Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD9893

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-07-2008
Datum publicatie
12-08-2008
Zaaknummer
311282 / KG ZA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Raamovereenkomst n.a.v. aanbesteding ingevolge Wmo. In casu geen onvoorziene omstandigheden die ertoe nopen dat gemeente Leiden in afwijking van wat partijen in de raamovereenkomst zijn overeengekomen, aan eiseres vergoedingen danwel compensatie dient te betalen. Vorderingen afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet maatschappelijke ondersteuning
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 258
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAAN 2008/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 9 juli 2008,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 311282 / KG ZA

08/616 van:

de stichting Stichting Activite,

gevestigd te Leiderdorp,

eiseres,

procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

advocaat mr. P.F.C. Heemskerk te Utrecht,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Leiden,

gevestigd en kantoorhoudende te Leiden,

gedaagde,

procureur mr. R. S. Meijer,

advocaat mr. M. Straatman te Rotterdam.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 25 juni 2008 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Gedaagde heeft, samen met de gemeenten Alkemade, Leiderdorp, Oegstgeest, Zoeterwoude en Voorschoten op 1 juni 2006 een aankondiging geplaatst voor de aanbesteding van raamcontracten ten behoeve van de afname van "Hulp bij het huishouden". De aanbestedingsprocedure heeft plaatsgevonden in verband met de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) die op 1 januari 2007 in werking is getreden.

1.2. Met de invoering van de Wmo worden zorgtaken betreffende de huishoudelijke verzorging waarvoor een medische reden aanwezig is, niet langer gefinancierd uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Ingevolge de Wmo zijn de gemeenten verantwoordelijk voor onder meer de huishoudelijke verzorging. In plaats van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) indiceren de gemeenten sedert 1 januari 2007 voor mensen met een beperking die hulp behoeven, voor welke categorie dienstverlening zij in aanmerking komen. Daarnaast is ingevolge de Wmo het ook de taak van de gemeenten dat de zorgvragers de betreffende zorg ontvangen van een zorgaanbieder. Dit was voorheen de taak van regionale zorgkantoren.

1.3. In het beschrijvend document d.d. 24 juli 2006 bij voormelde aanbesteding, waarbij gedaagde heeft beoogd om meerdere zorgverleners te contracteren voor het bieden van hulp bij het huishouden, is deze hulp in de hierna genoemde vier categorieën opgedeeld:

Categorie 1: Huishoudelijke werkzaamheden, bijvoorbeeld stof afnemen, afwassen, opruimen, ramen zemen en sanitair schoonmaken.

Categorie 2: Categorie 1 aangevuld met was of kleding opbergen, bed opmaken en het verzorgen van planten en huisdieren.

Categorie 3: Categorie 2 aangevuld met activiteiten behorende bij de organisatie van het huishouden, bijvoorbeeld helpen bij het bereiden van de maaltijd, opvoedingsactiviteiten, administratieve werkzaamheden en het plannen en beheren van middelen met betrekking tot het huishouden.

Categorie 4: Categorie 2 aangevuld met activiteiten behorende bij een situatie van een ontregelde huishouding, bijvoorbeeld instrueren over het omgaan met hulpmiddelen, textielverzorging, omgaan met het budget of begeleiding bij opvoeding. Mogelijkerwijs worden in deze categorie tevens activiteiten uit categorie 3 uitgevoerd.

1.4. In Bijlage 5, gehecht aan het beschrijvend document, heeft gedaagde voor de uitvoering van de huishoudelijke hulp voor de hierboven vermelde vier categorieën drie functieprofielen opgesteld. Deze luiden als volgt:

Huishoudelijk verzorgende 1 (categorie 1)

Taken:

Huishoudelijke werkzaamheden zoals stof afnemen, afwassen, opruimen, ramen zemen en sanitair schoonmaken.

