Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BE1352

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-02-2008
Datum publicatie
14-08-2008
Zaaknummer
260870 - HA ZA 06-0760
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Na drie wijzigingen van eis waarmee de curator beoogde zijn vorderingen aan te passen aan de meest actuele financiële stand van zaken tussen partijen, vordert de curator hoofdelijke veroordeling van gedaagden om aan hem krachtens de wetsartikelen 20 en 21 Fw te betalen de achterstallige bedragen voor de salarissen van drie failliete heren over de periode van ruim 1,5 jaar en betaling van die netto salarissen voor zover deze de meest recente beschikkingen VTLI overstijgen vanaf 1 juli 2007, onder afgifte van loonstroken met dwangsom, met nevenvorderingen.

De rechtbank wijst de vorderingen grotendeels toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RI 2008, 75
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector civiel recht - enkelvoudige kamer

Vonnis van 20 februari 2008

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 260870 / HA ZA 06-0760 van:

de heer mr. W. van Leuveren, in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van de failliete heren [failliet 1], [failliet 2] en [failliet 3],

de curator kantoorhoudende te Waddinxveen,

eiser,

advocaat: mr. W. van Leuveren (Waddinxveen),

procureur: mr. W. van Leuveren,

tegen

1. de besloten vennootschap Budget Retail BV,

2. de besloten vennootschap [A.] Holding BV,

3. de heer [A.],

alle gedaagden gevestigd respectievelijk wonende te Waddinxveen,

advocaat: mr. J.J. van Deventer (Haarlem),

procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

1. De procedure

1.1 De rechtbank heeft kennis genomen van alle gedingstukken met producties in het griffiedossier, zijnde:

- de dagvaarding met de producties 1 t/m 13 van de curator van 20 februari 2006;

- het exploot van 21 maart 2006 met de daarbij betekende eiswijziging van de curator;

- de conclusie van antwoord met verwijzingsincident van gedaagden van 7 juni 2006;

- de incidentele conclusie van antwoord van de curator van 5 juli 2006;

- het incidenteel vonnis van deze rechtbank van 30 augustus 2006 (zie JOR 2006, nr. 279);

- het instructieformulier van de comparitierechter van 31 oktober 2006;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 20 december 2006, met de daarbij behorende akten van beide partijen met de producties nrs. 14 t/m 40 van de curator en de producties nrs. 1 t/m 18 van gedaagden van 20 december 2006;

- de conclusie van repliek met eiswijziging en met de producties 41 t/m 45 van de curator van 9 mei 2007;

- de conclusie van dupliek met producties 1 t/m 5 van gedaagden van 20 juni 2007;

- de akte uitlaten producties met eiswijziging en met de producties 46 t/m 47 van de curator van 18 juli 2007;

- de antwoordakte van gedaagden van 15 augustus 2007.

1.2 Ter rolzitting van 29 augustus 2007 is vonnis bepaald, dat door interne omstandigheden bij de rechtbank pas heden kan worden gewezen.

2. De feiten

2.1 Bij vonnis van 26 oktober 2005 zijn failliet verklaard de vennootschap onder firma Massa Sport en haar vennoten Massa Sport BV, [failliet 1] (vader), [failliet 2] en [failliet 3] (zonen), met benoeming van eiser tot curator.

2.2 V.o.f. Massa Sport dreef te Waddinxveen een handel in sportartikelen. Zij had haar bedrijfsactiviteiten al eind 2004 gestaakt na de faillissementsaanvrage van de fiscus. Per 1 januari 2005 zijn de heren [B. (failliet)] in dienst getreden bij gedaagde Budget Retail BV, die op een ander adres te Waddinxveen een handel in sportartikelen is gaan drijven. Volgens de arbeidsovereenkomsten met Budget Retail BV werd vader [B.] verkoopleider tegen een maandsalaris van € 1.600,- bruto en werden beide zonen [B.] verkopers tegen een salaris van ieder € 1.500,- bruto, alles nog te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.

