Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD9842

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-08-2008
Datum publicatie
12-08-2008
Zaaknummer
AWB 08/25799
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep Chinese vreemdeling gegrond en de onmiddellijke op heffing van zijn bewaring bevolen

Bij uitspraak van 11 augustus 2008 heeft de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, het beroep van een Chinese vreemdeling gegrond verklaard en de onmiddellijke opheffing van zijn bewaring bevolen. Deze rechtbank en nevenzittingsplaats is thans van oordeel dat zicht op uitzetting van eiser binnen een redelijke termijn ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 08/25799,

V-nummer: [v-nummer] ,

uitspraak van de meervoudige kamer

inzake

[eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. R.W. Koevoets, advocaat te Rotterdam,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigden: drs. I.C.M. van der Veen (zitting 1 augustus 2008) en mr. T. Nauta (zitting 8 augustus 2008), beiden werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Op 17 juli 2008 heeft eiser op grond van artikel 96 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) een beroepschrift ingediend tegen het voortduren van zijn bewaring nadat deze rechtbank, zitting houdende te Dordrecht, het beroep tegen het voortduren van de bewaring laatstelijk bij uitspraak van 24 juni 2008 ongegrond heeft verklaard.

1.2. De zaak is op 1 augustus 2008 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.

Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Voorts is ter zitting verschenen B. Farida-Fong, tolk Chinees.

Ter zitting van 1 augustus 2008 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

1.3. Bij beslissing van 4 augustus 2008 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, verweerder verzocht een aantal vragen te beantwoorden en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

1.4. Bij faxbericht van 5 augustus 2008 heeft verweerder de vragen van de rechtbank beantwoord.

1.5. Bij faxbericht van 6 augustus 2008 heeft eiser gereageerd op het faxbericht van 5 augustus 2008 van verweerder.

1.6. De zaak is op 8 augustus 2008 verder behandeld ter zitting van een meervoudige kamer.

Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Voorts is ter zitting verschenen Q.X. Zeng, tolk Chinees.

Ter zitting van 8 augustus 2008 heeft de rechtbank het onderzoek opnieuw gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank stelt voorop dat over de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring als zodanig reeds is beslist. Derhalve staat thans ter beoordeling of verdere voortzetting van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel, bij afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

2.2. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. In 2006 hebben de Chinese autoriteiten slechts twee tot drie procent van verweerders aanvragen om afgifte van een laissez-passer (hierna: lp) ingewilligd. Vanaf 2007 verstrekken de Chinese autoriteiten helemaal geen lp’s meer aan ongedocumenteerde Chinese vreemdelingen en in april 2007 hebben zij voor het laatst een lp verstrekt aan een gedocumenteerde Chinese vreemdeling. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat voor eiser, die niet over documenten beschikt, een lp zal worden verstrekt. Eiser heeft het redelijkerwijs mogelijke gedaan om aan documenten te komen. Bovendien is niet relevant of eiser aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan, omdat het overleggen van documenten niet zal leiden tot afgifte van een lp.

Verweerder erkent dat de Chinese autoriteiten geen lp’s afgeven en hij probeert hen langs diplomatieke weg tot een andere opstelling te brengen. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat deze pogingen op afzienbare termijn resultaat zullen hebben. Ter zitting van 28 juli 2008 van de nevenzittingsplaats Maastricht van deze rechtbank heeft verweerder desgevraagd meegedeeld dat hij na 9 mei 2008 geen contact meer heeft gehad met de Chinese autoriteiten. Wel heeft op 17 juli 2008 een interdepartementaal overleg plaatsgevonden, dat is afgesloten met de conclusie dat op een nader te bepalen datum verder overlegd moet worden. Het is nog niet duidelijk wanneer dit overleg zal plaatsvinden en nog minder duidelijk is wanneer verweerder opnieuw contact zal opnemen met de Chinese autoriteiten, laat staan dat er aanwijzingen zijn dat dit contact op korte termijn tot het door verweerder gewenste resultaat zal leiden.

De afgifte van paspoorten geschiedt op basis van de hukou-registratie en is zo ingericht dat het voor eiser onmogelijk is om vanuit de bewaring in Nederland met enige kans op succes een paspoort aan te vragen.