Functievereisten:

Dit personeel heeft geen specifieke vooropleiding nodig. Praktische kennis, ervaring met huishoudelijke werkzaamheden en communicatieve vaardigheden zijn wel van belang.

Huishoudelijk verzorgende 2 (categorie 2 + 3)

Taken:

Sommige mensen hebben hulp nodig bij het organiseren van het huishouden. De bij 'huishoudelijke verzorgende 1' genoemde activiteiten worden hierdoor uitgebreid met één of meerdere van de volgende activiteiten: het helpen bij het bereiden van de maaltijd, opvoedingsactiviteiten, was doen en opbergen, bed opmaken, verzorgen van planten en huisdieren, administratieve werkzaamheden en het plannen en beheren van middelen met betrekking tot het huishouden.

Functievereisten:

Diploma helpende, kwalificatieniveau 2 (welzijn en zorg), OVDB-certificaat verzorgingshulp B of het diploma helpende OVDB (2 jaar). Basale kennis van en ervaring met lichamelijke verzorging en huishoudelijke taken.

Huishoudelijk verzorgende 3 (categorie 4)

Taken:

Bij een deel van de mensen met huishoudelijke verzorging is sprake van een ontregelde huishouding. De activiteiten zoals genoemd bij 'huishoudelijke verzorgende 2' worden hierdoor uitgebreid met één of meerdere van de volgende activiteiten: het geven van instructies over het omgaan met hulpmiddelen, textielverzorging, omgaan met het budget of begeleiding bij opvoeding.

Functievereisten:

Hetzelfde als bij verzorgende 2, maar aangevuld met basale kennis van en ervaring met lichamelijke verzorging zijn vereist alsmede kennis en ervaring op het gebied van opvoedkunde. Kennis van en ervaring met cliënten met een psychiatrisch ziektebeeld en basale kennis van de sociale kaart zijn vereist.

1.5. In de Nota van Inlichtingen (NvI) behorende bij het beschrijvend document zijn onder meer vragen gesteld over de door gedaagde gehanteerde categorieën, met name in relatie tot de categorieën die in de AWBZ werden gehanteerd. De daarbij gebruikte afkorting HV staat voor Huishoudelijk verzorgende, het CAK is het Centraal Administratie Kantoor Bijzondere Ziektekosten. Zo luiden vraag 11 en bijbehorend antwoord als volgt:

"....." In de huidige thuiszorg kennen we de zogenaamde alphahulp. De alphahulp heeft thans een werknemersrelatie met de cliënt. De zorgorganisatie betaalt op basis van de urenregistratie de cliënt het salaris van de alphahulp, die dit salaris van de cliënt krijgt uitbetaald. Op basis van de urenregistratie en de inkomensgegevens van cliënt, ontvangt deze een eigen bijdrage nota van het CAK. De zorgorganisatie ontvangt van de AWBZ, via het CAK, een bedrag bestaande uit het aantal productie-uren x tarief. Vraag: is deze constructie mogelijk onder de WMO? Wordt dit gezien als verstrekking in natura, zoals thans?

Antwoord

Doel van de Europese aanbesteding is het inkopen van zorg zoals geformuleerd in het beschrijvend document op een zo efficiënt mogelijke wijze. Deze zorg krijgt de cliënt indien deze na de indicatiestelling kiest voor zorg in natura. De cliënt kiest hierbij niet voor het nemen van additionele activiteiten behorende bij bijvoorbeeld een werkgeversrol.

1.6. Vraag 12 in de NvI en bijbehorend antwoord van gedaagde luiden als volgt:

"...." De categorieën 1 en 2 lijken overeen te komen met uren HV1 en de categorieën 3 en 4 met de uren HV2.

a. Klopt deze veronderstelling?

b. Zo ja, op grond waarvan heeft de onderverdeling van HV1 in categorie 1 en 2 en HV2 in categorie 3 en 4 plaatsgevonden?

c. Zo nee, hoe is dan de verdeling tot stand gekomen?

