Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BE6956

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-08-2008
Datum publicatie
18-08-2008
Zaaknummer
09/757042-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zie ook LJN BE6980. Verdachte heeft samen met verdachte B opzettelijk en met voorbedachte raad hun beider huisbaas om het leven gebracht en zich aldus schuldig gemaakt aan moord. Bij de vaststelling van de duur van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf laat de rechtbank vooral meewegen dat verdachte zich jegens het slachtoffer van excessief geweld heeft bediend. Zo is aan het slachtoffer met een hamer zeer zwaar letsel op het hoofd en in het gezicht toegebracht en heeft verdachte hem acht maal met een mes in de borst gestoken. De rechtbank houdt voorts rekening met het feit dat verdachte zijn vriendin in het door hem uitgeoefende geweld tegen het slachtoffer heeft betrokken door haar om een mes te vragen.

Door het ontzielde lichaam van het slachtoffer in te pakken, in een klikobak te vervoeren en vervolgens in het water te gooien, geeft verdachte niet alleen blijk van een gebrek aan enig respect voor het slachtoffer en zijn nabestaanden, maar ook van het uitsluitend oog hebben voor zijn eigen belang dat het door hem gepleegde misdrijf niet aan het licht zou komen en dat hij daarmee niet in verband zou worden gebracht. Ook de omstandigheid dat verdachte een aantal spullen van het slachtoffer heeft weggenomen vat de rechtbank op als een gemis aan respect en acht zij bijzonder verwerpelijk. Gevangenisstraf van 13 jaren met aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: 09/757042-07

Datum uitspraak: 15 augustus 2008

Promis

VONNIS

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte A],

geboren te [plaats] ([land]) op [datum] 1985,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting 'Haaglanden', Penitentiair Complex Scheveningen, Unit 2 te 's-Gravenhage.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 27 april 2007, 13 juli 2007, 5 oktober 2007, 17 december 2007, 2 juni 2008, 11 maart 2008, 31 juli 2008 en 1 augustus 2008.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.M. Jansen en van hetgeen ter terechtzitting van 1 augustus 2008 door de raadsman van verdachte mr. T.U. Hiddema, advocaat te Maastricht, en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 november 2006 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten

rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben

verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm

beraad en rustig overleg (met kracht) (met beide handen) de hals van die [slachtoffer] samengedrukt en/of omsnoerd, en/of die [slachtoffer] meerdere malen, althans

eenmaal (met kracht) met een hamer, althans een hard en/of kantig voorwerp, in

het gelaat en/of op het hoofd geslagen, en/of meermalen, althans eenmaal, met

een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de nek en/of in de

borstkas, althans het bovenlichaam, gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 25 november 2006 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, het lijk van [slachtoffer] heeft

verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit

en/of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen door met dat

oogmerk het hoofd van die [slachtoffer] in een plastic zak te stoppen, en/of

(vervolgens) het lichaam/het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] in te

pakken in een (of meer) laken(s)/deken(s) en/of (vervolgens) het

lichaam/stoffelijk overschot van die [slachtoffer] in een klikobak te

vervoeren/verplaatsen en/of (vervolgens) in het water bij de kruising

[a kade] met de [b straat] te gooien/dumpen, althans achter te laten;

art 151 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt, kort en feitelijk weergegeven, erop neer dat verdachte in vereniging met [verdachte B] [slachtoffer] met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd (feit 1) en het lijk van die [slachtoffer] heeft verborgen met het oogmerk om die moord te verhelen (feit 2).

De officier van justitie heeft gevorderd - conform de overgelegde schriftelijke weergave van het requisitoir - dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - zoals verwoord in zijn pleitaantekeningen - bepleit dat er geen sprake was van voorbedachte raad en dat alleen doodslag bewijsbaar is. Voorts heeft de raadsman een beroep gedaan op noodweer.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging (1)

De rechtbank gaat, gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, uit van het volgende.