2.3 Budget Retail BV is opgericht eind 2004. De drie heren [B.] waren en zijn sinds 1 januari 2005 de enige drie personeelsleden van deze BV met twee filialen, één in Waddinxveen en later één in eerst Leiden en daarna Zoetermeer. Enig directeur en aandeelhouder van gedaagde Budget Retail BV is gedaagde [A.] Holding BV, waarvan gedaagde [A.] enig directeur en aandeelhouder is.

2.4 Na de faillissementen van 26 oktober 2005 heeft de curator jegens gedaagden als (indirect) werkgever(s) van de failliete drie werknemers [B.] aanspraak gemaakt op betaling van de netto salarissen met kopie van de loonstroken aan de faillissementsboedel vanaf datum faillissement, voor het eerst bij brief van 31 oktober 2005. Informatieverstrekking en afdracht van kort gezegd salaris aan de curator hebben na veel correspondentie vol conflicten en meningsverschillen slechts gedeeltelijk en met grote vertraging plaatsgevonden door de faillieten [B.] en door gedaagden als hun werkgever(s), die jegens de curator gezamenlijk worden vertegenwoordigd door de huidige advocaat van gedaagden. Blijkens de gedingstukken is de onderlinge verhouding en communicatie tussen beide kampen ook na de comparitie van partijen onverminderd slecht.

2.5 De rechter-commissaris in de faillissementen heeft krachtens art. 21 lid 2 Fw inmiddels een groot aantal beschikkingen over het Vrij Te Laten Inkomen (VTLI) afgegeven voor de drie failliete werknemers [B.] over de periode vanaf 1 januari 2006. De meest recente beschikkingen VTLI (geproduceerd door de curator) dateren van maart 2007.

3. De geschillen

3.1 Na drie wijzigingen van eis waarmee de curator beoogde zijn vorderingen aan te passen aan de meest actuele financiële stand van zaken tussen partijen, vordert de curator - sterk verkort weergegeven - hoofdelijke veroordeling van gedaagden om aan hem krachtens de wetsartikelen 20 en 21 Fw te betalen de achterstallige bedragen voor de salarissen van de failliete heren [B.] over de periode van 1 november 2005 tot 1 juli 2007, en betaling van die netto salarissen voor zover deze de meest recente beschikkingen VTLI overstijgen vanaf 1 juli 2007, onder afgifte van loonstroken met dwangsom. Voorts vordert de curator vaststelling door de rechtbank en nabetaling door gedaagden hoofdelijk van een redelijk maandloon ex art. 479a Rv van € 2.500,- bruto per failliet vanaf 1 november 2005, alles met de gebruikelijke nevenvorderingen zoals rente en kosten.

3.2 Namens gedaagden is gemotiveerd verweer gevoerd. De rechtbank volstaat voor de uitvoerige standpunten van partijen en voor de details kortheidshalve met een verwijzing naar inhoud van de gedingstukken met alle producties.

4. De beoordeling

4.1 De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de meest recente eiswijzigingen van de curator, zoals neergelegd in zijn akte met producties van 18 juli 2007. De rechtbank verwerpt de bezwaren van gedaagden tegen deze akte met eiswijzigingen. Gedaagden hebben immers bij antwoordakte van 15 augustus 2007 volop de gelegenheid gehad om inhoudelijk te reageren. Ook oordeelt de rechtbank het telkens aanpassen door de curator van zijn vorderingen aan de meest actuele financiële situatie tussen partijen in deze voortdurende rechtsverhouding niet in strijd met de goede procesorde.

4.2 De rechtbank zal eerst de meest verstrekkende vordering van de curator en het verweer daartegen beoordelen. Dat is de vordering die strekt tot vaststelling en nabetaling van volgens de curator meer redelijke bruto lonen van € 2.500,- voor de drie failliete werknemers op de voet van art. 479a Rv. De rechtbank stelt voorop dat zij naar tekst en strekking van dit wetsartikel slechts in "onevenredige" en dus uitzonderlijke gevallen zal mogen overgaan tot vaststelling van hogere salarissen dan al bij arbeidscontracten overeengekomen, daarbij alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend.

