Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BE8677

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-08-2008
Datum publicatie
20-08-2008
Zaaknummer
AWB 06/55633
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Asiel / Soedan / intrekking vergunning onbepaalde tijd / onjuiste gegevensverstrekking / taalanalyse / vertrouwensbeginsel / geen contra-expertise / verklaring Tira-stam

Eiser is bij beslissing van 22 oktober 2004 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd met ingang van 17 oktober 2004. Bij beslissing van 17 oktober 2006 heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht tot aan de datum van de eerstverleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken. Uit een dossieranalyse van Bureau Land en Taal is gebleken dat eiser met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet etnisch Nuba is en niet afkomstig is uit het Nuba-gebied. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder afdoende gemotiveerd wat de aanleiding is geweest voor nader onderzoek en bestond er voor verweerder voldoende aanleiding om verder onderzoek te doen naar de juistheid van de door eiser opgegeven nationaliteit. Uit het rapport van de taalanalyse van 25 mei 2005 blijkt dat er geen geloof meer wordt gehecht aan de verklaringen van eiser dat hij behoort tot de Nuba-bevolkingsgroep en dat hij afkomstig is uit het Nuba-gebergte. De rechtbank is van oordeel dat de bevindingen van de deskundig te achten taalanalist voldoende aanknopingspunten vormden om te twijfelen aan de gestelde stamafkomst van eiser, die de basis vormde voor het verlenen van zijn verblijfsvergunning. Het ligt vervolgens op de weg van eiser om feiten en omstandigheden aan te dragen om aan de resultaten van de taalanalyse voorbij te gaan. De door eiser overgelegde verklaringen van de algemene raad van de Tira-stam en een Affidavit hebben niet dezelfde bewijskracht als bijvoorbeeld een paspoort of een identiteitskaart en kunnen daarom niet dienen ter weerlegging van de conclusies van de taalanalyse. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat uit de gedingstukken blijkt dat er wel een contra-expertise is aangevraagd, deze ook is opgesteld door De Taalstudio, maar door eiser niet is overgelegd in de procedure. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 33
Vreemdelingenwet 2000 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/378
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

zittinghoudende te Utrecht

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 06/55633 BEPTDN

uitspraak van de meervoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken d.d. 4 augustus 2008

inzake

[eiser], geboren op [1976], van Soedanese nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. V. Senczuk, advocaat te Utrecht,

tegen een besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, voorheen de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. Ch.R. Vink, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

Inleiding

1.1 Op 17 oktober 2001 heeft eiser een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij beslissing van 12 februari 2002 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met ingang van 17 oktober 2001, geldig tot 17 oktober 2004. Op 10 augustus 2004 heeft eiser een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingediend. Bij beslissing van 22 oktober 2004 heeft verweerder eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd met ingang van 17 oktober 2004.

1.2 Bij beslissing van 17 oktober 2006 heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht tot aan de ingangsdatum van de eerstverleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken. Eiser heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.3 Het geding is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van 14 juni 2007, waar eiser in persoon is verschenen. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

1.4 Nadat het onderzoek ter zitting was gesloten, heeft de rechtbank onder toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) besloten het onderzoek te heropenen in verband met het bij brief van 6 februari 2007 overleggen van nadere stukken door eiser .

1.5 Bij brief van 20 juli 2007 heeft verweerder gereageerd op de door eiser overgelegde stukken.

1.6 Partijen hebben bij brieven van respectievelijk 7 april 2008 en 8 april 2008 toestemming verleend om uitspraak te doen zonder verdere behandeling ter zitting.

1.7 Bij brief van 11 juli 2008 heeft de rechtbank partijen bericht dat onderhavige beroepszaak, door omstandigheden die niet de zaak zelf betreffen, is overgedragen aan een andere rechter. Daarbij is eveneens aangegeven dat naar het oordeel van de meervoudige kamer van deze rechtbank op basis van het aanwezige dossier zonder nadere zitting tot een uitspraak kan worden gekomen. Tot slot is in genoemde brief vermeld dat, indien partijen niet binnen twee weken reageren, de rechtbank ervan uit gaat dat zij er mee instemmen dat in deze zaak uitspraak wordt gedaan zonder dat een nadere behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden.

1.8 Partijen hebben niet gereageerd op bovenvermelde brief. Heden heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2.1 In geschil is of verweerder op goede gronden de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht tot aan de ingangsdatum van de eerste verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingetrokken.

