Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD9518

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-07-2008
Datum publicatie
06-08-2008
Zaaknummer
09/752001-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Door de aanmerkelijke onvoorzichtigheid van verdachte is een school geheel afgebrand. Verdachte heeft op die dag vuurwerk afgestoken op het schoolplein van deze school. Hij heeft daarbij een lange vuurpijl in een bierflesje gezet, om deze vervolgens aan te steken. Op de bewuste dag stond er een hevige wind. Het bierflesje is door de wind en/of het gewicht van de vuurpijl omgevallen, waarna de ontstoken vuurpijl door een raam van de school is geschoten, om in een klaslokaal tot verdere ontbranding dan wel ontploffing te komen. In het klaslokaal ontstond vervolgens brand, waarna in rap tempo de gehele school is afgebrand. Jeugddententie van 136 dagen met aftrek waarvan 120 dagen voorwaardelijk. Proeftijd 2 jaar. Bijzondere voorwaarde: dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens Bureau Jeugdzorg, afdeling Jeugdreclassering, zolang die instelling zulks nodig acht, ook als dat inhoudt dat de veroordeelde een behandeling zal volgen bij de Waag en dat hij zal deelnemen aan de Multi Systeem Therapie (MST). Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Werkstraf van 120 uren, vervangende jeugddetentie van 60 dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE, SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER JEUGDSTRAFZAKEN

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/752001-08

rolnummer 0001

's-Gravenhage, 31 juli 2008

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [datum] 1993 te [plaats],

wonende te [adres].

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 17 juli 2008.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. D. Soekarman-Weeteling, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. R.R. Knobbout heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 16 dagen met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd jeugddetentie voor de duur van 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, onder de bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich zal houden aan de voorschriften hem te geven door of namens Bureau Jeugdzorg, afdeling Jeugdreclassering, ook als dat inhoudt dat hij een behandeling bij de Waag zal volgen, dat hij zal deelnemen aan de Multi Systeem Therapie (MST) en dat hij naar school zal gaan;

- dat de veroordeelde geen drugs meer zal gebruiken en dat hij mee zal werken aan urinecontroles;

- dat de veroordeelde zich gedurende de jaarwisseling vanaf 27 december tot en met 2 januari niet op straat zal begeven en dat hij geen vuurwerk af zal steken.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat aan verdachte zal worden opgelegd een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen jeugddetentie.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak

De rechtbank acht op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding onder 1 primair, 2 primair, 2 subsidiair, 2 meer subsidiair en 3 is tenlastegelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1 primair:

Gelijk de officier van justitie en de raadsvrouw acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht in de [A] School te [plaats].

Ten aanzien van feit 2 primair, feit 2 subsidiair, feit 2 meer subsidiair:

De rechtbank overweegt dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte zich in de periode van 1 tot en met 27 december 2007 heeft schuldig gemaakt aan hetgeen hem is tenlastegelegd onder 2 primair, dan wel dat hij zich in de periode van 1 tot en met 28 december 2007 heeft schuldig gemaakt aan hetgeen hem is tenlastegelegd onder 2 subsidiair en 2 meer subsidiair.

Hoewel er aanwijzingen zijn dat er in de genoemde periode op het schoolplein van de [A] School te [plaats] vuurwerk is afgestoken, kan niet worden bewezen dat verdachte brand heeft gesticht dan wel vuurwerk heeft afgestoken, in de buurt van en/of op het schoolplein en/of in een prullenbak en/of onder een hobbelbeest waardoor de genoemde goederen in aanraking zijn gekomen met vuur. Bovendien blijkt nergens uit dat de genoemde goederen geheel of gedeeltelijk zijn verbrand. Ook is er geen aangifte gedaan van vernieling van deze goederen.

Er zijn enkele vage verklaringen beschikbaar van getuigen die verklaren dat zij hebben gezien dat verdachte in de dagen voorafgaand aan de schoolbrand met anderen met vuur en vuurwerk bezig was. Voorts is er een verklaring beschikbaar van getuige [B]. Deze heeft niets verklaard over het afsteken van vuurwerk. Hij heeft enkel verklaard dat hij al vaker gezien heeft dat een jongen, wonende op het [adres], op het schoolplein met lucifers bezig is geweest en dat hij dan onder de aldaar staande hobbelbeesten een vuurtje maakte. Deze verklaringen leveren echter onvoldoende bewijs op voor hetgeen aan verdachte onder 2 primair is tenlastegelegd.