Antwoord

a. Ja.

b. Die onderverdeling heeft plaatsgevonden op basis van een thans geldende algemene verhouding van 20 en 80%.

1.7. Vraag 41 in de NvI heeft betrekking op de functieprofielen huishoudelijk verzorgende, aangeduid als HV1, HV2 en HV3, en luidt als volgt:

De hulp bij het huishouden heeft u in vier categorieën verdeeld, naast de functiebeschrijvingen die wij van u hebben ontvangen is onze vraag:

Klopt het dat categorie 1 en categorie 2 uitgevoerd wordt door functiebeschrijving huishoudelijke verzorgende 1 (alphahulp)? Of wordt ook inzet van huishoudelijk verzorgende 2 verwacht in deze categorieën?

Antwoord

Voor categorie 1 wordt HV1 gevraagd, voor categorie 2 en 3 HV2 en voor categorie 4 HV3.

1.8. Eiseres, althans haar rechtsvoorgangster Stichting Thuiszorg Groot Rijnland, heeft tijdig ingeschreven op de aanbesteding van gedaagde. De door eiseres geoffreerde uurtarieven voor de verschillende categorieën bedroegen € 15,50 (categorie 1), € 16,50 (categorie 2),

€ 20,90 (categorie 3) en € 21,90 (categorie 4). Naar aanleiding van de offerte van eiseres heeft gedaagde op 27 september 2006 aan eiseres -evenals aan een aantal andere inschrijvers- een mededeling van gunning gedaan en hebben partijen met elkaar een raamovereenkomst (hierna ook: de overeenkomst) gesloten.

1.9. Naar aanleiding van door eiseres geconstateerde knelpunten met betrekking tot het nakomen van de overeenkomst, hebben partijen met elkaar en met de hiervoor onder 1.1 genoemde gemeenten alsmede met alle andere gecontracteerde zorgaanbieders in februari 2008 een gesprek gehad over de ontstane problemen.

1.10. Een door gedaagde en de andere gemeenten in maart 2008 gedaan voorwaardelijk aanbod om tegemoet te komen aan de door de verschillende zorgverleners aangegeven knelpunten, is door eiseres niet geaccepteerd.

1.11. Bij brief van 7 april 2008 heeft de advocaat van eiseres gedaagde gevraagd om met haar in overleg te treden over de problemen. Daarbij heeft zij gerefereerd aan een recente uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 3 april 2008 in een door een zorgaanbieder tegen de gemeente Hoorn aanhangig gemaakt kort geding. In dat vonnis is -kort gezegd- geoordeeld dat ten gevolge van herindicaties grote verschuivingen optreden in de verhouding HV1/HV2 en dat zulks een onvoorziene omstandigheid is in de zin van artikel 6:258 BW die van dien aard is dat de gemeente naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. Eiseres vordert -zakelijk weergegeven-

primair:

a. te bepalen dat gedaagde over de maanden januari 2008 tot en met augustus 2008 het verschil tussen het tarief behorend bij categorie 1 respectievelijk 2 en bij categorie 3 respectievelijk categorie 4 vergoedt, voor zover het aantal categorie 1 / 2 uren hoger is dan op grond van hetgeen in de aanbestedingsleidraad was vermeld, mocht worden verwacht;

b. gedaagde te verplichten om aan eiseres een compensatie te voldoen in verband met de gewijzigde CAO Thuiszorg, bestaande uit een opslag van 7,34% over de door eiseres aangeboden tarieven voor de vier categorieën thuiszorg zoals beschreven in de overeenkomst over zowel de jaren 2007 als 2008;

subsidiair:

c. gedaagde te veroordelen om in redelijk overleg met eiseres tot aanpassing van de overeenkomst te komen die recht doet aan de sterk gewijzigde herindicaties en daarmee de verhouding tussen categorie 1 / 2 respectievelijk 3 / 4 en de stijging van loonkosten in verband met de CAO Thuiszorg over 2007 en 2008;

meer subsidiair:

d. een naar redelijkheid te treffen maatregel vast te stellen die recht doet aan de sterk gewijzigde herindicaties en daarmee de verhouding tussen HV 1 / 2 en de stijging van loonkosten in verband met de CAO Thuiszorg.