4.3 Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat van een uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld geen sprake is, zodat de desbetreffende vorderingen van de curator gebaseerd op art. 479a Rv moeten worden afgewezen. Daartoe is het volgende redengevend.

4.4 Aan de curator kan worden toegegeven dat bruto maandlonen van slechts € 1.600,- en 2x € 1.500,- vragen oproepen, vooral of deze salarissen voor in de branche ervaren werknemers als de heren [B.] ook gelet op hun functies en verantwoordelijkheden bij hun werkgever Budget Retail BV wellicht in samenspanning kunstmatig laag worden gehouden speciaal met het oog op hun faillissementen. Ter comparitie heeft de heer [A.] echter vooralsnog genoegzaam uiteengezet dat en waarom in de eerste meestal verliesgevende jaren van een startende onderneming als Budget Retail BV hogere lonen bedrijfseconomisch onverantwoord zouden zijn. Zijn boekhouder verbood hem eenvoudigweg een hoger salaris aan te bieden aan de drie werknemers [B.]. De welbewust overeengekomen salarissen liggen bovendien in relevante mate boven het niveau van de wettelijke minimumlonen en slechts iets beneden het niveau van de basis CAO-lonen in de branche, terwijl die CAO sinds 1 januari 2005 niet meer algemeen verbindend verklaard is. Kortheidshalve verwijst de rechtbank verder naar de details van het proces-verbaal van comparitie.

4.5 De curator heeft tijdens en na de comparitie tegenover dat gemotiveerde betoog van gedaagde [A.] geen concrete bijzondere feiten of omstandigheden kunnen stellen, die indien bewezen nog zouden kunnen leiden tot de vergaande conclusie dat de rechtbank op de voet van art. 479a Rv toch zou moeten ingrijpen in de omvang van de tussen werkgever en werknemers welbewust overeengekomen salarissen. Ook heeft de curator niet met concrete bewijsstukken aangetoond dat voor de heren [B.] elders aanmerkelijk beter betaalde dienstverbanden daadwerkelijk beschikbaar zijn, zoals hij herhaaldelijk heeft gesuggereerd maar zoals gedaagden herhaaldelijk en gemotiveerd hebben betwist.

4.6 Wel toewijsbaar zijn naar het oordeel van de rechtbank de vorderingen van de curator die strekken tot tijdige afdrachten door gedaagden aan de faillissementsboedels op de voet van de artikelen 20 en 21 lid 2 Fw. Daartoe is het volgende redengevend.

4.7 De rechtbank onderschrijft de centrale stelling van de curator, dat gedaagden zich als (indirect) werkgever(s) eenvoudigweg hebben te houden aan de bovenstaande twee wetsartikelen door gedurende de faillissementen van hun drie werknemers [B.] steeds tijdig de overeengekomen netto salarissen af te dragen aan de curator, voor zover die salarissen het VTLI zoals laatstelijk vastgesteld door de rechter-commissaris overstijgen. Het is niet aan (de advocaat van) gedaagden om de omvang van de beschikkingen VTLI voortdurend aan te blijven vechten zoals gedaagden dat in deze procedure ook na de comparitie blijven doen. Dat dispuut is aan (dezelfde advocaat van) de failliete werknemers [B.], die daartoe een ingang (zal of) zullen moeten zien te vinden bij de rechter-commissaris in faillissement. Daaraan kan rechtens niet afdoen het op zich begrijpelijke en nobele streven van gedaagden om zo veel mogelijk voor de belangen van hun failliete werknemers [B.] en hun naasten (vooral het armlastige gezin van [failliet 3] en zijn onregelmatig werkende partner met hun jonge kinderen) op te komen. De drie heren [B.] zijn nu eenmaal failliet en hun curator heeft nu eenmaal tot taak om binnen redelijke grenzen - zoals art. 21 lid 2 Fw - primair de belangen van de schuldeisers van de failliete heren [B.] te behartigen.