Om gelijke redenen kan ook niet worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen (2 subsidiair) dan wel vernieling van (2 meer subsidiair) de in de dagvaarding genoemde goederen.

Ten aanzien van feit 3:

De rechtbank overweegt dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem onder 3 is tenlastegelegd.

Vast staat dat verdachte heeft verklaard dat hij illegaal vuurwerk heeft gekocht en afgestoken. Ook [C] heeft verklaard dat verdachte in het bezit was van verboden vuurwerk. Voorts zijn bij het uitlezen van de computer van verdachte een tweetal gesprekken op het 'Messenger Plus! Live - Logboek' gevonden waarin verdachte het met een ander over illegaal vuurwerk heeft. Dit alles levert sterke aanwijzingen op dat verdachte over illegaal vuurwerk heeft beschikt.

Bij verdachte is echter geen illegaal vuurwerk aangetroffen. Ook is er geen bewijs voorhanden waaruit blijkt dat verdachte vuurwerk in zijn bezit heeft gehad dat niet voldeed aan de voorschriften zoals genoemd in de tenlastelegging.

Daarom kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte in de periode van 1 tot en met 28 december 2007 te [plaats] illegaal vuurwerk voorhanden heeft gehad.

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

De bewezenverklaring

Door de inhoud van de vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het bij dagvaarding onder 1 subsidiair vermelde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging zoals deze is vermeld in de fotokopieën daarvan, gemerkt B.

De rechtbank is tot de overtuiging gekomen dat verdachte het bewezenverklaarde feit alleen heeft gepleegd en niet tezamen en in vereniging met zijn vriend [C]. [C] was weliswaar net als verdachte bezig met het afsteken van vuurwerk op het schoolplein. Hij was echter geheel zelfstandig bezig met het afsteken van zijn eigen vuurwerk en bemoeide zich niet met verdachte. Van het gezamenlijk afsteken van het bewuste stuk vuurwerk is dan ook geen sprake geweest. Verdachte heeft de vuurpijl in de fles gezet en heeft deze vervolgens aangestoken. [C] had hiermee niets van doen.

Verdachte heeft het feit derhalve alleen en niet met [C] gepleegd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijf oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgrond aannemelijk is geworden.

Strafmotivering

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Het is aan de aanmerkelijke onvoorzichtigheid van verdachte te wijten dat de [A] School te [plaats] op [...] 2007 geheel is afgebrand. Verdachte heeft op die dag vuurwerk afgestoken op het schoolplein van deze school. Hij heeft daarbij een lange vuurpijl, volgens eigen zeggen een exemplaar van wel 90 centimeter, in een bierflesje gezet, om deze vervolgens aan te steken. Op de bewuste dag stond er een hevige wind. Het bierflesje is door de wind en/of het gewicht van de vuurpijl omgevallen, waarna de ontstoken vuurpijl door een raam van de school is geschoten, om in een klaslokaal tot verdere ontbranding dan wel ontploffing te komen. In het klaslokaal ontstond vervolgens brand, waarna in rap tempo de gehele school is afgebrand.

Verdachte heeft volgens eigen zeggen nog geprobeerd om de brandende gordijnen, die voor de ramen van het klaslokaal hingen, naar buiten te trekken om zo te proberen een verdere brand te voorkomen. Toen dit niet lukte, is verdachte er vandoor gegaan. Hij is naar huis gegaan en heeft niemand gewaarschuwd. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.

Door het onvoorzichtige handelen van verdachte is een schade ontstaan van ongeveer twee miljoen euro. Naast het feit dat het afbranden van de [A] School voor een enorme financiële schade heeft gezorgd, moet ook worden benadrukt dat deze gebeurtenis grote gevolgen heeft (gehad) voor de leerlingen en docenten van de [A] School. Het is voor deze personen zeer schokkend en verdrietig geweest om te moeten constateren dat de hun zo vertrouwde school er niet meer was en dat zij voor het volgen en het geven van de lessen langdurig zouden moeten uitwijken naar een noodvoorziening.