2.2. Daartoe voert eiseres onder meer het volgende aan.

Vrijwel onmiddellijk na de invoering van de Wmo zijn grote problemen ontstaan omdat nieuw te indiceren zorgvragers en reeds geïndiceerde zorgvragers jonger dan 75 jaar door gedaagde anders geïndiceerd bleken te zijn dan het CIZ tot dat moment had gedaan. De beleidsregels, op basis waarvan destijds werd gekozen voor kwalitatief hoogstaande zorg, zijn inmiddels vervallen. Niet langer wordt zorg toegekend op basis van situationele omstandigheden, los van een budgettair kader. Directe consequentie was dat in deze nieuwe indicaties de verhouding tussen HV1/HV2 niet langer 20%-80% was, maar al ras tendeerde naar 80%-20%. Mede gelet op de aanbestedingsdocumentatie kwam dit voor eiseres geheel onverwacht. Na ommekomst van het overgangsjaar 2007 bleken de problemen vanwege (her)indicatie van alle Wmo gerechtigden nog groter te zijn geworden. In dit verband is wrang dat gedaagde juist de 75-plussers en chronisch zieken bij de grootschalige herindicaties betrekt nu zij eerder nog uitdrukkelijk had toegezegd die groep met rust te laten. Het personeelsbestand van eiseres sluit door de wijzigingen niet langer aan op de te verlenen zorg. Er dreigen ontslagen voor personeel en tegelijkertijd is er een voortdurend tekort aan laagste functieniveau huishoudelijke hulpen die op grote schaal geworven dienen te worden. Omdat de gewijzigde omstandigheden volledig zijn veroorzaakt door gedaagde, dienen de gevolgen van de onvoorziene omstandigheden niet voor rekening van eiseres te blijven. Daar komt bij dat gedaagde specifiek ten aanzien van de Wmo over 2007 kennelijk (van de rijksoverheid) een bedrag van € 1.055.000,-- heeft ontvangen met het oog op te maken kosten. Voorts is eiseres geconfronteerd met een onverwacht hoge verplichte CAO loonstijging van in totaal 7,34% over 2007 en 2008. Het handhaven van het niet vergoeden van de CAO stijging is in het licht van de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Omdat de positie van het personeel in het geding is en daarenboven de continuïteit in de dienstverlening in gevaar, heeft eiseres een spoedeisend belang bij haar vordering.

2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Gedaagde heeft allereerst aangevoerd dat eiseres geen spoedeisend belang bij haar vordering heeft omdat het een geldvordering betreft waarvoor geldt dat er bij eiseres van een financiële noodsituatie geen sprake is. Geoordeeld wordt echter dat de vordering van eiseres in wezen een geschil tussen partijen betreft over de vraag of de raamovereenkomst tussen partijen aanpassing behoeft. Daarmee is een verderstrekkend belang gemoeid dan het toekennen van een vergoeding dan wel van een compensatie en is aannemelijk dat er sprake is van een zeker spoedeisend belang van eiseres om op korte termijn te weten waar gedaagde, naar voorlopig oordeel, al dan niet toe gehouden is.