Op 25 november 2006 omstreeks 08.35 uur werd het stoffelijke overschot van een lichaam aangetroffen bij de kruising van de [a kade] met de [b straat] te 's-Gravenhage, in het water onder de brug. Het lichaam was in onder meer een deken gewikkeld. Om het hoofd zat een plastic zak. Naast het lichaam lag een vuilniscontainer, een zogenoemde 'klikobak', op zijn kant, gedeeltelijk in het water. (2)

Het stoffelijke overschot werd voor onderzoek overgebracht naar het NFI. Bij het slachtoffer werden onder andere een bos sleutels en een salarisspecificatie aangetroffen op naam van [slachtoffer], wonende te [adres slachtoffer] te 's-Gravenhage. (3)

Uit onderzoek is gebleken dat de bij het slachtoffer aangetroffen huissleutels passen op het perceel [adres slachtoffer] te 's-Gravenhage. In deze woning werden sporen aangetroffen, waaruit bleek dat het misdrijf zich naar alle waarschijnlijkheid in deze woning heeft voltrokken.

Uit onderzoek bij de afdeling bevolking van de gemeente 's-Gravenhage bleek de bewoner van dit perceel te zijn genaamd: [slachtoffer]. Tijdens een confrontatie herkende [broer slachtoffer] het stoffelijke overschot als zijn broer [slachtoffer]. (4)

Obductieverslag (5)

Op 26 november 2006 heeft dr. B. Kubat, arts en patholoog, een schouw verricht op het stoffelijke overschot van het slachtoffer. Uit het obductieverslag d.d. 5 december 2006 blijkt, zakelijk weergegeven, het volgende.

Het slachtoffer heeft uitgebreide huidverscheuringen in het gelaat en op het hoofd met uitgebreide onderhuidse bloeduitstortingen. Voorts is sprake van talrijke botbreuken en verbrijzelingen van de schedelbeenderen, loszittende en afgebroken tanden en uitgebreide letsels aan de weke delen van het gelaat en het rechteroog.

Er zijn letsels aan het oppervlak van de hersenen ten gevolge van impressie van botfragmenten in de hersenen.

Er zijn tekenen van massale inademing van bloed en veel ingeslikt bloed in de maag (ca. 220 ml).

Er is een onderhuidse doorsteek in de nek en in totaal 8 steekletsels op de voorzijde van de borst en een mogelijk, oppervlakkig, klein steekletsel rechts onder in de buik.

Er zijn uitgebreide steekletsels in de weefsels en organen, met name links in de borstkas en in het tussenschot met doorsteken van de linkerlong en beschadiging van onder andere een longader, de longslagader en de lichaamsslagader. Maximale lengte van de steekkanalen is circa 20 cm, de maximale breedte van de huidperforaties is circa 4 cm. In de borstholten werd 550 ml bloed aangetroffen. Voorts heeft het slachtoffer enkele scherprandige letsels aan de handen. Het slachtoffer heeft een breuk van beide grote hoornen van het strottenhoofd, met omgevende bloeduitstortingen rond de breuken. Er zijn geen bloeduitstortingen in de halsspieren.

Epicrise

Er zijn tekenen van zeer heftig uitwendig mechanisch botsend geweld op het hoofd en gelaat met aanwijzingen voor een ernstig schedel-hersentrauma. De letsels zijn bij leven ontstaan en hebben geleid tot inademing en inslikken van veel bloed. Dit betekent dat het slachtoffer na het oplopen van deze letsels nog meerdere, mogelijk vele, minuten bij leven was.

Daarnaast zijn er tekenen van bij leven opgetreden uitwendig mechanisch perforerend geweld, steekletsels, deels met uitgebreide verwondingen aan de inwendige organen en grote bloedvaten in de borstholte. De letsels aan de grote bloedvaten zijn dusdanig dat zij wel en in een zeer korte tijd hadden moeten leiden tot een verbloeding. Het is daarom aan te nemen dat de letsels aan het hoofd zijn ontstaan vóór of tegelijkertijd met de steekletsels in de borstkas die geleid hebben tot de beschadiging van de bloedvaten. Verder kan men hieruit afleiden dat er ten tijde van het toebrengen van deze steekletsels sprake was van verminderd circulerend bloedvolume door eerder opgetreden ernstig bloedverlies, of door verminderde pompkracht van het hart, of een combinatie van beide.

De steekverwonding in de nek is bij leven opgetreden, maar het is niet aan te geven in welke volgorde het ten opzichte van de schedelletsels is ontstaan. Het is wel waarschijnlijk dat het vóór of tegelijkertijd met de steekletsels die geleid hebben tot de beschadiging van de bloedvaten is toegebracht. De scherprandige letsels aan de handen passen bij afweerletsels, zodat deze letsels moeten zijn ontstaan toen het slachtoffer nog in leven en bij bewustzijn was.

