Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD9504

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-04-2008
Datum publicatie
07-08-2008
Zaaknummer
AWB 07/36822
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / studiefinanciering / middelenvereiste

Weigering aanvraag mvv voor het doel "verblijf bij echtgenote". Verweerder heeft het niet aanmerken van de inkomsten uit studiefinanciering als middelen van bestaan, aan eiser kunnen tegenwerpen. Geen sprake van dusdanige bijzondere omstandigheden dat er aanleiding is om vrijstelling te verlenen van het middelenvereiste. Geen schending van artikel 8 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 07 / 36822

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 17 april 2008

in de zaak van:

[Eiser],

geboren op [1973], van Indiaase nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. T.E. Breton-de Munck, advocaat te Lisse,

tegen:

de minister van Buitenlandse Zaken,

verweerder,

gemachtigde: mr. H. van Velzen, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 19 april 2005 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘Verblijf bij echtgeno(o)t(e)’. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 1 augustus 2005 afgewezen. Eiser heeft tegen het besluit op 11 augustus 2005 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 18 oktober 2006 ongegrond verklaard. Het hiertegen door eiser ingestelde beroep is bij uitspraak van 3 juli 2007 gegrond verklaard. Bij besluit van 31 augustus 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser wederom ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser op 25 september 2007 beroep ingesteld.

1.2 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 13 maart 2008. Eiser is vertegenwoordigd door M.J. Baaij, immigratiedeskundige op het kantoor van eisers gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Ingevolge artikel 72, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een beschikking omtrent de afgifte van een visum, waaronder begrepen een mvv, voor de toepassing van hoofdstuk 7 “Rechtsmiddelen” van de Vreemdelingenwet 2000 gelijkgesteld met een beschikking omtrent een verblijfsvergunning regulier gegeven krachtens deze wet.

2.3 Verweerder pleegt de aanvraag tot het verlenen van een mvv te toetsen aan de voorwaarden die worden gesteld voor het verlenen van een verblijfsvergunning in Nederland.

2.4 Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling dan wel de hoofdpersoon niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

2.5 Ingevolge artikel 3.13, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vw, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, verleend aan het in artikel 3.14 genoemde gezinslid van de in artikel 3.15 bedoelde hoofdpersoon, indien wordt voldaan aan alle in de artikelen 3.16 tot en met 3.22 genoemde voorwaarden.

2.6 In artikel 3.22, eerste lid, Vb wordt – voor zover relevant – bepaald dat de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend, indien de hoofdpersoon: a. duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen als bedoeld in artikel 3.74, onder a.

2.7 In de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) heeft verweerder beleidsregels over de uitleg van ‘middelen van bestaan’ vastgesteld.

2.8 Onder B1/4.3.1 Vreemdelingencirculaire (Vc) wordt – onder meer - niet als (bestanddeel van de) middelen van bestaan aangemerkt: een beurs krachtens de Wet Studiefinanciering.

2.9 Verweerder heeft de onderhavige aanvraag primair geweigerd op de grond dat niet is gebleken dat de hoofdpersoon zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt, nu studiefinanciering niet aangemerkt wordt als middelen van bestaan en enkel de inkomsten uit arbeid van de hoofdpersoon onvoldoende zijn om aan het middelenvereiste te voldoen. Verweerder ziet geen aanleiding om af te wijken van het beleid zoals neergelegd onder B1/4.3.1 Vc.

2.10 Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat eiser en zijn gezin goed kunnen leven van de inkomsten van de hoofdpersoon, te weten EUR 1000,-- aan studiefinanciering en EUR 600,-- aan inkomen uit arbeid. Voorts zal het afmaken van de studie van de hoofdpersoon op lange termijn meer (financiële) zekerheid geven. Bovendien moet worden afgevraagd of een jaarcontract meer zekerheid biedt dan een aantal jaren studiefinanciering, aldus eiser.

2.11 De rechtbank begrijpt de stelling van eiser aldus dat verweerder het niet aanmerken van de inkomsten uit studiefinanciering als middelen van bestaan, niet aan eiser heeft kunnen tegenwerpen en dat er sprake is van dusdanige bijzondere omstandigheden dat er aanleiding is om een vrijstelling te verlenen van het middelenvereiste. Aan deze stelling heeft eiser ten grondslag gelegd dat de hoofdpersoon - vanwege de zorg over een minderjarig kind - niet aan het middelenvereiste voor gezinshereniging kan voldoen. Indien wordt vastgehouden aan deze norm kunnen de hoofdpersoon en eiser nimmer in Nederland een gezamenlijke huishouding voeren. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze omstandigheden niet als dusdanig bijzonder heeft hoeven aanmerken dat van het middelenvereiste zoals neergelegd in de wet en het beleid zou moeten worden afgeweken. Verweerder heeft derhalve het middelenvereiste in redelijkheid kunnen tegenwerpen.

2.12 Voorts is niet in geschil dat sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM tussen eiser, de hoofdpersoon en hun minderjarige kind. Er is geen sprake van inmenging, omdat de weigering eiser verblijf hier te lande toe te staan er niet toe strekt een verblijfstitel te ontnemen die hem tot het uitoefenen van het familie- of gezinsleven in staat stelde.

2.13 Met betrekking tot de vraag of er sprake van een positieve verplichting, overweegt de rechtbank het volgende.

2.14 Verweerder stelt zich op het standpunt dat die verplichting niet bestaat. Volgens eiser heeft verweerder in het bestreden besluit niet kenbaar gemaakt op welke wijze in dit kader een belangenafweging heeft plaatsgevonden en heeft verweerder nagelaten deugdelijk te motiveren waarom meer gewicht moet worden toegekend aan het algemeen belang dan aan het belang van eiser.

2.15 In het bestreden besluit heeft verweerder in het kader van artikel 8 EVRM overwogen dat in beleid met betrekking tot het middelenvereiste in zijn algemeenheid een afweging is gemaakt tussen het belang van de vreemdeling op uitoefening van familie- of gezinsleven en het belang van de Nederlandse overheid. Indien aan het beleid niet wordt voldaan wordt in beginsel aan het belang van de Nederlandse overheid overwegende betekenis toegekend. Voorts overweegt verweerder dat niet is gebleken van een objectieve belemmering om het familie- of gezinsleven in India uit te oefenen, nu eiser en zijn gezin reeds in India samen hebben gewoond, waar eiser werk heeft en er onderwijsmogelijkheden voor het kind zijn. Daarnaast heeft verweerder op de mogelijkheid gewezen voor een toekomstig familie- of gezinsleven in Nederland wanneer de hoofdpersoon - na haar studie - wel aan het middelenvereiste kan voldoen. Het in het beroepschrift ingenomen standpunt dat uit de bestreden beschikking niet blijkt dat een belangenafweging heeft plaatsgevonden tussen het belang van eiser op familie- of gezinsleven met zijn echtgenote en minderjarig kind en het algemeen belang van de Nederlandse staat, is derhalve feitelijk onjuist. Er is geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd.

2.16 De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

2.17 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, en op 17 april 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. N.M. de Noronha-Chi, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.