2.2 Verweerder heeft de bestreden beslissing, voor zover hier van belang en samengevat, doen steunen op de volgende overwegingen. Eiser heeft tijdens zijn asielprocedure verklaard dat hij de Soedanese nationaliteit bezit, behoort tot de Nuba-bevolkingsgroep en afkomstig is uit het Nuba-gebergte. Hij is aanvankelijk in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en deze is omgezet in een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Het Bureau Land en Taal (BLT) heeft op 14 januari 2005 een dossieranalyse verricht en daar de voorlopige conclusie aan verbonden dat eiser met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet etnisch Nuba is en niet afkomstig is uit het Nuba-gebied. Ondanks bezwaren van eisers zijde heeft hij op 30 maart 2005 zijn medewerking verleend aan een taalanalyse, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 25 mei 2005. Er wordt geen geloof meer gehecht aan de verklaringen van eiser dat hij behoort tot de Nuba bevolkingsgroep en dat hij afkomstig is uit het Nuba-gebergte. Geconcludeerd wordt derhalve dat eiser onjuiste gegevens over zijn afkomst heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl bekendheid met die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen of verlengen zou hebben geleid. Eiser wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat er geen concrete op de persoon van eiser betrekking hebbende omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan eiser is uitgenodigd voor een taalanalyse. Er is geen sprake van schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Er is geen sprake van schending van artikel 5:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. De door BLT opgesteld taalanalyse is op zorgvuldige en deskundige wijze tot stand gekomen. De vreemdeling kan niet enkel door het plaatsen van kritische kanttekeningen bij de uitgevoerde taalanalyse teweegbrengen dat verweerder een nieuwe taalanalyse moet verrichten, dan wel dat van een van de taalanalyse afwijkende conclusie dient te worden uitgegaan. In dit verband is van belang dat er in casu geen contra-expertise in procedure is ingebracht, hoewel gemachtigde deze wel heeft laten uitvoeren door De Taalstudio en er blijkens de telefoonnotitie van 18 juli 2006 tevens door De Taalstudio een rapport is geleverd. Nu het resultaat niet is overgelegd, wordt aangenomen dat het tegenonderzoek de uitkomst van de taalanalyse niet heeft kunnen weerleggen. Gelet hierop kan de kritiek van eiser op het instrument taalanalyse en op de uitkomst van dit onderzoek niet leiden tot een andere conclusie dan reeds is gesteld in het voornemen. Het beroep van eiser op artikel 3 van het EVRM faalt, nu eisers relaas ongeloofwaardig wordt geacht als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens over zijn herkomst en er daarmee geen individuele gronden voor verblijf bestaan. Het beroep op artikel 4:84 van de Awb faalt eveneens. Eiser heeft onjuiste gegevens verstrekt terwijl bekendheid met die gegevens tot afwijzing van de aanvraag zouden hebben geleid. Gelet op het vorenstaande wordt de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, juncto artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) met terugwerkende kracht tot aan de ingangsdatum van de eerstverleende verblijfsvergunning ingetrokken.

2.3 Eiser bestrijdt dit besluit en voert daartegen in aanvulling op de gronden neergelegd in het schrijven van 22 maart 2005 en de zienswijze van 27 juli 2006, het volgende aan. Eiser meent om reële redenen zijn vaderland te hebben verlaten. Hij heeft over zijn motieven de waarheid gesproken en de door hem beschreven problematiek is daadwerkelijk aanwezig. Hij is afkomstig uit de Nuba-bergen van Soedan en spreekt de Tira-taal. Hij is niet afkomstig uit Darfur. Eiser is van mening dat verweerder geen concrete op de persoon van eiser betrekking hebbende omstandigheden heeft aangevoerd die een nieuw herkomstonderzoek kunnen rechtvaardigen. Het advies van BLT van 14 januari 2005 vermeldt immers slechts één reden voor twijfel omtrent de herkomst, namelijk de Nuba-afkomst, omdat eiser in zijn stamtaal tot tien heeft geteld en deze telwoorden geen gelijkenis met het Tira zouden hebben. Tevens is eiser van mening dat verweerder op voor hem intimiderende wijze heeft gehandeld en ten onrechte heeft nagelaten tijdig de laatst bekende gemachtigde van eiser vooraf te informeren omtrent de taalanalyse. Noch artikel 35 van de Vw, noch hoofdstuk C6/31.4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) kunnen dienen als wettelijke grondslag voor een niet vrijblijvende uitnodiging om te verschijnen voor een taalanalyse. De gevolgde procedure van verweerder levert wel degelijk strijd op met artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de artikelen 3:4, tweede lid, en 5:13 van de Awb. De bestreden beschikking is onzorgvuldig tot stand gekomen.

2.4 Bij brief van 6 februari 2007 heeft eiser een tweetal verklaringen overgelegd die volgens eiser zijn Tira-afkomst bevestigen.