Het letsel bij het strottenhoofd past bij samendrukkend geweld op de hals, zoals bijvoorbeeld 'pakken bij de hals'. De letsels zijn bij leven ontstaan. Het is niet exact aan te geven wanneer voor het overlijden de breuken zijn ontstaan.

Conclusie

Het overlijden van het slachtoffer wordt verklaard door een combinatie van ernstig bloedverlies en traumatische beschadigingen van hersenen en daardoor opgetreden uitval van hersenfuncties.

Verhoor getuige-deskundige dr. B. Kubat door de rechter-commissaris (6)

Op 24 april 2008 werd de patholoog dr. B. Kubat door de rechter-commissaris gehoord als getuige-deskundige. Zij heeft tijdens het verhoor, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard.

Niet kan worden aangegeven op welk moment de letsels aan de nek en het samendrukkend geweld op de hals zijn aangebracht. Voorts kan niet worden aangegeven of het slachtoffer toen handelingsbekwaam was.

De letsels aan de armen en aan de handen zijn de zogenaamde afweerletsels. Die zijn vrij vroeg in het proces toegebracht, in ieder geval voor het toebrengen van de hoofdletsels omdat het slachtoffer op dat moment nog handelingsbekwaam was daar hij zich kon verweren.

De letsels aan het gelaat, aan de schedel en aan de hersenen zijn het gevolg van excessief botsend geweld. Die zijn zo ernstig dat ze in een korte periode, enkele minuten, hebben geleid tot vermindering of zelfs verlies van bewustzijn. Dit betekent dat na het toebrengen van deze letsels het slachtoffer niet meer of in ieder geval zeer minimaal handelingsbekwaam was.

Voorts hebben de letsels aan de borstkas, op de foto's die als bijlage bij haar rapport zijn gevoegd, aangeduid als L en M, zodanige inwendige beschadiging veroorzaakt, namelijk aan de grote slagaders, dat deze in zeer kort tijdsbestek, binnen enkele of meerdere minuten, tot de dood hebben geleid. Bij het neuropathalogisch onderzoek is bij de hersenen oedeem, vochtophoping en inklemming van hersendelen gevonden. Dit heeft enige tijd nodig om te ontstaan, wat de reden is dat de hersenletsels, dus de letsels aan het hoofd, voorafgaand aan de letsels in de borstkas, in ieder geval voorafgaand aan de twee dodelijke letsels, L en M, zijn toegebracht. De steekkanalen verlopen vrijwel recht naar de rug toe. Gezien de positie van de letsels op de borstkas en het verloop van de steekkanalen is het waarschijnlijker dat deze letsels in liggende houding zijn toegebracht.

Bij de letsels aan de armen en de handen ontstaat geen substantieel bloedverlies. Dat zijn kleine letsels. Het letsel aan de nek leidt wel tot meer bloedverlies, maar zou als enig letsel niet dodelijk zijn. Wat ongetwijfeld heeft bijgedragen aan de verbloeding zijn alle letsels aan het hoofd. Anderzijds zouden, wanneer er geen enkel ander letsel zou zijn, de letsels L of M, ieder apart of samen, zonder meer hebben geleid tot verbloeding en de dood.

Het is waarschijnlijker dat de steekkanalen in het kader van één handeling dan in het kader van meerdere handelingen zijn toegebracht.

Het slachtoffer is in ieder geval overleden na het toebrengen van letsels L en M, enkele of meerdere minuten daarna, niet langer dan 10 minuten daarna. Indien de steekletsels in één handeling achtereenvolgens zijn toegebracht, dan is het mogelijk dat de dood is ingetreden na voltooiing van die ene handeling. Het is onmogelijk dat de verwondingen aan de borstkas zijn toegebracht nadat het slachtoffer was overleden. Rond alle letsels zijn bloeduitstortingen en er is bloed in de borstholte, hetgeen betekent dat ten tijde van het toebrengen van de letsels aan de borstkas er hartactie was en dat het slachtoffer dus nog in leven was.