4.8 Ondanks alle zorgen en irritaties behoorden en behoren dus ook gedaagden eenvoudigweg de wet en de rechterlijke beschikkingen VTLI na te komen door de vaststaande bedragen telkens tijdig aan de curator te betalen. Voor eventuele correcties achteraf is thans slechts plaats op de wijze zoals door de curator terecht aan de advocaat van de gedaagden en de faillieten voorgehouden in zijn geproduceerde faxbrief van 29 juni 2007 (productie 46). Gelet op de inhoud van het dossier hebben gedaagden herhaaldelijk niet aan hun wettelijke betalingsverplichtingen jegens de curator voldaan, zijn zij betalingstoezeggingen aan de curator niet of niet tijdig nagekomen en volharden zij ook na de comparitie van partijen in die wanbetaling, hoewel de curator hen al vanaf zijn brief van 31 oktober 2005 op hun verplichtingen heeft gewezen. De door gedaagden nog geschetste financiële moeilijkheden aan hun zijde komen voor eigen risico en rekening van gedaagden en kunnen niet aan de curator worden tegengeworpen.

4.9 In de gegeven omstandigheden betoogt de curator naar het oordeel van de rechtbank terecht, dat niet alleen gedaagde Budget Retail BV als formeel werkgever jegens hem aansprakelijk is, maar ook de indirecte werkgevers gedaagden [A.] Holding BV en de heer [A.] op de voet van art. 6:162 BW. Uit het proces-verbaal van de comparitie en uit de overige inhoud van de gedingstukken blijkt immers meer dan voldoende duidelijk, dat enig directeur en aandeelhouder [A.] via [A.] Holding BV alle relevante touwtjes bij werkgever Budget Retail BV in handen heeft. [A.] neemt alle beleidsbeslissingen en stelde ook de salarissen van de heren [B.] vast, anders ging de hulp aan hen niet door. Ook was het de heer [A.] die aldus zelfstandig, desbewust en herhaaldelijk besloot om tegen de terechte verzoeken van de curator tot tijdige en in omvang juiste betalingen in te blijven gaan. Onder de bijzondere omstandigheden van dit geval treft gedaagden sub 2 en 3 als bestuurders een persoonlijk en ernstig verwijt van die herhaalde wanbetalingen aan de curator, en acht de rechtbank het onaanvaardbaar dat gedaagden sub 2 en sub 3 zich in dat opzicht jegens de curator zouden kunnen verschuilen achter de rechtspersoonlijkheid van gedaagde sub 1 als formele werkgever. Dit brengt de rechtbank tot hoofdelijke aansprakelijkheid van de drie gedaagden jegens de curator.

4.10 De achterstallige bedragen met samengestelde rente over de periode van 1 november 2005 tot 1 juli 2007, zoals gevorderd door de curator bij gewijzigde en geactualiseerde eis van 18 juli 2007 en zoals berekend in productie 47 van de curator, vinden naar het oordeel van de rechtbank meer dan voldoende steun in de overige inhoud van de gedingstukken en in de overige producties van de curator. Hetgeen de gedaagden daar nog tegenover stellen of al stelden, zal de rechtbank afwijzen als zijnde onvoldoende onderbouwd. Andersluidende berekeningen van het saldo van afdrachten met bewijsstukken en andersluidende betalingsbewijzen van de zijde van gedaagden ontbreken. Dit deel van de vorderingen zal de rechtbank dan ook toewijzen zoals hierna onder de beslissingen volgt.

4.11 De vorderingen van laatstelijk 18 juli 2007 die zien op de periode vanaf 1 juli 2007 zijn eveneens toewijsbaar inclusief (eventuele) rente zoals gevorderd. Gedaagden behoren tot maandelijks richtsnoer te nemen de laatstelijk geldende beschikkingen VTLI van de rechter-commissaris in faillissement. In de gegeven omstandigheden heeft de curator jegens gedaagden ter controle ook recht op en belang bij de vorderingen tot tijdige verstrekking van afschriften van de loonstroken vanaf 1 juli 2007, op de redelijke termijn en op straffe van een passende dwangsom zoals de rechtbank hierna onder de beslissingen zal bepalen.

