Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD9492

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-06-2008
Datum publicatie
07-08-2008
Zaaknummer
AWB 06-60526
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vertrekverklaring / intrekking beroep

Eiser heeft bij zijn vertrek uit Nederland op 22 februari 2007 een zogeheten ‘vertrekverklaring’ ondertekend waarbij hij heeft verklaard dat hij vrijwillig uit Nederland wenst te vertrekken en dat hij er mee instemt dat (eventuele) nog openstaande verblijfsrechtelijke procedures worden ingetrokken. De rechtbank stelt vast dat uit deze verklaring van 22 februari 2007 volgt dat eiser op die datum de op dat moment lopende procedures ter verkrijging van een verblijfsvergunning heeft ingetrokken. Niet blijkt dat eiser daarna wenst terug te komen op die intrekking. Door de gemachtigde van eiser wordt betoogd dat aan de intrekking geen gewicht kan worden toegekend, maar niet blijkt dat eiser zelf aangeeft het beroep nooit te hebben willen intrekken of alsnog te willen handhaven. Daar komt bij dat eiser zelf heeft aangegeven te willen terugkeren naar Iran, dat er vervolgens enige tijd is verstreken voordat aan die mededeling van eiser gevolg is gegeven, gedurende welke tijd eiser de gevolgen van zijn wens heeft kunnen overdenken maar daar niet van is teruggekomen, en dat de intrekking van het nog openstaande beroep strookt met de wens van eiser om te vertrekken, waaruit immers kan worden afgeleid dat hij niet langer belang hecht aan het verkrijgen van een verblijfsvergunning in Nederland. Evenmin is een verklaring van een deskundige overgelegd die inhoudt dat eiser op het moment van het ondertekenen van de meergenoemde verklaring de reikwijdte daarvan niet kon overzien. Beroep wordt vervallen verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 06 / 60526

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 27 juni 2008

in de zaak van:

[Eiser],

geboren op [1973], van Iraanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. M.R. van der Linde, advocaat te Zaandam,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. T. Nauta, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 24 januari 2006 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel medische noodsituatie. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 26 april 2006 afgewezen. Eiser heeft tegen het besluit op 23 mei 2006 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 13 november 2006 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit op 11 december 2006 beroep ingesteld.

1.2 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 17 juni 2008. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Eiser en zijn gemachtigde zijn, na voorafgaand bericht, niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1 De rechtbank zal eerst beoordelen of het beroep tegen het bestreden besluit nog bestaat.

2.2 Daarbij zijn de volgende feiten van belang.

Eiser heeft op 11 december 2006 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat hij de beslissing, op het door hem ingestelde beroep tegen het besluit hem geen verblijfsvergunning regulier onder de beperking medische noodsituatie te verstrekken in Nederland, kon afwachten. Eiser is op 22 februari 2007 vertrokken naar Iran via het terugkeerprogramma van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). De voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft daarop het verzoek om een voorlopige voorziening bij uitspraak van 18 maart 2008 (AWB 06/60527) afgewezen omdat het spoedeisende belang was komen te vervallen doordat eiser Nederland heeft verlaten. Door verweerder is per fax van 16 juni 2008 een vertrekverklaring, door eiser op 22 februari 2007 ondertekend, overgelegd.

2.3 Deze verklaring houdt – voor zover hier van belang – in:

“Met de ondertekening van deze verklaring,

- verklaar ik dat ik Nederland vrijwillig verlaat;

- verklaar ik dat ik mijn aanvraag om vertrek met assistentie van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) niet op oneigenlijke gronden heb ingediend;

- stem ik er mee in dat (eventuele) nog openstaande verblijfsrechtelijke procedures worden ingetrokken/dat mijn verblijfsvergunning wordt ingetrokken;(…)

- verklaar ik dat ik de inhoud van deze verklaring volledig heb begrepen.”