Voorts is het onwaarschijnlijk dat de letsels aan het gelaat, dan wel het letsel op het kruin, na de verwondingen aan de borstkas zijn toegebracht. Er zijn tekenen van massale inademing van bloed in de longen, ontstaan door de inademing van bloed dat is vrijgekomen door letsels in het gelaat. Dat heeft tijd nodig en het tijdsbestek na het toebrengen van de letsels L en M is te kort om dit proces in die mate te laten ontstaan.

De getuige-deskundige kan zich vinden in de stelling dat alle letsels vóór het intreden van het proces van verbloeding veroorzaakt door de letsels L en M zijn ontstaan.

Verklaringen verdachte en medeverdachte

Na uitgebreid onderzoek en na afluisteren van diverse telefoons werden verdachte en zijn vriendin, [verdachte B], aangehouden als verdachten. Zij waren, aldus hun verklaringen, op 25 november 2006 de huurders van een kamer in de woning van het slachtoffer [slachtoffer].

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij aan [slachtoffer] de steekwonden, zoals weergegeven op foto 2, gevoegd bij het hiervoor vermelde rapport van de getuige-deskundige dr. B. Kubat, aangegeven met de letters F, G, H, J, K, L, M en N, heeft toegebracht. Voorts heeft hij ter terechtzitting verklaard dat hij het lichaam van [slachtoffer] samen met [verdachte B] in een laken, deken en zeil heeft gewikkeld en het hoofd in een plastic zak heeft gedaan, waarna hij het lichaam met [verdachte B] in een klikobak heeft gedeponeerd. Deze bak hebben zij samen naar beneden gedragen, waarna hij het lichaam vlakbij in het water onder een brug heeft achtergelaten. Daarna hebben zij het huis schoongemaakt. (7)

Medeverdachte [verdachte B] heeft diverse verklaringen afgelegd bij de politie. Zij werd op 20 mei 2008 tevens gehoord door de rechter-commissaris als getuige in de zaak van verdachte.

De volgende, zakelijk weergegeven onderdelen uit deze verklaring, die niet wezenlijk afwijken van andere door haar afgelegde verklaringen, gebruikt de rechtbank voor het bewijs.

[verdachte B] werd in de nacht van 25 november 2007 wakker, omdat zij geschreeuw op de gang hoorde. Zij stond op en ging in de hal kijken. Zij zag [slachtoffer] half in het toilet, half in de gang languit op de vloer liggen. Zij zag veel bloed in het toilet en zij zag verdachte gehurkt bij de huisbaas zitten. Verdachte heeft toen aan haar gevraagd een mes te halen. Omdat zij geen mes kon vinden, gaf zij aan verdachte een hamer. Nadat zij de hamer aan verdachte had gegeven, zag zij dat verdachte de huisbaas op zijn hoofd sloeg met de hamer. Na enige tijd is zij weer naar verdachte gaan kijken. Verdachte heeft toen tegen haar gezegd dat zij moest meehelpen om het lichaam van de huisbaas naar de keuken te dragen. Zij heeft vervolgens samen met verdachte het lichaam van [slachtoffer] in een deken, een laken en een zeil gewikkeld en in een zogenaamde 'klikobak' gestopt. Samen hebben zij de bak naar beneden gedragen en verdachte heeft vervolgens de bak ergens gedumpt. Daarna hebben zij samen het huis schoongemaakt. (8)

Overige bewijsoverwegingen

De rechtbank is van oordeel dat de behandeling ter terechtzitting geen duidelijkheid heeft verschaft over wat verdachte en zijn medeverdachte [verdachte B] tot hun daad heeft gebracht. Ook ten aanzien van wat zich op de bewuste avond precies heeft afgespeeld zijn meerdere scenario's denkbaar. Verdachte en [verdachte B] hebben daaromtrent uiteenlopende verklaringen afgelegd.

Ten aanzien van de doodsoorzaak en de volgorde waarin de verschillende letsels (afweer-, druk-, slag- en steekletsel) aan het slachtoffer zijn toegebracht, gaat de rechtbank uit van het obductieverslag van de getuige-deskundige en de aanvullende verklaringen die de getuige-deskundige heeft afgelegd. Op basis daarvan en de verklaringen van [verdachte B] acht de rechtbank bewezen dat het slachtoffer met behulp van een hamer slagletsel is toegebracht. De getuige-deskundige is in dat verband van mening dat alle letsels vóór het intreden van het proces van verbloeding, veroorzaakt door de dodelijke letsels L en M, zijn ontstaan. Het letsel ten gevolge van de slagen kan ook (vrijwel) gelijktijdig met de dodelijke steekwonden zijn toegebracht. Ten aanzien van dat laatstbedoelde letsel acht de rechtbank - gezien de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting - bewezen dat verdachte het slachtoffer meerdere malen met een mes in de borst heeft gestoken.