4.12 In de gegeven omstandigheden van dit geval en mede gelet op de inhoud van het geproduceerde pakket correspondentie buiten rechte, oordeelt de rechtbank ook de vordering van € 768,- aan buitengerechtelijke kosten met rente toewijsbaar. De rechtbank zal gedaagden als de in relevante mate in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van de curator, die de rechtbank alles afwegende en anders dan gedaagden betogen niet als onredelijk of nodeloos veroorzaakt kan kwalificeren. De rechtbank begroot die toe te wijzen proceskosten op € 71,32 plus € 60,39 aan kosten deurwaarderexploten, € 915,- aan griffierecht en 4 x € 452,- aan salaris procureur, dat is in totaal € 2.854,71. In het incidenteel vonnis zijn gedaagden al veroordeeld in de kosten van het verwijzingsincident.

5. De beslissingen

De rechtbank:

- veroordeelt gedaagden hoofdelijk om voor de periode van 1 november 2005 tot 1 juli 2007 aan de curator nog na te betalen de per 1 juli 2007 achterstallige bedragen van € 1.849,82 netto in het faillissement van [failliet 1] plus € 989,43 netto in het faillissement van [failliet 2] plus € 3.285,47 netto in het faillissement van [failliet 3], vermeerderd met de per 1 juli 2007 verstreken samengestelde wettelijke rente van in totaal € 565,84, al die bedragen op hun beurt weer vermeerderd met de eventuele wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2007 tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt gedaagden hoofdelijk om voor de periode vanaf 1 juli 2007 tot de dag dat de onderhavige faillissementen van of de arbeidsovereenkomsten met de onderhavige drie heren [B.] zijn geëindigd (maandelijks tijdig) te betalen aan de curator al hetgeen gedaagde Budget Retail BV uit hoofde van de onderhavige arbeidsovereenkomsten met de faillieten [failliet 1], [failliet 2] en [failliet 3] op maandbasis meer verschuldigd is dan de laatstelijk door de rechter-commissaris bij beschikkingen ex art. 21 lid 2 Fw vastgestelde netto maandbedragen als Vrij Te Laten Inkomen (VTLI) per faillissement, bij niet tijdige betaling vermeerderd met de eventuele wettelijke rente daarover vanaf de dag volgend op de kalendermaand waarop de betaling ziet tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt gedaagden hoofdelijk om aan de curator afschrift te verstrekken van alle loonstroken van de failliete drie heren [B.] op basis van alle betalingen die uit hoofde van de arbeidsovereenkomsten vanaf 1 juli 2007 met de drie werknemers [B.] zijn of zullen worden gedaan zolang deze werknemers in dienst zijn van één van gedaagden en in staat van faillissement verkeren, zulks binnen 8 dagen na betekening van dit vonnis met betrekking tot de loonstroken die zien op de periode van 1 juli 2007 tot en met februari 2008 en voorts telkens binnen 8 dagen na afloop van elke kalendermaand vanaf maart 2008, alles op straffe van een dwangsom van € 5,- per failliet voor iedere dag dat gedaagden onverhoopt niet binnen 8 dagen na betekening van dit vonnis aan deze veroordeling tot tijdige afgifte van afschriften van loonstroken zouden voldoen;

- bepaalt dat voormelde dwangsommen vatbaar zijn voor rechterlijke matiging en maximering door de rechtbank in onverhoopte executiegeschillen na dit vonnis;

- veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling aan de curator van € 768,- aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag der dagvaarding (20 februari 2006) tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling aan de curator van € 2.854,71 aan proceskosten, zoals begroot in rov. 4.12;

- verklaart dit vonnis tot zover zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst al het door de curator meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wien en uitgesproken ter openbare zitting in het bijzijn van de griffier op 20 februari 2008