Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BE8669

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-08-2008
Datum publicatie
19-08-2008
Zaaknummer
AWB 07/4383 GEMWT
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom. Ambtshalve beoordeling of verweerder het bezwaar van eiser, dat na aflop van de bezwaartermijn was ingediend, terecht ontvankelijk heeft geacht. Onvoldoende aannemelijk dat eiser wegens ziekte en ziekenhuisopname redelijkerwijs niet in staat kon worden geacht om tijdig bezwaar te maken. Van eiser mocht worden verwacht dat hij een gemachtigde of zaakwaarnemer had aangewezen om zijn belangen te behartigen. Toen eiser uiteindelijk, na afloop van de bezwaartermijn, kennis kreeg van het besluit, heeft hij nog bijna een maand gewacht met het indienen van bezwaar. Verweerder had het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het beroep is (uitsluitend om die reden)gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 07/4383 GEMWT

UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiser], wonende te [A.], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van [A.], verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 1 juni 2006 heeft verweerder aan eiser, eigenaar van de [woning] te [A.], een last onder dwangsom opgelegd wegens het wijzigen van de achtergevel, het vergroten van de dakkapel en het plaatsen van dakramen zonder de daartoe verleende bouwvergunning.

Bij brief van 20 augustus 2006, ingekomen bij verweerder op 21 augustus 2006, heeft eiser gereageerd op verweerders besluit van 1 juni 2006. Dit schrijven is door verweerder als bezwaarschrift in behandeling genomen.

Bij besluit van 8 mei 2007, verzonden op 9 mei 2007, heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Commissie bezwaarschriften gemeente [A.], het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiser bij brief van 18 juni 2007, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 27 november 2007, verzonden op 5 december 2007, heeft de rechtbank onder toepassing van artikel 8:54 van de Awb het beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 mei vernietigd en zelf in de zaak voorzien door het bezwaar wegens termijnoverschrijding alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

Het namens eiser bij schrijven van 8 januari 2008 tegen deze uitspraak gedane verzet is bij uitspraak van 11 april 2008 gegrond verklaard. Als gevolg daarvan is de uitspraak van 27 november 2007 komen te vervallen en is het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich op dat moment bevond.

Het beroep is op 25 juli 2008 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [...]

Motivering

De rechtbank dient ambtshalve toe te zien op de naleving van voorschriften van openbare orde, zoals bepalingen over het in acht nemen van de bezwaar- en beroepstermijn. Daarom dient eerst te worden nagegaan of verweerder terecht de overschrijding van de bezwaartermijn door eiser verschoonbaar heeft geacht.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van die wet aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van die wet is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van die wet blijft bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Het primaire besluit van 31 mei 2006 is bekendgemaakt door aangetekende verzending aan eisers woonadres op 1 juni 2006, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is begonnen op 2 juni 2006 en geëindigd op 14 juli 2006. Het bezwaarschrift is op 20 augustus 2006 ter post bezorgd en op 21 augustus 2006 door verweerder ontvangen. Het bezwaarschrift is dus gelet op artikel 6:9, eerste lid, van de Awb niet tijdig ingediend.

Eiser heeft als reden voor de overschrijding van de bezwaartermijn opgegeven dat hij in de desbetreffende periode ziek was. Onder verwijzing naar verklaringen van de huisarts en van twee medisch specialisten heeft eiser aangevoerd dat hij wegens hartfalen en de daaruit voortvloeiende psychiatrische aandoening fysiek en mentaal niet in staat was om eerder bezwaar te maken dan hij heeft gedaan.

Uit de stukken blijkt dat het op 1 juni 2006 aangetekend verzonden poststuk niet is afgehaald op het postkantoor. Ambtenaren van de gemeente [A.] hebben het besluit vervolgens op 7 juli 2006 in de brievenbus van eiser gedeponeerd.

De rechtbank stelt voorop dat ziekte slechts in uitzonderlijke gevallen een rechtvaardiging kan opleveren voor het te laat indienen van een bezwaarschrift. De eisen die daaraan in de jurisprudentie worden gesteld zijn streng. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van betrokkene om in geval van verblijf in het buitenland, vakantie of ziekte zorg te dragen voor een adequate behandeling van de post en de behartiging van zijn belangen. Slechts indien genoegzaam kan worden aangenomen dat betrokkene in de van belang zijnde periode redelijkerwijs niet in staat kon worden geacht om voor zijn belangen op te komen, dan wel een gemachtigde aan te wijzen die voor adequate belangenbehartiging zou kunnen zorgdragen, is sprake van een uitzonderlijk geval waarin de overschrijding van de bezwaar- of beroepstermijn verschoonbaar kan worden geoordeeld.