Verweren

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat sprake is geweest van een noodweersituatie. Verdachte heeft immers verklaard dat hij [slachtoffer] is gevolgd naar de keuken, omdat hij met hem wilde spreken. Vervolgens heeft [slachtoffer] volgens verdachte een opmerking gemaakt over de zus van verdachte, waarna hij verdachte plotseling met een mes heeft aangevallen. Er is een worsteling ontstaan, waarbij verdachte zichzelf heeft verdedigd tegen de aanval met het mes, daarbij [slachtoffer] het mes afhandig heeft gemaakt en hem vervolgens heeft gestoken.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Volgens verdachte was er geen sprake van een ruzie. Verdachte heeft verklaard dat hij achter [slachtoffer] is aangelopen naar de keuken, omdat hij had gezien dat deze zich in de slaapkamer van hem en [verdachte B] bevond en dat [slachtoffer] [verdachte B] toen heeft betast. Verdachte heeft evenwel niet verklaard dat hij en [slachtoffer] daarover een woordenwisseling hebben gehad en zelfs niet dat hij daarover met [slachtoffer] heeft gesproken. [slachtoffer] zou volgens verdachte daarentegen slechts een enkele opmerking hebben gemaakt over de zus van verdachte, [zus van verdachte], en vervolgens een mes hebben gepakt en verdachte hebben aangevallen.

De rechtbank acht deze lezing van de feiten in het licht van de genoemde omstandigheden niet geloofwaardig. Daaruit valt immers geen enkele aanleiding af te leiden voor een zo plotselinge agressie van [slachtoffer] tegen verdachte met een steekwapen.

Voorts komt uit het genoemde obductieverslag naar voren dat [slachtoffer] afweerwonden aan de handen had. Verdachte heeft hiervoor geen verklaring gegeven. Bij verdachte was slechts sprake van een wondje aan een hand. Dit lijkt veeleer te wijzen op de omgekeerde situatie, waarbij verdachte in het bezit was van een mes, waartegen [slachtoffer] zich heeft verweerd. Verder blijkt uit genoemd rapport dat bij [slachtoffer] sprake was van drukletsel in de hals. Ook hiervoor is door verdachte geen verklaring gegeven. Genoemde letsels passen bovendien niet in de verklaring van verdachte, dat [slachtoffer] hem - nadat verdachte in het bezit was gekomen van het mes - voortdurend met beide handen bij de keel had, waartegen hij zich volgens zijn zeggen moest verweren.

Verder is van belang dat de de getuige-deskundige van mening is dat het bij [slachtoffer] vastgestelde (slag)letsel met een stomp en kantig voorwerp is toegebracht, voorafgaand aan de dodelijke messteken, die in het rapport met L en M worden aangeduid. Dit in verband met de snelle verbloeding die het gevolg is van die steken en het feit dat [slachtoffer] een hoeveelheid bloed heeft ingeademd, welk bloed is vrijgekomen door de slagen. Dit slagletsel heeft volgens de getuige-deskundige tot gevolg gehad dat [slachtoffer] buiten bewustzijn is geraakt. Verdachte heeft bekend [slachtoffer] meerdere malen in de borst te hebben gestoken. Nu het dodelijke steekletsel volgend op of vrijwel gelijktijdig met het slagletsel door verdachte moet zijn toegebracht, derhalve terwijl [slachtoffer] bewusteloos was, kan naar het oordeel van de rechtbank ook om die reden geen sprake zijn van noodweer aan de zijde van verdachte.

Wat betreft de bewezenverklaring van de voor moord vereiste voorbedachte raad overweegt de rechtbank als volgt.

In het dossier bevinden zich aanwijzingen die duiden op een mogelijk voornemen van [verdachte A] om [slachtoffer] te doden, alsmede dat hij daartoe voorbereidingshandelingen zou hebben verricht. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank echter van oordeel dat die aanwijzingen onvoldoende wettig bewijs opleveren op om te komen tot een bewezenverklaring daarvan.

