Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD9339

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-07-2008
Datum publicatie
06-08-2008
Zaaknummer
AWB 08/21394
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / Afghanistan / EU-documenten / vrijwillige terugkeer / Memorandum of Understanding

Het beroep is gegrond verklaard wegens ontbreken van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn vanwege toegewezen vovo en onvoldoende oortvarend handelen. Onderzoek is heropend vwb verzoek om schadevergoeding. Nav een brief van het Afghaanse consulaat waarin staat dat geen medewerking wordt verleend aan gedwongen terugkeer op een EU-document, heeft de rechtbank vragen gesteld.

De rechtbank stelt vast dat verweerders beschrijving van de werkwijze met betrekking tot EU-documenten en de interpretatie van het MoU niet overeenkomt met de beschrijving en interpretatie die het consulaat-generaal daarvan heeft gegeven, hetgeen opmerkelijk genoemd kan worden. De rechtbank beoordeelt in het kader van onderhavig verzoek om schadevergoeding evenwel niet of de afspraken die tussen de Afghaanse autoriteiten en verweerder zijn gemaakt met betrekking tot de mogelijke uitzetting op een EU-document op de juiste wijze worden nageleefd, maar of er feitelijk zicht op uitzetting aanwezig was. Het consulaat-generaal betwist niet dat er in 7 gevallen gedwongen uitzetting heeft plaatsgevonden. Ook door verzoeker wordt dit niet betwist. Nu is gebleken dat sinds januari 2007 7 Afghaanse onderdanen met een EU-document naar Afghanistan zijn uitgezet, acht de rechtbank geen grond aanwezig voor het oordeel dat zicht op uitzetting om deze reden ontbrak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken

Registratienummer: Awb 08/21394

Uitspraak op het verzoek om toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in het geding tussen:

[verzoeker],

geboren op [1950],

van Afghaanse nationaliteit,

IND dossiernummer 0206.19.8003,

raadsman mr. R. Bosma,

verzoeker;

en

De Staatssecretaris van Justitie,

vertegenwoordigd door R.L.F. Zandbelt,

ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 1 juli 2008 heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het voortduren van de vrijheidsontneming gegrond verklaard, de opheffing van de bewaring bevolen en het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de omvang van de toe te kennen schadevergoeding.

De rechtbank heeft verweerder bij brief van 3 juli 2008 vragen gesteld. Verweerder heeft deze vragen bij brief van 10 juli 2008 beantwoord. Verzoeker heeft bij brief van 12 juli 2008 op de antwoorden van verweerder gereageerd.

Partijen hebben toestemming verleend dat nader onderzoek ter zitting achterwege kan blijven.

2. Overwegingen

Verzoeker verzoekt om toekenning van schadevergoeding, omdat het zicht op uitzetting naar Afghanistan is komen te ontvallen en verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.

Verzoeker heeft ten aanzien van het zicht op uitzetting verwezen naar de brief van het consulaat-generaal van Afghanistan in Nederland van 11 juni 2008. Verzoeker heeft verder verwezen naar een brief van het consulaat van 10 juli 2008 waarin is gereageerd op de antwoorden die verweerder heeft gegeven op door de rechtbank bij brief van 3 juli 2008 gestelde vragen. Hieruit blijkt dat de Afghaanse autoriteiten, anders dan verweerder stelt, niet meewerken aan gedwongen terugkeer naar Afghanistan.

De rechtbank heeft bij brief van 3 juli 2008 de volgende vragen aan verweerder gesteld, mede naar aanleiding van de door verzoeker overgelegde brief van het consulaat-generaal van 11 juni 2008, en de volgende antwoorden ontvangen:

Vraag 1:

Het lijkt gerechtvaardigd aan te nemen dat het Afghaanse consulaat-generaal in Nederland het standpunt van de Afghaanse overheid uitdraagt. Blijkens de brief van het consulaat-generaal van Afghanistan van 11 juni 2008 staat de overheid afwijzend tegenover gedwongen terugkeer naar Afghanistan. Hoe moet deze mededeling worden beoordeeld in het licht van de door u beschreven werkwijze ten aanzien van uitzetting met EU-Staten, gegeven dat daarbij de medewerking van de Afghaanse autoriteiten kennelijk noodzakelijk is, niet alleen in de vorm van afgifte van een verklaring van geen bezwaar maar ook bij de feitelijke toelating tot Afghanistan? En hoe beoordeelt u in dit verband de mededeling dat in het, volgens het consulaat, generaal nog steeds onverkort van kracht zijnde Tripartite Memorandum of Understanding (hierna: MoU) uit 2003 niets is opgenomen over uitzetting met EU¬Staten?