Voorts stelt de rechtbank vast dat de brand heeft gezorgd voor gemeen gevaar voor de zich in de nabijheid van de school bevindende huizen en overige panden, met de zich daarin bevindende goederen. Door de brand is bovendien levensgevaar ontstaan voor de bewoners van de omliggende huizen.

Door de enorme rookontwikkeling waren buurtbewoners genoodzaakt hun huizen te verlaten. Zij moesten de nacht doorbrengen in een hotel, hetgeen voor veel ongemak heeft gezorgd. Bovendien hebben enkele buurtbewoners lichamelijke klachten ervaren als gevolg van het inademen van rook. Zij hebben ter controle van deze klachten een bezoek moeten brengen aan de GG&GD dan wel aan het ziekenhuis.

Dat de brand niet is overgeslagen naar andere gebouwen en dat zich als gevolg van de brand geen ernstige persoonlijke ongevallen hebben voorgedaan is een gelukkige omstandigheid die echter niet te danken is aan verdachte. Hoewel het begrijpelijk is dat verdachte vreselijk schrok toen hij zag dat de school begon te branden, had hij, ondanks het feit dat hij pas 14 jaar oud was, actie moeten ondernemen. Verdachte had onmiddellijk het alarmnummer 112 dan wel de brandweer moeten bellen of had in ieder geval een volwassene moeten waarschuwen. Wellicht was de schade dan beperkter gebleven en was er minder gevaar ontstaan voor de omliggende panden en hun bewoners.

De rechtbank wenst te benadrukken dat het hier om een ernstig strafbaar feit gaat met grote consequenties. Verdachte dient zich terdege te realiseren dat het afsteken van vuurwerk tot zeer gevaarlijke situaties kan leiden en dat men bij het afsteken van vuurwerk uiterst voorzichtig en weldoordacht te werk moet gaan.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van Bureau Jeugdzorg, afdeling Jeugdreclassering, d.d. 10 juli 2008, opgesteld en ondertekend door [D], jeugdreclasseringswerker. Dit rapport houdt ondermeer in, verkort en zakelijk weergegeven:

Verdachte is in maart 2008 gestart met de MST bij de Waag. Verdachte en zijn moeder werken goed mee aan de MST.

Bij verdachte is door de psychiater ADD geconstateerd. Sinds drie weken neemt verdachte hiervoor het medicijn Concerta, hetgeen tot een zichtbare verbetering heeft geleid. Thuis zijn de regels aangescherpt.

Verdachte neemt deel aan een individueel agressietraject omdat hij vrij snel boos kan worden. Hij werkt goed mee en leert ervan. Door de medicatie is zijn agressie verminderd. Verdachte is er echter nog (lang) niet.

Hoewel de leerplichtambtenaar geen mogelijkheden meer ziet voor verdachte, ziet de school van verdachte wel vooruitgang. Als de medicatie goed is ingesteld, wil school hem een nieuwe kans geven in het nieuwe schooljaar.

Gelet op de positieve vorderingen van verdachte bij MST, lijkt het recidiverisico te zijn verminderd, hoewel het aanwezig blijft. Voortzetting van de behandeling lijkt geïndiceerd.

De rechtbank neemt de conclusies uit voornoemd rapport over voor zover deze zien op de problematiek van verdachte, de kans op recidive en het belang van behandeling en begeleiding. De rechtbank zal hiermee rekening houden bij het bepalen van de op te leggen straf.

De rechtbank heeft tevens kennis genomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, d.d. 7 februari 2008, opgesteld en ondertekend door [E], raadsonderzoeker, ten behoeve van de voorgeleiding van verdachte op 7 februari 2008, met bijlagen.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op hetgeen ter terechtzitting is verklaard door de heer [F], werkzaam bij de Waag en belast met de begeleiding van verdachte.