De verdenking ter zake is immers volledig gebaseerd op de verklaringen van één persoon, te weten [verdachte B], terwijl in het dossier geen ander bewijs voorhanden is dat die verklaringen in voldoende mate ondersteunt.

Verdachte heeft evenwel ter terechtzitting verklaard dat hij het steekletsel in de borst van [slachtoffer] heeft toegebracht. Verdachte ontkent [slachtoffer] met een hamer of enig ander stomp voorwerp te hebben geslagen. Zoals hiervoor is overwogen blijkt uit het obductieverslag en de nadere verklaringen van de getuige-deskundige dat sprake is van ernstig slagletsel, dat is vooraf gegaan aan of (vrijwel) gelijktijdig is toegebracht met het dodelijke steekletsel. Deze bevinding is strijdig met het feitenrelaas zoals door verdachte geschetst.

Volgens de verklaringen van [verdachte B] heeft verdachte haar - nadat de worsteling tussen verdachte en [slachtoffer] had plaatsgevonden en deze weerloos op de grond lag - gevraagd om een mes te halen. Deze omstandigheid als zodanig wijst er reeds op dat verdachte kennelijk het plan had ernstig verder letsel aan [slachtoffer] toe te brengen. Er is enige tijd verstreken voordat [verdachte B] - die geen mes kon vinden en in plaats daarvan een hamer meebracht - bij hem terugkeerde. Daarna is volgens zijn kennelijke plan het verdere geweld op het slachtoffer toegepast, met dodelijk gevolg. Uit dit geheel is voldoende gebleken dat verdachte in rustig overleg en kalm beraad, gericht op het doden van het slachtoffer, heeft gehandeld.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de onder 1. aan verdachte ten laste gelegde moord, in vereniging gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit verklaren verdachte en zijn medeverdachte [verdachte B] nagenoeg gelijkluidend. Nadat [slachtoffer] van het leven was beroofd hebben zij het lichaam van het slachtoffer naar de keuken verplaatst en hem vervolgens ingepakt. Daarna hebben zij het lichaam in een afvalbak (klikobak) gestopt en hebben zij die bak met het lichaam naar buiten gebracht. Verdachte heeft deze bak met het lichaam vervolgens naar een nabij het pand gelegen sloot getransporteerd en het in die sloot gegooid. Deze handelwijze kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden uitgelegd dan dat verdachte en diens medeverdachte daarmee de kennelijke bedoeling hadden om (de oorzaak van) het overlijden van [slachtoffer] te verbergen.

De rechtbank acht derhalve ook dit feit bewezen.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht met betrekking tot verdachte bewezen dat

1.

hij op 25 november 2006 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging

met een ander, opzettelijk en met voorbedachten

rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft

verdachte met dat opzet en na kalm

beraad en rustig overleg met kracht de hals van die [slachtoffer] samengedrukt, en die [slachtoffer] meerdere malen, met kracht met een hamer, in

het gelaat en op het hoofd geslagen, en meermalen, met

een mes, in de nek en in de

borstkas, gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij op 25 november 2006 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging

met een ander, het lijk van [slachtoffer] heeft

weggevoerd en weggemaakt, met het oogmerk om het feit

en de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen door met dat

oogmerk het hoofd van die [slachtoffer] in een plastic zak te stoppen, en

vervolgens het lichaam/het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] in te

pakken in een laken en een deken en vervolgens het

lichaam/stoffelijk overschot van die [slachtoffer] in een klikobak te

vervoeren/verplaatsen en vervolgens in het water bij de kruising

[a kade] met de [b straat] te gooien/dumpen, althans achter te laten;

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1. en 2. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met [verdachte B] op 25 november 2006 in Den Haag opzettelijk en met voorbedachte raad hun beider huisbaas om het leven gebracht en zich aldus schuldig gemaakt aan moord.