3.2. Gedaagde heeft voorts onder meer als verweer aangevoerd dat de verschuiving van uren huishoudelijke hulp van de categorieën 3 en 4 naar de categorieën 1 en 2 minder ingrijpend is dan eiseres doet voorkomen en dat die verschuiving voor een aanzienlijk deel wordt verklaard door de optimistische indeling van cliënten en uren die eiseres maakt. Bovendien meent gedaagde dat de verschuiving niet wordt veroorzaakt door gewijzigde indicatiestelling of indicatiebeleid van gedaagde, maar enkel door de juiste handhaving van de indicatiebesluiten. Volgens gedaagde miskent eiseres dat voor categorie 2 en 3 een identiek functieprofiel van toepassing is, zijn de door eiseres geoffreerde uurtarieven niet uitzonderlijk laag en wist of althans behoorde zij te weten dat loonkosten elk jaar stijgen. In de visie van gedaagde heeft zij geen enkele toezegging of garantie gegeven met betrekking tot de hoeveelheden uren huishoudelijke hulp dan wel de onderverdeling daarvan over de categorieën.

3.3. De vraag die partijen in de kern verdeeld houdt is of er in deze zaak sprake is van onvoorziene omstandigheden die ertoe nopen dat gedaagde, in afwijking van wat partijen in de raamovereenkomst met elkaar overeen zijn gekomen, vergoedingen en compensaties aan eiseres dient te betalen althans dat gedaagde dient te overleggen met eiseres met als doel aanpassing van de overeenkomst.

3.4. Wat opvalt in de standpunten van partijen is dat gedaagde onderscheid maakt in enerzijds geïndiceerde zorg en anderzijds zorg die geleverd werd en wordt en dat eiseres dat onderscheid niet zo maakt. Naar stelling van eiseres was de situatie vóór de invoering van de Wmo per 1 januari 2007 dat het CIZ slechts indiceerde of iemand voor huishoudelijke verzorging in aanmerking kwam, en dat vervolgens de zorgaanbieder en de zorgvrager gezamenlijk op grond van de beleidsregels voor zorgtoewijzing beslisten of een burger HV1 of HV2 kreeg toebedeeld. Volgens eiseres gelden deze beleidsregels thans niet meer. Gedaagde heeft één en ander betwist en aangevoerd dat zij het beleid of de uitvoering van het beleid met betrekking tot de indicatiestellingen niet heeft gewijzigd. Naar zeggen van gedaagde hanteert zij exact dezelfde indicatieprotocollen zoals gebruikt door het CIZ vóór 1 januari 2007. Daarbij heeft gedaagde onweersproken gewezen op het besluit van het College van B&W van gedaagde van 11 december 2006 met betrekking tot het Protocol Gebruikelijke Zorg en Indicatiestelling. Hierin staat vermeld dat de bestaande richtlijnen en kaders voor het behandelen van aanvragen voor deze voorzieningen worden aangehouden alsmede dat voor de voorziening hulp bij het huishouden de betreffende protocollen van het CIZ van toepassing zijn. Daaraan heeft gedaagde toegevoegd dat zij in geval van twijfel met betrekking tot indicatie advies vraagt aan het CIZ. Eiseres heeft dit laatste niet betwist.

3.5. Gedaagde heeft ter onderbouwing van haar stelling ten aanzien van de niet gewijzigde indicatiestelling ten eerste gerefereerd aan het onderzoeksrapport "Evaluatie invoering Wmo Leiden" van 8 februari 2008 dat door de Wmo Adviesgroep in opdracht van de gemeente is opgesteld. In dit rapport staat onder meer vermeld dat in 2006 landelijk gezien de verhouding van ingezette hulp HV1:HV2 op 30%:70% lag, terwijl de verhouding HV1:HV2 wat betreft de indicaties in 2006 85%:15% was. In het rapport wordt als verklaring hiervoor vermeld dat binnen de AWBZ de aanbieders binnen een bepaalde bandbreedte zwaardere/duurdere hulp konden inzetten dan volgens de indicatie nodig was. Volgens het rapport is er in de indicatiestelling geen verschuiving opgetreden. Ten tweede heeft gedaagde in dit verband gewezen op de eerste voortgangsrapportage Wmo d.d. 12 april 2007 van staatssecretaris Bussemaker waarin zij, op basis van de bevindingen van een onderzoeksbureau dat in haar opdracht onderzoek heeft verricht naar de aanbestedingen van hulp bij het huishouden (HH), concludeert dat er geen noemenswaardige verschillen zijn in de huidige indicatiepraktijk met die van vorig jaar. Daarbij wordt opgemerkt dat de beslisboom, die door het CIZ is ontwikkeld en door gemeenten is gebruikt bij de indicatiestelling, een uitsplitsing geeft ten aanzien van HH1 en HH2 (respectievelijk te vergelijken met HV1 en HV2) en dat zowel vóór als na 1 januari 2007 de verhouding voor HH1 ten opzichte van HH2 85% is ten opzichte van 15%.