De heer [F] heeft verklaard dat verdachte zeer veel last had van ADD en dat het medicijn Concerta erg goed is aangeslagen. Hij heeft voorts verklaard dat verdachte tijdens woedetherapie leert de signalen van een dreigende woedeaanval te herkennen opdat hij zijn gedrag tijdig kan ombuigen. Verdachte leert anders naar zichzelf en zijn gedrag te kijken. Er is reeds resultaat te zien. Het verschil tussen de wijze waarop verdachte zich in maart gedroeg en hoe hij zich thans gedraagt is groot. Verdachte is er echter nog niet. Er is een aantal punten waarmee hij aan de slag moet. Ook zal verdachte weer naar school gaan alwaar hij nog één kans zal krijgen.

Tot slot heeft de rechtbank acht geslagen op hetgeen ter terechtzitting is verklaard door mevrouw [G], werkzaam bij Bureau Jeugdzorg, afdeling Jeugdreclassering.

Mevrouw [G] heeft verklaard dat zij met de heer [F] van mening is dat het belangrijk is dat de behandeling van verdachte wordt voortgezet omdat hij nog niet klaar is. Mevrouw [G] heeft geadviseerd om aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg, afdeling Jeugdreclassering, ook als dat inhoudt het volgen van MST bij de Waag.

De rechtbank houdt er in het voordeel van verdachte rekening mee dat hij, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister, niet eerdere met justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank wenst daarbij echter op te merken dat het bij dit eerste contact met justitie wel om een heel ernstig feit gaat.

De rechtbank houdt voorts rekening met de positieve proceshouding van verdachte. Hoewel hij tegenover de politie aanvankelijk iedere betrokkenheid bij het feit ontkende, heeft verdachte uiteindelijk, zowel tegenover de politie als ter terechtzitting uitgebreid verklaard over de door zijn toedoen ontstane brand. Bovendien heeft verdachte zijn spijt betuigd over hetgeen hij gedaan heeft en heeft hij aangegeven dat hij zich de grote ernst van het feit realiseert.

Nu de rechtbank in tegenstelling tot de officier van justitie slechts tot een bewezenverklaring komt van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde, zal de rechtbank aan verdachte een wat lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Voorts acht de rechtbank het, in tegenstelling tot de officier van justitie, niet nodig om aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen jeugddetentie andere bijzondere voorwaarden te verbinden dan de bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens Bureau Jeugdzorg, afdeling Jeugdreclassering, ook als dat inhoudt dat hij een behandeling zal volgen bij de Waag en dat hij zal deelnemen aan de MST.

De rechtbank zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen jeugddetentie een proeftijd verbinden van twee jaren. Het strafrecht voor jeugdigen biedt geen mogelijkheden om een proeftijd van drie jaren op te leggen, zoals gevorderd door de officier van justitie.

Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen:

77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 158 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem bij dagvaarding onder 1 primair, 2 primair, 2 subsidiair, 2 meer subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij dagvaarding onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hierboven omschreven, heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

1 subsidiair

AAN ZIJN SCHULD TE WIJTEN ZIJN VAN BRAND, TERWIJL DAARDOOR GEMEEN GEVAAR VOOR GOEDEREN ONTSTAAT EN TERWIJL DAARDOOR LEVENSGEVAAR VOOR EEN ANDER ONTSTAAT

verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezene en verdachte te dier zake strafbaar;

veroordeelt verdachte tot

JEUGDDETENTIE VOOR DE DUUR VAN 136 DAGEN

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 120 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

onder de bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens Bureau Jeugdzorg, afdeling Jeugdreclassering, zolang die instelling zulks nodig acht, ook als dat inhoudt dat de veroordeelde een behandeling zal volgen bij de Waag en dat hij zal deelnemen aan de Multi Systeem Therapie (MST);

verstrekt aan bovengenoemde instelling de opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde krachtens het bepaalde bij artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de uitvoering van de hem onvoorwaardelijk opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht;

in verzekering gesteld op: 04 februari 2008;

in voorlopige hechtenis gesteld op: 07 februari 2008;

welke voorlopige hechtenis werd geschorst met ingang van: 20 februari 2008;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

veroordeelt verdachte voorts tot

WERKSTRAF VOOR DE DUUR VAN 120 UREN

beveelt, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Timmermans, kinderrechter, voorzitter,

mr. drs. S.M. Borkent, kinderrechter,

en mr. J.P. Wittop Koning, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.I. Jansen, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 juli 2008.