Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD9856

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-07-2008
Datum publicatie
12-08-2008
Zaaknummer
AWB 07/4532 OCT95
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BI8458
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

RIJKSOCTROOIWET 1995, BESLUITBEGRIP.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

derde afdeling, meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 07/4532 OCT95

UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiseres], gevestigd te [plaats],

en

Octrooicentrum Nederland, verweerder.

I Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 2 april 2007 heeft verweerder geweigerd eiseres een gratis nieuwheidsrapport te verstrekken.

Bij besluit van 11 mei 2007 heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 20 juni 2007 beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 15 juli 2008 ter zitting behandeld.

Eiseres is verschenen bij gemachtigde mr. G.L. Kooy, advocaat te Den Haag.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Witteman.

II Motivering

Ingevolge artikel VI van de Evaluatie 2006 Rijksoctrooiwet 1995 (Stb. 2007, nummer 479), in werking getreden op 5 juni 2008, moet dit geschil worden beslist aan de hand van de bepalingen van de Rijksoctrooiwet 1995 (Row), zoals deze vóór deze datum luidden.

Ingevolge artikel 32, tweede lid, van de Row, voor zover hier van belang, kan de aanvrager van een octrooi het bureau verzoeken om een aan de verlening van het octrooi voorafgaand onderzoek naar de stand van de techniek (nieuwheidsonderzoek) met betrekking tot het onderwerp van de octrooiaanvrage.

Het derde lid bepaalt dat het verzoek vergezeld gaat van een bewijsstuk waaruit blijkt, dat aan het bureau een bedrag is betaald overeenkomstig een bij algemene maatregel van rijksbestuur vastgesteld tarief. Indien dit bewijsstuk niet binnen dertien maanden na indiening van de aanvrage is overgelegd, wordt het verzoek niet in behandeling genomen.

Uit artikel 33, eerste lid, van de Row volgt dat, indien geen verzoek tot het uitvoeren van een onderzoek naar de stand van de techniek is gedaan, het bureau het octrooi verleent zodra de octrooiaanvrage in het octrooiregister is ingeschreven.

In het vijfde lid is bepaald dat een ingevolge dit artikel verleend octrooi een geldigheidsduur heeft van zes jaren.

Uit artikel 36, eerste lid, van de Row volgt dat het octrooi na een onderzoek naar de stand der techniek wordt verleend zodra de octrooiaanvrage in het octrooiregister is ingeschreven, doch niet eerder dan twee of vier maanden dan na verzending van de in artikel 34, vierde lid, bedoelde mededeling betreffende het resultaat van het onderzoek naar de stand van de techniek.

In het vijfde lid is bepaald dat het ingevolge dit artikel verleende octrooi een geldigheidsduur heeft van twintig jaren.

In artikel 6, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Rijksoctrooiwet 1995 (Uitvoeringsbesluit), zoals dit vóór 5 juni 2008 luidde, is het bedrag dat moet worden betaald voor een onderzoek naar de stand van de techniek, niet zijnde een nieuwheidsonderzoek van het internationale type: € 340,-.

Het vijfde lid bepaalt dat dit bedrag niet behoeft te worden betaald voor een verzoekschrift tot het instellen van een onderzoek naar de stand van de techniek, indien bij het verzoekschrift het resultaat wordt overgelegd van een reeds eerder door het bureau op een overeenkomstige octrooiaanvrage ingesteld overeenkomstig onderzoek naar de stand van de techniek.

Eiseres heeft op 18 augustus 2006 de Nederlandse octrooiaanvrage 1032347 ingediend als afgesplitst gedeelte van de Nederlandse octrooiaanvrage 1028457, ingediend op 3 maart 2005. Eiseres heeft verzocht om een onderzoek naar de stand van de techniek met toepassing van artikel 6, vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit, onder overlegging van het rapport van het onderzoek naar de stand van de techniek dat was uitgevoerd voor aanvraag 1028457.

Verweerder heeft dit rapport niet aanvaard als het resultaat van een op een overeenkomstige aanvrage ingesteld overeenkomstig nieuwheidsonderzoek. Dit heeft ertoe geleid dat aan eiseres is medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een gratis nieuwheidsonderzoek met toepassing van artikel 6, vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit, dat de taks alsnog moet worden betaald indien eiseres wenst dat een nieuwheidsonderzoek wordt verricht en dat, indien de betaling niet tijdig is ontvangen, een octrooi met een geldigheidsduur van zes jaren zal worden verleend.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het hier gaat om de mededeling van feitelijke aard en niet om een besluit in de zin van de Awb.

Het rechtsgevolg van verlening van een octrooi met een geldigheidsduur van zes jaar treedt niet in door de mededeling zelf maar is afhankelijk van de keuze van eiseres, de taks al dan niet te betalen, aldus verweerder.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

De rechtbank stelt vast dat de brief van 11 april 2007 het oordeel bevat dat de aanvraag niet voldoet aan de voorwaarde voor toepassing van artikel 6, vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit. Dit is een beslissing van het bestuursorgaan.

Verweerder heeft geweigerd eiseres vrij te stellen van betaling. Het gevolg daarvan is dat eiseres haar doel, het verkrijgen van een octrooi voor twintig jaar, alleen kan bereiken door betaling van het bedrag van artikel 6, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit. De betalingsverplichting is een aan de beslissing verbonden rechtsgevolg.

Dat eiseres ervoor kan kiezen de taks niet te betalen en de geweigerde vrijstelling aan te vechten door bezwaar te maken tegen het besluit tot verlening van een octrooi met een geldigheidsduur van zes jaar, doet daar niet aan af. Juist omdat niet aannemelijk is dat deze keuze wordt gemaakt en omdat eiseres er geen belang bij heeft een rechtsmiddel aan te wenden tegen een -na betaling en daarop volgend onderzoek- verleend octrooi met een geldigheidsduur van twintig jaar, is bezwaar en beroep tegen de mededeling tot weigering van vrijstelling de aangewezen mogelijkheid om die weigering in rechte te betwisten.

De weigering vrijstelling van betaling te verlenen is niet gelijk te stellen met het bieden van de mogelijkheid tot herstel van een verzuim als bedoeld in artikel 4:5 van de Awb, omdat het niet gaat om de voldoening aan een louter formeel vereiste en omdat met de weigering een financieel belang is gemoeid, zij het van geringe omvang.

Verweerder heeft het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De vraag of de toepassing van artikel 6, vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit terecht is geweigerd moet alsnog inhoudelijk worden beoordeeld. Het beroep is gegrond.

Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van eiseres. Deze kosten worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht gesteld op € 644,- (indienen van een beroepschrift en verschijnen ter zitting, elk 1 punt, voor een zaak van gemiddeld gewicht).

III Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 11 mei 2007;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt Octrooicentrum Nederland in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,-;

bepaalt dat Octrooicentrum Nederland het door eiseres betaalde griffierecht, te weten

€ 285,-, vergoedt.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. C.C. Dedel-van Walbeek, mr. C.C. de Rijke-Maas en mr. P.W. van Straalen en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2008, in tegenwoordigheid van de griffier mr. B.M. van der Meide.