2.5 Ingevolge artikel 33 van de Vw is Onze Minister bevoegd: a. de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen; b. een verleende verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te trekken.

2.6 In het eerste lid, sub a, van artikel 35 Vw is bepaald dat de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 kan worden ingetrokken indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.

2.7 De rechtbank overweegt als volgt.

2.8 Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiser onjuiste gegevens als bedoeld in artikel 35 van de Vw heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden.

2.9 Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) in zijn uitspraak van 5 april 2007 heeft overwogen (nummer 200609054/1), ligt het op de weg van de minister (lees: Staatssecretaris van Justitie) om, indien sprake is van intrekking van een verblijfsvergunning asiel op de voet van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, aannemelijk te maken dat zich de daarin vermelde intrekkingsgrond voordoet. Als door de minister aan deze bewijslast is voldaan, is het vervolgens aan de vreemdeling om het door de minister geleverde bewijs te weerleggen.

2.10 Een vreemdeling kan de conclusies van de taalanalyse inzake zijn herkomst weerleggen door het laten verrichten van een contra expertise. Hiertoe kan hij, indien hij van mening is dat de analyse onvolkomenheden bevat, de band, waarop het gesprek ten behoeve van de taalanalyse is opgenomen, desgewenst door een zelf gekozen onafhankelijke deskundige laten beoordelen en zo nodig van commentaar laten voorzien. De desbetreffende vreemdeling kan niet enkel door het plaatsen van kritische kanttekeningen bij de uitgevoerde taalanalyse teweegbrengen dat de minister een nieuwe taalanalyse moet verrichten, dan wel van een van de taalanalyse afwijkende conclusie uit dient te gaan.

2.11 De rechtbank overweegt allereerst dat gelet op jurisprudentie AbRS van 17 mei 2005 (NAV 2005/167) verweerder gemotiveerd uiteen dient te zetten wat de aanleiding is geweest voor een taalanalyse. Verweerder heeft in het voornemen en de bestreden beschikking dienaangaande aangegeven dat hij in de loop der tijd meer geavanceerde, technische hulpmiddelen kan inzetten om de gegevens over de gestelde herkomst nader te onderzoeken. Op grond van deze toegenomen kennis is gebleken dat in het verleden een verblijfsvergunning asiel is verleend aan Soedanezen van wie op grond van de huidige informatie twijfel zou kunnen ontstaan aan de gestelde herkomst. Om die reden worden Soedanezen die een eerste beslissing op hun asielverzoek hebben ontvangen voor 1 januari 2003 opnieuw onderworpen aan een herkomstonderzoek.

2.12 Aldus heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd wat de aanleiding is geweest voor een nader onderzoek. De eerste aanleiding is algemeen van aard geweest en voortgekomen uit voortschrijdend inzicht met betrekking tot de herkomst van alle Soedanezen. Deze is gevolgd door een dossieranalyse die is neergelegd in het rapport van het BLT van 14 januari 2005, waar uit blijkt dat aanwijzingen zijn gerezen dat Nuba en Nuba-gebergte mogelijk niet correct zijn opgegeven als etniciteit en herkomst. In een of meerdere gehoren heeft eiser kennis van de opgegeven taal getoond die niet overeenkomt met hetgeen uit harde bronnen over deze taal bekend is. Eiser heeft tijdens het eerste gehoor in de stamtaal Tira van 1 tot en met 10 geteld. De door eiser genoemde telwoorden vertonen geen enkele gelijkenis met de telwoorden die in de bronnen worden vermeld voor het Tira. Eiser is met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet etnisch Nuba en niet afkomstig uit het Nuba-gebied. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder derhalve in hetgeen hiervoor is overwogen voldoende aanleiding kunnen zien verder onderzoek te doen naar de juistheid van de door eiser opgegeven nationaliteit.

2.13 Verweerder heeft verder onderzoek verricht door middel van de reeds eerder genoemde taalanalyse van 25 mei 2005. Uit evengenoemde taalanalyse is gebleken dat eiser eenduidig te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Soedan (Darfur, niet Nuba). Eiser spreekt vloeiend een variant van Noord-Soedanees Arabisch. Er is niets in de spraak van eiser dat wijst op een herkomst uit, of een langdurig verblijf in de Nuba-bergen. Eiser heeft geen actieve kennis van een Nuba-taal. De losse woorden die hij op verzoek noemt zijn geen Tira. Eiser behoort eenduidig niet tot een Nuba-bevolkingsgroep.