3.6. Gelet op het verweer van gedaagde dat de oorzaak van de door eiseres gesignaleerde verschuiving niet gelegen is in een gewijzigd beleid met betrekking tot de indicatiestelling, heeft eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een gewijzigde indicatiestelling tot de door haar gestelde problemen heeft geleid. Tegenover de stelling van eiseres dat het CIZ voorheen niet splitste in HV1 dan wel HV2 heeft gedaagde aangevoerd dat in het indicatiebesluit van het CIZ wel werd aangegeven welke activiteiten dienden te worden verricht. Daarbij heeft gedaagde onder meer gewezen op door eiseres, conform afspraak, na de zitting overgelegde producties waaruit blijkt dat het CIZ vanaf circa 2005 twee rubrieken van werkzaamheden onderscheidde waarin enerzijds huishoudelijke werkzaamheden en anderzijds organisatie van de huishouding waren opgenomen die gekwalificeerd konden worden als HV1 en HV2. Daarbij vielen relatief eenvoudige huishoudelijke werkzaamheden in de rubriek activiteiten 1.0. In dat verband heeft gedaagde gewezen op een door het CIZ gehanteerde leeswijzer waarin staat vermeld dat de prestatie HV1 het meest passend is indien de functie HV is geïndiceerd en in aanvullende zin duidelijk is dat de inhoud van HV is gericht op activiteiten 1.0. Daarbij is mede van belang dat ook de staatssecretaris in de eerste voortgangsrapportage er gewag van maakt dat het CIZ in 2006 alleen indiceerde in activiteiten en niet in het onderscheid HH1 en HH2, maar dat op grond daarvan wel een vertaling kan worden gemaakt naar HH1, HH2 en HH3. In deze voortgangsrapportage wordt er ook melding van gemaakt dat zorgaanbieders voorheen op basis van het indicatiebesluit van het CIZ zelf konden bezien welke hulp (HV1, HV2 of HV3) zij noodzakelijk achtten bij de betrokken cliënt, maar dat in de huidige situatie het indicatiebesluit leidend is voor de inzet van een bepaalde vorm van hulp bij het huishouden. Eiseres heeft één en ander niet kunnen weerleggen.

3.7. Uit het voorgaande wordt naar voorlopig oordeel geconcludeerd dat niet aannemelijk is geworden dat er in deze zaak sprake is van onvoorziene omstandigheden veroorzaakt door een verschuiving in de indicatiestelling op grond waarvan gedaagde gehouden is tot het betalen van een vergoeding aan eiseres. Dat ten gevolge van de invoering van de Wmo de vrijheid van de zorgaanbieder om de CIZ-indicatie in te vullen op basis van eigen afwegingsregels is ingeperkt, kan eiseres niet aan gedaagde tegenwerpen. Dit geldt eveneens voor de omstandigheid dat gedaagde ingevolge de Wmo bij haar handhavingsbeleid het indicatiebesluit leidend laat zijn voor de inzet van een bepaalde vorm van hulp bij het huishouden. Het door eiseres in het geding gebrachte vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 3 april 2008, kan eiseres niet baten. Gedaagde heeft er terecht op gewezen dat de situatie in die zaak niet vergelijkbaar is met de onderhavige.

