot gevolg heeft dat hij de eigendom van onroerende zaken of erfrechtelijke aanspraken zal verliezen.

3.3. Eiser heeft een beroep gedaan op bijzondere omstandigheden. Eiser heeft gesteld dat het bestreden besluit in dit geval leidt tot nadelige gevolgen voor hem en zijn partner die onevenredig zijn in verhouding met de door het beleid te dienen doelen. Eiser heeft gewezen op de gezondheid van hem en zijn partner, op het feit dat hij alleen met de Servische nationaliteit grond in Servië kan kopen alsmede op de omstandigheid dat hij zonder Nederlandse nationaliteit niet onbelemmerd wetenschappelijke ontmoetingen in het buitenland kan hebben. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat dit geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan verweerder had moeten afwijken van zijn beleid.

3.4. Eiser heeft gesteld dat de procedure inmiddels al meer dan acht jaar heeft geduurd en dat de redelijke termijn ruimschoots voorbij is, hetgeen grond is voor vernietiging van het bestreden besluit.

De rechtbank overweegt dat de periode van een jaar genoemd in het vierde lid van artikel 9 van de RWN een termijn van orde betreft (zie ABRS 5 november 1998, LJN AP6307). Uit deze wettelijke bepaling noch enige andere bepaling kan worden afgeleid dat verweerder na het verstrijken van deze termijn gehouden was een positieve beslissing te nemen op het verzoek tot naturalisatie. Dat geldt temeer nu eiser op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb een rechtsmiddel had kunnen instellen tegen het uitblijven van een beslissing.

3.5. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat verweerder de afwijzing van het verzoek om naturalisatie terecht heeft gehandhaafd. Hetgeen voor het overige door eiser is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

3.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. C.H.M. Royakkers, mr. C.C. Dedel-van Walbeek en mr. A.P. Pereira Horta en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2008, in tegenwoordigheid van de griffier K. de Haan.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: