Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD9814

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-07-2008
Datum publicatie
11-08-2008
Zaaknummer
AWB 07/7499 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongeldigverklaring rijbewijs na onderzoek naar alcoholmisbruik. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

derde afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 07/7499 BESLU

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats] eiser,

en

Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerster.

I Ontstaan en loop van het geding

Op 18 augustus 2006 heeft de korpschef van de Politie Haaglanden de mededeling gedaan dat het vermoeden bestaat dat eiser niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid die vereist is voor het besturen van de categorie van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven. Dit vermoeden is gebaseerd op het feit dat eiser binnen een periode van vijf jaar tweemaal is aangehouden met een hoger alcoholgehalte in zijn adem dan wettelijk is toegestaan.

Naar aanleiding van die mededeling heeft verweerster op 8 september 2006 besloten dat eiser zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid. Op 19 januari 2007 is het bloed van eiser onderzocht en op 28 februari 2007 heeft een psychiatrisch onderzoek plaatsgevonden. Blijkens het verslag van deze onderzoeken d.d. 28 maart 2007 zijn uit het bloedonderzoek geen aanwijzingen voor alcoholmisbruik naar voren gekomen. Het psychiatrisch onderzoek heeft geleid tot de diagnose misbruik van alcohol in ruime zin. Voorts is geconstateerd dat sprake is van vroege volledige remissie sinds augustus 2006.

Op 27 april 2007 heeft verweerster eiser per brief de uitslag van het onderzoek medegedeeld. Daarbij heeft verweerster eiser te kennen gegeven dat eiser niet voldoet aan de eisen van geschiktheid en dat het CBR voornemens is het rijbewijs ongeldig te verklaren.

Bij besluit van 18 juni 2007 heeft verweerster besloten dat eiser niet voldoet aan de eisen van geschiktheid en dat het rijbewijs voor alle categorieën ongeldig wordt verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser een voortijdig bezwaarschrift ingediend, dat door eiser na bekendmaking van genoemd besluit nader is aangevuld.

Bij uitspraak van 16 juli 2007 (AWB 07/4430 BESLU) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het door eiser ingediende verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Bij besluit van 24 augustus 2007 heeft verweerster het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen laatstgenoemd besluit heeft eiser bij brief van 3 oktober 2007 beroep ingesteld.

Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 4 juni 2008 ter zitting behandeld. Eiser is daarbij in persoon verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door [...]

II Motivering

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden de toetsing aan de geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerster hem ten onrechte en in strijd met de vereiste zorgvuldigheid de mogelijkheid heeft ontnomen een tweede psychiatrisch onderzoek te laten verrichten. Voorts verzoekt eiser om een onderzoek door een onafhankelijke specialist. Eiser vraagt zich daarbij af hoe het mogelijk is dat de bloedonderzoeken, waarin geen aanwijzingen van alcoholmisbruik naar voren zijn gekomen, niet doorslaggevend zijn, maar dat uitgegaan wordt van de conclusie van het psychiatrisch onderzoek, waarin de diagnose misbruik van alcohol in ruime zin is gesteld.

3. Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.1. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet (hierna: WVW) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

4.2. Ingevolge artikel 131, eerste lid, van de WVW, voor zover hier van belang, besluit het CBR, indien een in artikel 130, eerste lid, van die wet bedoelde schriftelijke mededeling is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

4.3. Ingevolge artikel 134, tweede lid, van de WVW besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

4.4. Ingevolge artikel 134, derde lid, van de WVW, voor zover hier van belang, deelt het CBR, indien het voornemens is het rijbewijs ongeldig te verklaren, dit mede aan de houder, tevens onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen.

4.5. Ingevolge artikel 12, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde lid, van de WVW, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.

4.6. In artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 is bepaald dat de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage. In die bijlage is in paragraaf 8.8 "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)" bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

5. De rechtbank overweegt het volgende.

5.1. In een geval waarin de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin is gesteld, bestaat slechts aanleiding om de ongeldigverklaring niet in stand te laten indien de psychiatrische rapportage(s) naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat verweerder zich daarop niet heeft mogen baseren. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 25 april 2007 (LJN: BA3746). Naar het oordeel van de rechtbank doen zich dergelijke omstandigheden hier niet voor. Hierbij is het volgende van belang.

Een onderzoek naar de rijgeschiktheid wordt onder meer uitgevoerd aan de hand van een classificatiesysteem van psychiatrische afwijkingen, de zogenoemde DSM-IV criteria. Op basis daarvan stellen geneeskundigen op verzoek van verweerster vast of sprake is van alcoholmisbruik. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer haar uitspraak van 8 januari 1999, nr. H01.97.1588) wordt het niet kennelijk onredelijk geacht dat, indien aan de hand van dit classificatiesysteem de diagnose alcoholmisbruik kan worden vastgesteld, het standpunt van verweerder luidt dat het bepaalde onder punt 8.8 van eerder genoemde bijlage van toepassing is en de betrokkene niet geschikt is om een motorrijtuig te besturen. Dat bij het laboratoriumonderzoek geen afwijkende bloedwaarden zijn vastgesteld, doet daar niet aan af.

