Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD9519

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-07-2008
Datum publicatie
07-08-2008
Zaaknummer
AWB 07/5073 MAWKMA
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Korporaal-adelborst wordt belast met juridische werkzaamheden in een functie met waardering volgens S 12 BBAD. Op zijn verzoek om een opdracht tot waarneming volgt geen formeel besluit. Bij ontslag uit militaire dienst heeft eiser de facto berust in zijn lage honorering. Verweerder weigert alsnog het verschil in salaris na te betalen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

derde afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 07/5073 MAWKMA

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [plaats], eiser,

en

de Commandant der Zeestrijdkrachten, verweerder.

I. Ontstaan en loop van het geding

Eiser heeft verweerder op 12 november 2006 verzocht hem het verschil te betalen tussen het salaris dat hij heeft ontvangen en het salaris dat behoorde bij de functie van beleidsmedewerker juridische zaken (arbeidsplaatsnr. 00266050) over de periode van 20 september 2004 tot en met 31 oktober 2005.

Bij besluit van 20 februari 2007 heeft verweerder het verzoek van eiser afgewezen.

Bij brief van 26 maart 2007 heeft eiser een bezwaarschrift ingediend.

Op 21 mei 2007 heeft verweerder eiser en zijn raadsman op het bezwaar gehoord.

Bij besluit van 27 juni 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft bij brief van 6 juli 2007 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft een reactie op het verweerschrift ingezonden.

Het beroep is op 24 april 2008 ter zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P. Reitsma, advocaat te Harderwijk.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A].

Bij brief van 6 juni 2008 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat zij de termijn voor het doen van uitspraak met ten hoogste zes weken heeft verlengd.

II. Motivering

1. De rechtbank staat in dit geding voor de vraag of het bestreden besluit, gelet op de daartegen aangevoerde beroepsgronden, in rechte stand kan houden.

2. Op grond van artikel 25, eerste lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) kan een militair voor een periode van maximaal 12 maanden worden belast met de volledige waarneming van een functie.

Krachtens het tweede lid van dat artikel kan een militair door de bevelhebber tijdelijk worden belast met de waarneming van een deel van het samenstel van werkzaamheden verbonden aan een andere functie dan die aan hem is toegewezen.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van het Inkomstenbesluit militairen (IBM) heeft een militair die is belast met de volledige waarneming van een functie, als bedoeld in artikel 25, eerste lid, AMAR, voor de duur van de waarneming aanspraak op een waarnemingstoelage indien aan die functie een hogere rang is verbonden.

3. De rechtbank gaat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van de volgende tussen partijen niet in geschil zijnde feiten.

Tijdens zijn sollicitatieprocedure naar een functie als officier der Mariniers bij de Koninklijke Marine heeft eiser op 18 april 2003 zijn scheenbeen gebroken. Eiser is niettemin, mede gelet op zijn sterke motivatie voor een officiersfunctie bij het Korps Mariniers, met ingang van 13 augustus 2003 aangesteld als adelborst der mariniers in de stand van marinier der eerste klasse. De gevolgen van genoemde blessure hebben eiser uiteindelijk belet in de voortzetting van zijn opleiding.

Verweerder heeft eiser, die aan de opleiding als adelborst begon na het voltooien van een studie Nederlands recht, vervolgens geplaatst bij de Sociaal-Medische Dienst KM en tewerkgesteld bij de Afdeling Juridische Zaken van de Marinestaf. Aldaar was hij werkzaam van 20 september 2004 tot en met 31 oktober 2005.

Na 31 oktober 2005 is eiser in verband met uitzending naar Afghanistan een niet-juridische officiersfunctie toegewezen.

Per 15 oktober 2006 is aan eiser op zijn verzoek op grond van artikel 39, eerste lid, AMAR als LTZ2 ontslag verleend.