Het handelen van verdachte getuigt van een volkomen gebrek aan respect voor de waarde van het menselijk leven. Verdachte heeft aan een mens zijn kostbaarste bezit - het leven - ontnomen. Ook heeft verdachte daardoor aan de nabestaanden van het slachtoffer onbeschrijfelijk en onherstelbaar leed toegebracht. Daarnaast heeft deze moord grote onrust en gevoelens van verontwaardiging en onveiligheid in de maatschappij teweeg gebracht, niet alleen in de omgeving van de woning van verdachte - alwaar door een toevallige voorbijganger het ingepakte lichaam van de huisbaas in een sloot werd aangetroffen - maar in de gehele samenleving.

Op moord kan, ter effening van de schok die aan de rechtsorde en in het bijzonder aan de nabestaanden is toegebracht, niet anders worden gereageerd dan met een gevangenisstraf van zeer lange duur.

Bij de vaststelling van de duur van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf laat de rechtbank vooral meewegen dat verdachte zich jegens het slachtoffer van excessief geweld heeft bediend. Zo is aan het slachtoffer met een hamer zeer zwaar letsel op het hoofd en in het gezicht toegebracht en heeft verdachte hem acht maal met een mes in de borst gestoken. De rechtbank houdt voorts rekening met het feit dat verdachte zijn vriendin in het door hem uitgeoefende geweld tegen het slachtoffer heeft betrokken door haar om een mes te vragen.

Door het ontzielde lichaam van het slachtoffer in te pakken, in een klikobak te vervoeren en vervolgens in het water te gooien, geeft verdachte niet alleen blijk van een gebrek aan enig respect voor het slachtoffer en zijn nabestaanden, maar ook van het uitsluitend oog hebben voor zijn eigen belang dat het door hem gepleegde misdrijf niet aan het licht zou komen en dat hij daarmee niet in verband zou worden gebracht. Ook de omstandigheid dat verdachte een aantal spullen van het slachtoffer heeft weggenomen vat de rechtbank op als een gemis aan respect en acht zij bijzonder verwerpelijk.

De rechtbank houdt rekening met de omstandigheid dat verdachte, blijkens een op zijn naam staand uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 15 januari 2007, niet eerder voor enig strafbaar feit (in Nederland) is veroordeeld.

De rechtbank heeft kennis genomen van de rapporten van de psychiater Van der Hoorn d.d. 25 februari 2008 respectievelijk van de psycholoog in opleiding Faas d.d. 19 maart 2008 en op het Voorlichtingsrapport van de reclassering Nederland, regio Den Haag, opgesteld door de heer Peters d.d. 20 april 2007. Deze rapporten bevatten geen informatie die voor het bepalen van de strafmaat van belang zijn.

De op te leggen straf is een lagere dan gevorderd door de officier van justitie. Dit valt met name te verklaren uit de omstandigheid dat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, niet bewezen acht dat verdachte de voorbereidingshandelingen heeft verricht die medeverdachte [verdachte B] hem heeft toegeschreven. Deze voorbereidingshandelingen zouden, indien bewezen, het verwijt aan verdachte aanmerkelijk zwaarder hebben gemaakt.

De rechtbank acht na te melden straf passend en geboden.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 47, 57, 151, 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1.

medeplegen van moord;

ten aanzien van feit 2.

medeplegen van een lijk wegvoeren en wegmaken, met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 13 (DERTIEN) JAREN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in verzekering gesteld op: 11 januari 2007,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 15 januari 2007.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. S.L. Donker, voorzitter,

H.J. van Kooten en R. Brand, rechters,

in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 augustus 2008.

(1) Waar hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

(2) Dossier 'Ambtshandelingen', O/AH/1, proces-verbaal van bevindingen, PL[nummer].

(3) Dossier 'Ambtshandelingen', O/AH/4 t/m O/AH/6, proces-verbaal van bevindingen, PL[nummer].

(4) Dossier 'Ambtshandelingen', O/AH/7 en O/AH/8, proces-verbaal van bevindingen.

(5) Deskundigenrapport van het NFI d.d. 5 december 2006, NFI-zaaknummer [nummer], sectienummer [nummer].

(6) Proces-verbaal van verhoor getuige-deskundige B. Kubat d.d. 24 april 2008, ondertekend door de rechter-commissaris en griffier.

(7) Verklaring verdachte [verdachte A] ter terechtzitting van 31 juli 2008.

(8) Proces-verbaal van verhoor getuige [verdachte B] d.d. 20 mei 2008, ondertekend door de rechter-commissaris en de griffier.