5.2 Meer in het bijzonder heeft de psychiater in het onderhavige geval de omstandigheid doorslaggevend geacht dat eiser na een eerdere aanhouding in verband met alcohol in het verkeer een Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer (EMA) opgelegd heeft gekregen, maar daarna toch weer is aangehouden omdat hij met te veel alcohol op is gaan rijden. Het feit dat eiser gevallen bekend zijn waarin dezelfde omstandigheid aan de orde was en dit niet tot ongeschiktheid van de betrokkene heeft geleid, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de motivering van het rapport de conclusie niet kan dragen. Daarbij is van belang dat de conclusie van de psychiater gebaseerd is op alle relevante feiten en omstandigheden die in het onderzoek naar voren komen en zich dan ook niet beperkt tot de enkele vaststelling van meergenoemde omstandigheid. Reeds hierom kan niet zonder meer gesteld worden dat de gevallen waar eiser naar verwijst op één lijn zijn te stellen met het onderhavige, temeer nu de rechtbank niet beschikt over de in die gevallen opgemaakte rapportage(s). De rechtbank is voorts van oordeel dat het latere onderzoek – na afloop van de recidiefvrije periode – waarbij eiser geschikt is verklaard de conclusie van het rapport van 28 maart 2007 eerder bevestigt dan ontkracht, nu reeds in laatstgenoemd rapport is aangegeven dat het misbruik in remissie is sinds 19 augustus 2006. Verweerster mocht het rapport van 28 maart 2007 dan ook aan haar besluit ten grondslag leggen. Eisers stelling dat hij recht heeft op een “onafhankelijke” deskundige – naar de rechtbank begrijpt een deskundige die niet door verweerster is aangezocht of regelmatig onderzoeken voor verweerster verricht – vindt in zijn algemeenheid voorts geen steun in het recht. Bovendien stond het eiser vrij zelf een deskundige aan te zoeken inzake een contra-expertise.

5.3 Verweerster heeft bij brief van 7 juni 2007 een nadere mogelijkheid geboden aan eiser voor het aanvragen van een tweede onderzoek. Voorwaarde daarbij was dat de kosten voor 15 juni 2007 diende te zijn voldaan. Verweerster heeft hiertoe besloten omdat zij eerst bij de genoemde brief van 7 juni 2007 reageerde op het verzoek van eiser van 9 mei 2007 teneinde een afschrift van het psychiatrisch rapport van 28 maart 2007 te verkrijgen. Vaststaat dat het de bedoeling was dat er een afschrift van het rapport als bijlage bij de genoemde brief van 7 juni 2007 zou zijn gevoegd, doch dat dit abusievelijk is nagelaten. Eerst bij brief van 15 juni 2007, tevens de laatste dag van de aan eiser gegunde termijn, is een kopie van het rapport aan eiser toegezonden. De rechtbank acht het op zichzelf weinig zorgvuldig dat verweerster eerst de termijn verlengt opdat eiser kennis kan nemen van de psychiatrische rapportage en vervolgens eiser tegenwerpt dat hij niet binnen de gestelde termijn heeft betaald terwijl vaststaat dat eiser het rapport niet voor het einde van die termijn heeft ontvangen. Eisers stelling dat hem met deze handelwijze de mogelijkheid van een tweede onderzoek is ontnomen, wordt echter niet gevolgd door de rechtbank. Hierbij is van belang dat in de brief van 7 juni 2007 door verweerster een samenvatting is gegeven van de belangrijkste overwegingen uit de rapportage, welke samenvatting afdoende inzicht biedt om af te kunnen wegen of er grond is voor de aanvraag van een tweede onderzoek.

5.4 De overige vragen die eiser blijkens de gevoerde correspondentie beantwoord wilde zien teneinde deze beslissing te kunnen nemen, zien met name op de vraag of een tweede onderzoek in het geval van eiser zinvol zal zijn. Zoals de voorzieningenrechter eerder overwoog kan het bestaan van deze vragen bij eiser niet leiden tot een verplichting voor verweerster de termijn te verlengen, daargelaten de vraag of verweerster de meest gerede partij is om eiser op dit punt van advies te dienen. Gelet op het voorgaande valt niet in te zien waarom eiser niet binnen de termijn kon beslissen over de wenselijkheid van een tweede onderzoek. Het feit dat geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid een tweede onderzoek te verrichten, moet dan ook voor risico van eiser blijven.

5.5 Gelet op het voorgaande heeft verweerster zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er ten tijde van belang sprake was van alcoholmisbruik in de zin van de Regeling. Verweerster heeft daarbij op goede gronden vastgesteld dat eiser niet geschikt is voor het besturen van motorrijtuigen van alle categorieën en het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. D. Biever en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2008, in tegenwoordigheid van de griffier mr. H.G. Egter van Wissekerke.