2.4 Door de gemachtigde van eiser is – kort samengevat – het volgende betoogd. Verweerder had gelet op de bijzondere situatie van eiser nooit mee mogen werken aan diens eis terug te keren naar Iran. Het bestreden besluit is genomen naar aanleiding van een aanvraag van eiser die er op is gebaseerd dat er voor gevreesd moest worden dat eiser suïcide zou plegen als hij – als uitgeprocedeerd asielzoeker – uitgezet zou worden naar Iran, welke aanvraag is onderbouwd met een rapportage over de psychische toestand van eiser. Die rapportage houdt – kort gezegd – in dat eiser kampt met een ernstige posttraumatische stressstoornis, dat hij depressief is en dat hij reeds tweemaal een suïcidepoging heeft gedaan. Hangende het beroep tegen het besluit van verweerder heeft eiser geëist dat deze zou meewerken aan het vertrek van eiser, waarbij eiser heeft gedreigd zichzelf in brand te steken als die medewerking niet zou worden verleend. De gemachtigde van eiser betoogt dat eiser dusdanig verward was dat verweerder zijn eis niet serieus had mogen nemen en niet had mogen meewerken aan zijn vertrek. Verweerder heeft geen verklaring overgelegd, zodat niet vaststaat dat eiser een dergelijke verklaring heeft ondertekend. Maar als ervan uitgegaan moet worden dat eiser zo’n verklaring wel heeft ondertekend kan daaraan, gelet op de psychische toestand van eiser, geen gewicht worden toegekend.

2.5 Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat niet aannemelijk is geworden dat de intrekking van het beroep tegen zijn besluit van 13 november 2006 niet op rechtsgeldige wijze is geschied.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.6 Artikel 6:21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het beroep schriftelijk kan worden ingetrokken. Met betrekking tot die bepaling is in een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (10 januari 2001, JB 2001/74), voor zover hier van belang, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van dat college overwogen dat door intrekking van het beroep het besluit dat met dat beroep werd bestreden rechtens onaantastbaar wordt. Een bevoegd gedane intrekking kan na afloop van de beroepstermijn niet meer ongedaan gemaakt worden, tenzij er sprake is van aan eiser niet toe te rekenen omstandigheden waardoor hij in een situatie van dwaling verkeerde of blijkt van dwang of bedrog van enige zijde teneinde eiser te bewegen het beroep in te trekken.

2.7 De rechtbank stelt vast dat uit de door verweerder overgelegde verklaring van 22 februari 2007 volgt dat eiser op die datum de op dat moment lopende procedures ter verkrijging van een verblijfsvergunning heeft ingetrokken.

2.8 Niet blijkt dat eiser wenst terug te komen op die intrekking. Door de gemachtigde van eiser wordt betoogd dat aan de intrekking geen gewicht kan worden toegekend, maar niet blijkt dat eiser zelf aangeeft het beroep nooit te hebben willen intrekken of alsnog te willen handhaven. Daar komt bij dat eiser zelf heeft aangegeven te willen terugkeren naar Iran, dat er vervolgens enige tijd is verstreken voordat aan die mededeling van eiser gevolg is gegeven, gedurende welke tijd eiser de gevolgen van zijn wens heeft kunnen overdenken maar daar niet van is teruggekomen, en dat de intrekking van het nog openstaande beroep strookt met de wens van eiser om te vertrekken, waaruit immers kan worden afgeleid dat hij niet langer belang hecht aan het verkrijgen van een verblijfsvergunning in Nederland. Evenmin is een verklaring van een deskundige overgelegd die inhoudt dat eiser op het moment van het ondertekenen van de meergenoemde verklaring de reikwijdte daarvan niet kon overzien.

2.9 Door de gemachtigde van eiser is nog verzocht om overlegging van de antwoorden op Kamervragen die over de onderhavige zaak zijn gesteld (vragen van het lid Azough (Groen Links) aan de staatssecretaris van Justitie over het vrijwillige vertrek van een Iraanse asielzoeker, Aanhangsel van de Handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2006-2007, nr. 2327). De bedoelde antwoorden zijn door verweerder niet overgelegd. In aanmerking genomen dat de bedoelde antwoorden ongeacht de inhoud daarvan niet kunnen worden beschouwd als een deskundigenbericht op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat eiser de reikwijdte van zijn handelen ten tijde van het ondertekenen van zijn verklaring niet kon overzien, gaat de rechtbank hieraan voorbij.

2.10 Dit in aanmerking nemende, is niet aannemelijk geworden dat sprake is van niet aan eiser toe te rekenen omstandigheden waardoor hij in een situatie van dwaling verkeerde, noch dat sprake is van dwang of bedrog van enige zijde om eiser te bewegen het beroep in te trekken.

2.11 Nu eiser het beroep heeft ingetrokken, is het besluit van 13 november 2006 rechtens onaantastbaar geworden en zal de rechtbank verklaren dat het beroep is vervallen.

2.12 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart dat het beroep is vervallen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Geelhoed, rechter, en op 27 juni 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van J.M. Mills, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.