2.14 De analist die het onderzoek heeft verricht is geboren en getogen in het Nuba-gebied in Soedan. Hij is moedertaalspreker van het Nyimang en het Soedanees Arabisch. Daarnaast heeft hij een goede beheersing van het Engels en het Standaard Arabisch, en een basiskennis van enige andere Nuba-talen. Hij heeft een academische opleiding genoten en heeft in Soedan ervaring opgedaan met modern taalkundig onderzoek.

2.15 De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op hetgeen hierboven is aangegeven met betrekking tot de achtergrond en kennis van de desbetreffende taalanalist geen reden bestaat om te twijfelen diens deskundigheid. De bevindingen van de door deze deskundig te achten analist vormden naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de gestelde stamafkomst, die de basis vormde voor het verlenen van eisers verblijfsvergunning.

2.16 Het lag daarom naar het oordeel van de rechtbank vervolgens op de weg van eiser om feiten en omstandigheden aan te dragen die voor verweerder redengevend zouden moeten zijn om niettemin aan de bevindingen, geformuleerd in evengenoemde taalanalyse voorbij te gaan.

2.17 Ten aanzien van eisers standpunt dat verweerder op voor hem intimiderende wijze heeft gehandeld en ten onrechte heeft nagelaten tijdig de laatst bekende gemachtigde van eiser vooraf te informeren omtrent de taalanalyse, oordeelt de rechtbank als volgt.

2.18 Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat artikel 35 Vw juncto hoofdstuk C6/31.4.1 Vc kunnen dienen als wettelijke grondslag voor een nader onderzoek, in casu een taalanalyse. Zoals hiervoor reeds is overwogen had verweerder in de dossieranalyse van BLT concrete indicaties die nader onderzoek rechtvaardigden. De gevolgde procedure van verweerder levert geen strijd op met de artikelen 3:4, tweede lid, en 5:13 van de Awb. Het herkomstonderzoek vindt immers zijn grondslag in artikel 35 van de Vw en heeft geen verband met toezicht op de naleving als bedoeld in artikel 5:13 van de Awb.

2.19 Eisers beroep op artikel 6 EVRM kan niet slagen. Uit jurisprudentie van het EHRM (bijvoorbeeld het arrest van 5 oktober 2000, JV 2000/264) en jurisprudentie van de Afdelingbestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2003, JV 2003/191) blijkt dat artikel 6 van het EVRM niet van toepassing is op procedures die betrekking hebben op de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen. Een besluit tot intrekking van de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd heeft betrekking op het verblijf van een vreemdeling en derhalve is artikel 6 van het EVRM op een daarop betrekking hebbende procedure niet van toepassing.

2.20 Voor zover eiser zich op het standpunt heeft willen stellen dat het vertrouwensbeginsel in de weg staat aan het uitvoeren van een taalanalyse, verwerpt de rechtbank dit standpunt. Een vreemdeling kan niet enkel aan de eerdere verlening van een verblijfsvergunning het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat een door hem gedane onjuiste opgave hem niet meer kan worden tegengeworpen. Dit volgt uit vaste jurisprudentie van de AbRS, zoals laatstelijk bevestigd in haar uitspraak van 12 september 2007, LJN: BB3791. De grief van eiser dat verweerder niet bevoegd was om alsnog een taalanalyse te laten uitvoeren, faalt derhalve.

2.21 In beroep, bij schrijven van 7 februari 2007, heeft eiser een tweetal verklaringen overgelegd. De rechtbank beschouwt deze verklaringen als een nadere onderbouwing van eisers van meet af aan ingenomen standpunt dat hij behoort tot de Tira-stam. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat deze stukken geen concreet aanknopingspunt vormen om te twijfelen aan de resultaten van de taalanalyse waaruit blijkt dat eiser eenduidig niet behoort tot een Nuba-bevolkingsgroep. De door eiser overgelegde stukken, te weten een Affidavit van 24 januari 2007 en een verklaring van de algemene raad van de Tira-stam van 13 januari 2007, hebben niet dezelfde bewijskracht als bijvoorbeeld een paspoort of een identiteitskaart en kunnen daarom niet dienen ter weerlegging van de conclusies van de taalanalyse inzake zijn herkomst. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit de gedingstukken B37 en B41 blijkt dat er wel een contra-expertise is aangevraagd, deze ook is opgesteld door de Taalstudio, maar door eiser niet is overgelegd in de procedure. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat dit het vermoeden versterkt dat het tegenonderzoek de uitkomst van de taalanalyse niet heeft kunnen weerleggen.

2.22 Aangezien ook overigens geen aanleiding bestaat om te oordelen dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, wordt het beroep ongegrond verklaard.

2.23 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. ter Brugge, als voorzitter en de mrs. C.M. Dijksterhuis en H. Gorter, leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2008 in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons als griffier.

de griffier

de rechter

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Let wel: Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.