2.3. Verweerder voert aan dat zicht op uitzetting van ongedocumenteerde Chinese vreemdelingen volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling), waaronder de recente uitspraak van 28 juli 2008 in de zaak met procedurenummer 200804914/1, niet ontbreekt. Eiser heeft geen bijzondere, hem persoonlijk betreffende feiten of omstandigheden gesteld die aanleiding geven in zijn geval anders te oordelen. Op eiser rust de rechtsplicht Nederland te verlaten en zich actief in te spannen om documenten te verkrijgen die de afgifte van een lp kunnen bespoedigen. Eiser heeft niet, althans niet aantoonbaar, aan deze verplichting voldaan, terwijl evenmin is gebleken dat zulks niet van hem kan worden gevergd. Verweerder probeert de Chinese autoriteiten tot een andere opstelling te bewegen. Over deze inspanningen kunnen geen nadere mededelingen worden gedaan, omdat de kracht van diplomatie is gelegen in de stilte ervan. Als eiser vanuit de bewaring een nieuw paspoort wil aanvragen, zal verweerder hem daartoe in de gelegenheid stellen.

2.4. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep van eiser gegrond, omdat zicht op zijn uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

2.4.1. In de zaak met procedurenummer Awb 08/19354 heeft verweerder de nevenzittingsplaats Groningen van deze rechtbank meegedeeld dat hij in 2007 bijna 680 aanvragen om een lp heeft ingediend bij de Chinese autoriteiten en in 2008 tot begin juni ongeveer 270. Verweerder heeft in die procedure voorts meegedeeld dat de Chinese autoriteiten geen reactie hebben gegeven op in 2007 en 2008 ingediende aanvragen om een lp en dat zij in april 2007 voor het laatst een lp hebben verstrekt. Inmiddels is gebleken dat de Chinese autoriteiten ook in juni en juli 2008 geen lp’s hebben verstrekt.

In haar beslissing van 4 augustus 2008 tot heropening van het onderzoek heeft de rechtbank verweerder gevraagd of hij beschikt over aanwijzingen dat het verstrekken van de juiste persoonsgegevens dan wel documenten door een Chinese vreemdeling kan leiden tot afgifte van een lp door de Chinese autoriteiten. Verweerder heeft deze vraag bevestigend beantwoord en erop gewezen dat de Chinese autoriteiten in het verleden wel lp’s hebben verstrekt. Naar het oordeel van de rechtbank is niet de situatie in het verleden, maar de huidige situatie doorslaggevend bij het beantwoorden van de vraag of zicht op uitzetting van eiser binnen een redelijke termijn aanwezig kan worden geacht. Verweerder beschikt klaarblijkelijk niet over aanwijzingen dat het verstrekken van de juiste persoonsgegevens of documenten door eiser in de huidige situatie kan leiden tot afgifte van een lp.

De rechtbank heeft verweerder op 4 augustus 2008 voorts gevraagd of hij beschikt over aanwijzingen dat de Chinese autoriteiten zijn aanvragen om afgifte van een lp na ontvangst inhoudelijk beoordelen en daar een beslissing over nemen, welke vraag door verweerder ontkennend is beantwoord. Sinds april 2007 is het blijkbaar niet meer voorgekomen dat de Chinese autoriteiten een beslissing, positief dan wel negatief, hebben genomen op een aanvraag van verweerder om een lp. Dat de Chinese autoriteiten niet uitdrukkelijk kenbaar hebben gemaakt dat zij niet beslissen op aanvragen van verweerder, zoals verweerder heeft benadrukt, maakt dat niet anders. Eiser heeft ter zitting van 8 augustus 2008 onweersproken gesteld dat de Chinese autoriteiten helemaal niet reageren op aanvragen van verweerder.

Uit het voorafgaande volgt dat de Chinese autoriteiten in april 2007 voor het laatst een aanvraag van verweerder om een lp hebben ingewilligd en dat zij sindsdien geen enkele beslissing, positief dan wel negatief, meer hebben genomen op aanvragen van verweerder om een lp. Onder deze omstandigheden kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat zicht op uitzetting van eiser in de huidige situatie ontbreekt.

2.4.2. Verweerder heeft benadrukt dat op eiser de rechtsplicht rust om Nederland te verlaten en dat hij actief moet proberen om aan documenten te komen waarmee hij zijn identiteit kan staven. Dit standpunt van verweerder is op zichzelf juist, maar in de huidige situatie ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank iedere aanwijzing dat het overleggen van documenten door eiser de afgifte van een lp dichterbij kan brengen.