3.8. De vraag is vervolgens of gedaagde in de aanbestedingsstukken verwachtingen heeft gewekt op grond waarvan eiseres gerechtvaardigd mocht menen dat zij evenals vóór 1 januari 2007 op basis van eigen afwegingsregels hoger gekwalificeerde hulp kon inzetten dan waartoe strikt genomen was geïndiceerd. In dat verband heeft eiseres gewezen op vraag 12 in de NvI, zoals hiervoor vermeld onder 1.6. Eiseres kan worden toegegeven dat de wijze waarop gedaagde deze vraag heeft beantwoord ruimte laat voor de veronderstelling dat een willekeurige inschrijver mocht menen dat gedaagde in het voetspoor van de AWBZ zou doorgaan met het inzetten van hoger gekwalificeerd personeel dan vanuit de indicatiestelling bezien noodzakelijk is. Geoordeeld wordt dan ook dat het beter ware geweest indien gedaagde bij de beantwoording van deze vraag niet meegegaan was in de door de vraagsteller gehanteerde vergelijking. Dit laat evenwel onverlet dat eiseres, althans haar rechtsvoorgangster, geen willekeurige inschrijver was. Gedaagde heeft er onweersproken op gewezen dat eiseres een groot marktaandeel heeft op het gebied van verlening van thuiszorg in de gemeente Leiden. Daarom wist zij, althans had zij kunnen weten of verwachten dat ingevolge de Wmo gedaagde conform de indicatiestelling de bijbehorende middelen zou verstrekken en dat niet zonder meer verwacht mocht worden, behoudens de geldende overgangsregelingen, dat gedaagde de indicatiestelling niet zou handhaven. Daarbij komt dat er geen misverstand kon zijn over de door gedaagde gestelde functievereisten voor de taken van HV2 (categorie 2 en 3), zoals hiervoor vermeld onder 1.4. Op dit punt heeft gedaagde erop gewezen dat een andere inschrijver voor deze beide categorieën een zelfde prijs heeft geoffreerd. Dat eiseres om haar moverende redenen ervoor heeft gekozen om voor deze betreffende categorieën twee verschillende prijzen met een verschil van € 4,40 te offreren, is haar verantwoordelijkheid en kan niet zonder meer ten nadele van gedaagde strekken. Ook had eiseres uit de beantwoording van de vragen 11 en 41 in de NvI, zoals hiervoor respectievelijk vermeld onder 1.5 en 1.7, over het inzetten van de zogenaamde alphahulp kunnen opmaken dat zij haar werkwijze uit de AWBZ onder de Wmo niet zou kunnen continueren. Conclusie uit het voorgaande is dat eiseres er niet op mocht vertrouwen dat de toekenning van thuiszorg, voor zover uitgaand boven de indicatie van het CIZ, ook na 1 januari 2007 gehandhaafd kon worden. Dat de toekenning na die datum anders is verlopen en wel in die zin dat de indicatieregels van het CIZ strikt gevolgd zouden worden, valt binnen de kaders van eiseresses (ondernemers)risico.

3.9. Ten slotte wordt geoordeeld dat de loonsverhoging waarmee eiseres tengevolge van de geldende CAO te maken heeft gekregen geen omstandigheid is die zij niet had kunnen voorzien. Dat de percentages buitensporig hoog zouden zijn is, gelet op de overzichten die gedaagde in dit verband van de laatste jaren heeft overgelegd, voorshands niet gebleken.

3.10. Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat gedaagde niet gehouden is tot het betalen van een vergoeding of van compensatie aan eiseres of dat zij verplicht dient te worden tot het voeren van overleg met eiseres om tot aanpassing van de overeenkomst te komen. De vordering van eiseres zal daarom worden afgewezen. Eiseres zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt eiseres in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.070,--, waarvan € 816,-- aan salaris procureur en € 254,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2008