4. Ten aanzien van eisers tewerkstelling bij de Afdeling Juridische Zaken van de Marinestaf leidt de rechtbank uit de voorhanden gedingstukken af dat eiser de functie van beleidsmedewerker juridische zaken niet is toegewezen en dat verweerder eiser evenmin formeel heeft belast met de waarneming van de functie beleidsmedewerker juridische zaken, waaraan de rang van kapitein-luitenant ter zee (BBAD schaal 12) was verbonden, maar hem wel feitelijk heeft belast met onderdelen van die functie. Eisers tewerkstelling vond aanvankelijk plaats ter overbrugging van een periode tot de aanvang van de POTOM in augustus 2005, waarin hij moest opwerken naar een zodanige conditie, dat hij de zware fysieke belasting van die opleiding weer zou aankunnen, later in het kader van zijn reïntegratie, nadat was gebleken dat zijn medische beperkingen een hervatting van zijn opleiding tot officier der Mariniers onmogelijk maakten.

De vermelding in Peoplesoft van de functie beleidsmedewerker juridische zaken in relatie tot eiser leidt de rechtbank niet tot een andere conclusie.

Aan deze vermelding in Peoplesoft kunnen, anders dan aan een toewijzings- of waarnemingsbesluit, geen rechtspositionele aanspraken worden ontleend.

Deze vermelding is overigens op 21 februari 2005 met ingang van datum plaatsing (20 september 2004) gemuteerd naar een primaire plaatsing bij de Sociaal-Medische Dienst KM en secundair een patiëntenarbeidsplaats bij de Marinestaf, afdeling Juridische Zaken, onder toekenning van een ander arbeidsplaatsnummer. Zowel vòòr als na deze mutatie was in Peoplesoft als functie-indicator aangegeven: secundaire functie.

Ten aanzien van de vraag of eiser de functie beleidsmedewerker juridische zaken in de volle omvang heeft uitgeoefend geven de gedingstukken geen duidelijk uitsluitsel. Eiser stelt dat hij de functie in volle omvang heeft uitgeoefend en dat hij het takenpakket van zijn voorgangster mr. [B] volledig heeft overgenomen. Het hoofd van de Afdeling Juridische Zaken en eisers commandant, KTZ [C], heeft in een e-mail van 8 juni 2005 eveneens verwezen naar de overname door eiser van het takenpakket van zijn voorgangster, in een e-mail van

27 augustus 2007 in het kader van de voorbereiding van het verweerschrift heeft hij gesteld dat hij eiser juridische taken (casus) heeft opgedragen en dat eiser die goed heeft uitgevoerd. Beleidsvoorbereidende of beleidsuitvoeren- de taken zijn aan eiser niet opgedragen, omdat dat in de periode van eisers tewerkstelling niet nodig was en overigens dergelijke taken door een meer ervaren officier dienen te worden verricht.

Voorts heeft KTZ [C] desgevraagd aangegeven dat zijn e-mail van

8 juni 2005 niet was bedoeld om een oordeel te geven over de zwaarte van de door eiser uitgevoerde juridische werkzaamheden, maar om een positief oordeel over eiser te geven in verband met een mogelijke overgang van eiser als KM-jurist.

6. De rechtbank is van oordeel dat eiser, die op grond van zijn beenbreuk en later knieproblemen gedurende een lange periode mutaties had die hem vrijstelden van deelname aan alle fysiek zwaar belastende onderdelen van de opleiding als adelborst der Mariniers, door verweerder is tegemoet gekomen door hem zinvol juridisch werk op te dragen bij de Afdeling Juridische Zaken. Eiser kon daarmee (zijn eerste) juridische werkervaring opdoen en parallel daaraan werken aan zijn fysieke conditie ten einde in augustus 2005 opnieuw in de opleiding te kunnen instromen. In de zomer 2005 werd een omslagpunt bereikt, waarop het eiser duidelijk werd dat hervatting van de officiersopleiding onmogelijk was en hij zich moest oriënteren op alternatieve toekomstmogelijkheden binnen de KM of daarbuiten. Eiser heeft daarop bij verzoekschrift van 8 juni 2005 drie verzoeken aan verweerder gericht: betreffende het opmaken van proces-verbaal van ongeval op 18 april 2003, wijziging van de bestemming naar het korps officieren van administratie en een opdracht tot volledige waarneming van de functie beleidsmedewerker juridische zaken en toekenning van een waarnemingstoelage.