2.4.3. Verweerder voert voorts aan dat er geen reden is om op voorhand uit te sluiten dat diplomatieke inspanningen in de richting van de Chinese autoriteiten tot een verandering van de situatie zullen leiden. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat de huidige situatie, waarin de Chinese autoriteiten geen lp’s verstrekken en zelfs geen enkele beslissing meer nemen op aanvragen van verweerder, al sinds mei 2007 bestaat. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat deze opstelling van de Chinese autoriteiten op korte termijn zal veranderen. Het op 9 mei 2008 gevoerde gesprek met een Chinese bewindspersoon over deze kwestie heeft in elk geval niet tot een dergelijke verandering geleid. In de zaak met procedurenummer Awb 08/25621 heeft verweerder de nevenzittingsplaats Maastricht van deze rechtbank desgevraagd meegedeeld dat de stagnatie in de afgifte van lp’s na 9 mei 2008 niet meer ter sprake is gebracht bij de Chinese autoriteiten. Op 17 juli 2008 heeft een departementaal overleg plaatsgevonden, dat is afgesloten met de conclusie dat op een nader te bepalen datum een volgend overleg moet plaatsvinden. Bij faxbericht van 5 augustus 2008 heeft verweerder deze rechtbank en nevenzittingsplaats desgevraagd meegedeeld dat zich sindsdien geen nieuwe ontwikkelingen hebben voorgedaan ten aanzien van (de voorbereiding van) hernieuwde contacten met de Chinese autoriteiten. Ter zitting van 8 augustus 2008 heeft verweerder aangevoerd dat een maximale inspanning wordt geleverd om te komen tot terugname door China van eigen onderdanen en tot verbetering van de doorlooptijden van aanvragen om lp’s. Voor zover verweerder hiermee heeft willen betogen dat hij meer doet dan hij de rechtbank kan meedelen, heeft de rechtbank daar op zichzelf begrip voor, maar zijn de betreffende inspanningen van verweerder voor de rechtbank niet toetsbaar. Gelet hierop, gezien de lange duur van de huidige impasse en vanwege het ontbreken van voldoende concrete aanwijzingen voor verandering op korte termijn ziet de rechtbank in de diplomatieke inspanningen van verweerder thans geen aanknopingspunten (meer) voor de conclusie dat zicht op uitzetting van eiser binnen een redelijke termijn niet ontbreekt.

2.4.4. Ter zitting van 8 augustus 2008 heeft eiser gemotiveerd betoogd dat het voor hem feitelijk onmogelijk is om vanuit de bewaring in Nederland met kans op succes een paspoort aan te vragen, hetgeen door verweerder niet is weersproken. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat zicht op uitzetting van eiser niet ontbreekt op de grond dat hij een paspoort kan verkrijgen.

2.5. De rechtbank acht gronden aanwezig om eiser een schadevergoeding toe te kennen. Deze rechtbank en nevenzittingsplaats heeft laatstelijk op 1 augustus 2008 uitspraken gedaan waarbij beroepen van Chinese vreemdelingen tegen hun bewaring ongegrond zijn verklaard en is geoordeeld dat zicht op hun uitzetting niet ontbreekt. In de onderhavige zaak heeft het eerste onderzoek ter zitting plaatsgevonden op 1 augustus 2008. De argumenten die eiser tijdens die zitting heeft aangevoerd, waaronder zijn beroep op de uitspraak van 30 juli 2008 van de nevenzittingsplaats Maastricht van deze rechtbank in de zaak met procedurenummer Awb 08/25621, hebben de rechtbank ertoe gebracht thans anders te oordelen over het zicht op uitzetting van eiser binnen een redelijke termijn. Onder deze omstandigheden moet de voortduring van de bewaring van eiser met ingang van 2 augustus 2008 onrechtmatig worden geacht. Eiser heeft sindsdien nog negen dagen in bewaring gezeten. Gelet op het normbedrag van € 70,-- per dag detentie in een huis van bewaring dient aan eiser een schadevergoeding van € 630,-- te worden toegekend.

2.6. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende bijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 1 augustus 2008, 0,5 voor het als een repliek aan te merken faxbericht van 6 augustus 2008 en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting van 8 augustus 2008, met een waarde per punt van € 322,-- en wegingsfactor 1). De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Omdat aan eiser ter zake van het onderhavige beroep een toevoeging is verleend, dient voormeld bedrag aan proceskosten aan de griffier van de rechtbank te worden betaald.

2.7. Gezien het voorgaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank ’s-Gravenhage,

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de onmiddellijke opheffing van de bewaring van eiser;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent eiser een schadevergoeding toe van € 630,-- ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 966,-- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die voormelde proceskosten aan de griffier van de rechtbank moet vergoeden.

Aldus gegeven door mr. P.K. Nihot, voorzitter, en mrs. M.G.L. de Vette en B. van Velzen, leden, en door de voorzitter en B. Simi, griffier, ondertekend.

De griffier,

De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 11 augustus 2008

Afschrift verzonden op: 11 augustus 2008

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.