Als vaststaand kan worden aangenomen dat eiser in de periode van eind mei 2006 tot medio juli 2006 ernstig ziek was. In het dossier bevindt zich een kort verslag van een telefoongesprek dat op 18 augustus 2006 heeft plaatsgevonden tussen een ambtenaar van de gemeente (in het bijzijn van een collega) en eiser. De inhoud van dit verslag is door eiser niet weersproken. In het verslag is opgetekend dat eiser heeft verklaard dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het dwangsombesluit, omdat het slechts een herhaling van zetten betekent en omdat er al zoveel met de gemeente is gecorrespondeerd over deze zaak. Verder blijkt uit het verslag dat eiser heeft verklaard dat hij de beslissing pas op 7 juli 2006 heeft ontvangen, en dat hij dus nog een week heeft om bezwaar te maken. Eiser heeft kort na dit gesprek, op 20 augustus 2006 een brief aan de gemeente geschreven. In deze brief heeft eiser verwezen naar eerdergenoemd telefoongesprek, de ontvangst bevestigd van verweerders brief van 7 juli 2006, en medegedeeld dat hij van die brief op 17 juli 2006 heeft kennisgenomen na terugkeer uit het buitenland.

De rechtbank leidt uit de gang van zaken af dat eiser, nadat hij op 17 juli 2006 kennis had genomen van het besluit, daartegen bewust geen bezwaar heeft gemaakt. Pas na het telefoongesprek van 18 augustus 2006 heeft eiser op 20 augustus 2006 een brief aan de gemeente geschreven. Mede gelet op de eigen verklaring van eiser is niet aannemelijk dat eiser als gevolg van ziekte niet in staat was om direct bezwaar te maken nadat hij op de hoogte was geraakt van verweerders besluit van 31 mei 2006. Hierbij wordt aangetekend dat op dat moment niet alsnog een volle bezwaartermijn ging lopen, zoals eiser kennelijk ten onrechte heeft verondersteld. Nu dit besluit correct was bekendgemaakt en de termijn voor een bezwaar inmiddels was verstreken, had eiser zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk bezwaar moeten maken. Hij heeft dat echter niet gedaan, maar nog ruim een maand gewacht.

Voor zover toch zou moeten worden aangenomen dat eiser als gevolg van ziekte, verblijf in het ziekenhuis en daarna revalidatie in het buitenland (tijdelijk) niet in staat kon worden geacht om zelf tijdig de noodzakelijke rechtsmiddelen aan te wenden, had van hem mogen worden verwacht dat hij een gemachtigde had aangewezen die zijn belangen (tijdelijk) kon behartigen. De rechtbank merkt op dat verweerder al in een brief van 31 maart 2005 aan eiser een suggestie van deze strekking heeft gedaan.

Nu eiser heeft nagelaten tijdig de geëigende maatregelen te nemen is geen rechtvaardiging voor de termijnoverschrijding gegeven.

Eisers heeft zich beroepen op een beslissing van deze rechtbank, sector kanton, locatie Leiden. De kantonrechter is in een procedure op grond van de Wet Administratieve Handhaving Verkeersvoorschriften wel van een verschoonbare termijnoverschrijding uitgegaan terwijl het volgens eiser om dezelfde periode ging.

De rechtbank acht zich niet gebonden aan deze beslissing. Het oordeel dat aannemelijk is geworden dat eiser door ziekte niet in staat is geweest het beroepschrift tijdig in te dienen is in het proces-verbaal van de beslissing van de kantonrechter niet nader gemotiveerd. Daardoor is onduidelijk wanneer eiser in die zaak kennis heeft gekregen van de beslissing van de Officier van Justitie, in welke mate en onder welke omstandigheden de termijn is overschreden en welke andere feiten en omstandigheden mogelijk een rol hebben gespeeld bij de beslissing van de kantonrechter om de termijnoverschrijding te pardonneren. Dit betekent dat niet vast staat dat sprake is van een vergelijkbaar geval.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb die in de weg zou staan aan niet-ontvankelijkverklaring. Verweerder had het bezwaar daarom niet-ontvankelijk dienen te verklaren.

Nu verweerder dit heeft nagelaten is het beroep gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 6:11 van de Awb.

Aangezien bovenstaand oordeel ertoe leidt dat verweerder nog maar één rechtens juiste beslissing kan nemen, ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Verweerder wordt in de door eiser gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting) 2 punten (à € 322,- per punt) worden toegekend. Het bedrag dat verweerder dient te vergoeden is dus € 644,-.

De rechtbank wijst er tevens op dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht moet vergoeden, tenzij vergoeding van het griffierecht reeds heeft plaatsgevonden ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 27 november 2007.

Beslissing

De rechtbank ’s-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 8 mei 2007;

verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

bepaalt dat de gemeente [A.] aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 143,-, vergoedt, tenzij dat griffierecht na de rechtbankuitspraak van 27 november 2007 al was vergoed;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,-, welk bedrag de gemeente [A.] aan eiser moet vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. C.J. Waterbolk en in het openbaar uitgesproken op

8 augustus 2008, in tegenwoordigheid van de griffier J.M. Lo A-Njoe