7. Laatstgenoemd verzoek (waaruit blijkt dat eiser toen wist dat hij niet eerder formeel met de waarneming was belast) is op 16 juni 2005 door KL[D], eisers begeleidingsofficier, aan de tot afdoening bevoegde autoriteit doorgeleid. Daarbij waren gevoegd een positief advies van het hoofd SMD KM, een aanbeveling van eisers commandant, KTZ [C], van 8 juni 2005, een beslissingslijst P&O en een uitdraai uit Peoplesoft.

In een 'beslissing op verzoek' van 14 juli 2005 is aan eiser medegedeeld dat in beginsel slechts de defensieambtenaar die wordt bezoldigd naar de schaal van de waar te nemen functie of de direct daaraan voorafgaande schaal met de waarneming van een functie kan worden belast en dat het initiatief daartoe in veel gevallen bij de plaatsingsautoriteit ligt en niet bij de militair. In punt 4 van de beslissing werd uitdrukkelijk vermeld dat het slechts ging om een informatieverstrekking en dat daartegen geen bezwaar openstond.

Eiser heeft tegen de beslissing of tegen de weigering op zijn verzoek formeel te beslissen geen bezwaar gemaakt. Hoewel eiser en zijn commandant de beslissing als een materiële afwijzing van het verzoek hebben ervaren, heeft eiser van bezwaar afgezien om de interne verhoudingen niet te verstoren. Bovendien heeft KTZ [C] pogingen in het werk gesteld om de behandelend officier tot een heroverweging van de beslissing te bewegen

(e-mail van 4 augustus 2005). Deze pogingen hebben niet tot een voor eiser positief resultaat geleid.

8. Eerst na zijn ontslag uit militaire dienst heeft eiser, naar aanleiding van een op 14 september 2006 gevoerd exitgesprek met KTZ [hoofd P&O], hoofd P&O KM, opnieuw een verzoek gedaan om toekenning van het verschil tussen het ontvangen salaris en het salaris behorende bij de functie beleidsmedewerker juridische zaken. Hij heeft daarbij, anders dan in zijn verzoek van 8 juni 2005, gesteld dat hij de functie beleidsmedewerker juridische zaken op aanwijzing van KLTZA [D] heeft vervuld, dat met haar is afgesproken dat hij alle taken en verantwoordelijkheden behorende bij die functie zou vervullen en dat KTZ [C] blijkens zijn e-mail van 8 juni 2005 die afspraken onderschreef.

Verweerder heeft zich in het primaire besluit van 20 februari 2007, uitgaande van volledige functievervulling, op het standpunt gesteld dat eiser niet formeel is geplaatst op (artikel 23 AMAR) en evenmin vooraf formeel is belast met de waarneming van (artikel 25 AMAR) de functie beleidsmede-werker juridische zaken.

9. In het thans bestreden besluit van 27 juni 2007 is overwogen dat eisers verzoek tot toekenning van een waarnemingstoelage betrekking heeft op de periode voorafgaand aan het hem met ingang van 15 oktober 2006 verleende ontslag. Nu eiser kennelijk heeft berust in de situatie zoals deze bestond voor zijn ontslag, moet de afwijzing va 20 februari 2007 op één lijn worden gesteld met een weigering om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit. Nu niet gebleken is van nieuwe feiten en/of omstandigheden, is er geen reden om thans een ander besluit te nemen. Het feit van eisers eerdere verzoek van 8 juni 2005, waarop geen formele beslissing is gevolgd, maakt dat niet anders.

Verder is nog overwogen dat op grond van de overgelegde uitdraai uit Peoplesoft onvoldoende aannemelijk is geworden dat eiser door het bevoegde gezag met de waarneming van de functie beleidsmedewerker juridische zaken is belast.

10. De rechtbank is van oordeel dat de beslissing op verzoek van 14 juli 2005 niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Verweerder heeft daarin eiser voorgelicht over de geldende rechtspositionele regelgeving met betrekking tot de waarneming van een andere functie. Op eisers verzoek van 8 juni 2005 is derhalve nooit een formeel besluit genomen. Dat eiser daarin heeft berust en geen bezwaar heeft gemaakt tegen een fictieve weigering - hoe begrijpelijk wellicht op zich ook in de gegeven omstandigheden, waarin eiser voor zijn toekomst in sterke mate van verweerder afhankelijk was - berust uiteindelijk op een vrije keuze van eiser. Dat heeft geleid tot een situatie waarin ten tijde van eisers ontslag geen rechtens relevante discussie meer werd gevoerd over eisers aanspraken in het kader van zijn gestelde waarneming.

11. Verweerder heeft zich beroepen op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 maart 2005 (LJN: AT3205), waarin is beslist dat weigeringen terug te komen van eerdere besluiten waarin de betrokken militair ten tijde van zijn ontslag heeft berust op één lijn moeten worden gesteld met weigeringen terug te komen van in rechte onaantastbaar geworden besluiten. Dit betekent dat die weigeringen in zoverre terughoudend moeten worden getoetst.

De situatie van eiser verschilt in zoverre van de situatie in de aangehaalde uitspraak dat ten tijde van eisers ontslag geen eerder besluit voorlag waarin hij heeft berust, maar juist het ontbreken van een besluit de door eiser aanvaarde eindsituatie bij ontslag aangaf.

De rechtbank acht dit verschil echter niet van wezenlijk belang, aangezien de aangehaalde jurisprudentie is gevormd op grond van het uitgangspunt dat het beginsel van de rechtszekerheid meebrengt dat alle aanspraken tussen werkgever en ambtenaar over en weer ten tijde van het ontslag zijn afgerekend en dat het niet wenselijk is dat de werkgever nadien nog met claims van de ontslagen ambtenaar te maken krijgt. Laatstgenoemde situatie doet zich hier voor.

12.1 Eiser heeft nog aangevoerd dat hij zijn verzoek bij verweerder heeft ingediend op 12 november 2006, terwijl het ontslagbesluit, gedateerd 11 oktober 2006, hem pas op 24 november 2006 is bekend geworden, zodat het nog niet in werking was getreden toen hij zijn verzoek indiende. Eiser heeft daarbij verwezen naar het bepaalde in de artikelen 3:40 en 3:41 van de Awb omtrent de bekendmaking van besluiten. Eisers verzoek zou daarom formeel niet na zijn ontslag zijn ingediend.

Dat betoog kan eiser niet baten, nu het hier ging om het Koninklijk besluit, waarbij hem op zijn verzoek met ingang van 15 oktober 2006 ontslag uit militaire dienst werd verleend. Eiser kan daarmee bekend worden geacht op de ontslagdatum, nu verweerder vanaf die datum van eiser geen arbeidsprestatie meer verlangde en ook overigens daarna een situatie was ingetreden waarin het dienstverband was beëindigd.

12.2 Eiser heeft verder aangevoerd dat bij zijn verzoek van 12 november 2006 sprake zou zijn van nieuwe feiten, in die zin dat verweerder inmiddels beschikte over het zogeheten Dagboek [eiser], waarin eiser gedetailleerd verslag heeft gedaan van de in zijn ogen tekortschietende begeleiding op (para-)medisch en personeelsgebied die hem bij de KM ten deel is gevallen.

Ook dit betoog slaagt niet doordat genoemd dagboek geen nieuw licht werpt op de door eiser gestelde waarneming. In paragraaf [50] van het dagboek komt slechts naar voren dat de plaatsing van eiser bij Juridische Zaken in overleg met KL[D] tot stand is gekomen in september 2004.

13. Verweerder heeft derhalve in bezwaar in redelijkheid kunnen weigeren terug te komen van het besluit van 20 februari 2007. Het bestreden besluit kan de hier gegeven terughoudende toetsing doorstaan. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. J.W. Sentrop en in het openbaar uitgesproken op

9 juli 2008, in tegenwoordigheid van de griffier J.E. van Caspel.