Antwoord:

Verweerder stelt zich op het standpunt dat zicht op uitzetting bestaat voor gedwongen terugkeer naar Afghanistan. Het MoU tussen de Nederlandse, de Afghaanse autoriteiten en de UNHCR van 18 maart 2003, maakt ook gedwongen uitzettingen mogelijk met een EU-Staat.

Uitgangspunt van de MoU is wel dat alternatieven voor vrijwillige terugkeer pas als laatste mogelijkheid zullen worden gebruikt en dit is in de MoU ook in die woorden opgenomen. Uiteraard onderschrijft verweerder ook dat vrijwillige terugkeer, al dan niet voorzien van faciliteiten geboden door het IOM, te verkiezen is boven gedwongen verwijdering en verweerder is bij een reële poging daartoe ook bereid daarbij te ondersteunen. In de MoU wordt gesproken over 'alternatieven voor vrijwillige terugkeer', en worden niet de letterlijke woorden 'gedwongen terugkeer' gebruikt. Echter, ook onder de werking van het MoU is gedwongen terugkeer wel degelijk als (laatste) mogelijkheid onderkend. Dat de EU-Staat niet uitdrukkelijk wordt genoemd maakt het gebruik daarvan niet strijdig met de MoU. Verweerder heeft gekozen voor de EU-Staat als meest voor de hand liggende vorm, mede vanwege het feit dat luchtvaartmaatschappijen personen anders niet zullen meenemen. Het gebruik van de EU-Staat is algemeen geaccepteerd bij gedwongen terugkeer naar Afghanistan, ook omliggende landen waaronder het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Frankrijk maken hier gebruik van.

Vraag 2:

In de brief van het consulaat-generaal staat verder dat geen gevallen bekend zijn waarin contact is geweest tussen het Ministerie van Vluchtelingenzaken in Kabul en verweerder en evenmin dat gevallen bekend zijn waarin dergelijke verklaringen van geen bezwaar zouden zijn afgegeven. Kunt u aangeven of er, in het kader van individuele bewaringszaken, daadwerkelijk contacten zijn geweest met het Afghaanse Ministerie van Vluchtelingenzaken en of dat heeft geleid tot afgifte van een verklaring van geen bezwaar?

Antwoord:

De DT&V, i.c. de verantwoordelijke afdeling Bijzonder Vertrek en Boekingen, onderhoudt geen rechtstreeks contact met het Afghaanse Ministerie van Vluchtelingen en Repatriëring (MoRR). De procesgang is als volgt.

Nadat tijdens de presentatie in persoon door de Afdeling LP van de DT&V bij het Afghaanse Consulaat-Generaal de nationaliteit is vastgesteld, informeert genoemde afdeling de verantwoordelijke regievoerder dat de vreemdeling niet vrijwillig wil vertrekken en dat de vreemdeling mogelijk naar Afghanistan kan terugkeren. Nadat de regievoerder daarover vervolgens contact heeft opgenomen met de afdeling Bijzonder Vertrek, legt laatstgenoemde afdeling aan het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken de vraag voor of er bezwaren bestaan tegen de uitzetting van de vreemdeling. Het Ministerie heeft een reactietermijn van vier weken, binnen welke zij zich tevens verstaan met de Afghaanse autoriteiten en de UNCHR ter plekke. De Nederlandse vertegenwoordiging in Kabul vraagt per mail aan het ministerie van Vluchtelingenzaken (MORR) en het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Afghanistan of er bezwaar bestaat tegen de terugkeer van een vreemdeling van wie de Afghaanse consul in Nederland de Afghaanse nationaliteit heeft vastgesteld. Bovendien wordt de mail eveneens gezonden naar de lokale vertegenwoordiger van de UNCHR in Kabul. Indien er voor afloop van de termijn van vier weken geen bezwaren zijn binnengekomen, wordt er een vlucht voor de vreemdeling geboekt.

Tenminste vijf werkdagen voorafgaand aan het daadwerkelijke vertrek (i.c. de geplande vluchtdatum) worden het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken, de UNHCR en het Afghaanse Consulaat-Generaal op de hoogte gebracht van de vluchtgegevens van de vreemdeling.

Vraag 3:

Zijn er Afghaanse onderdanen met behulp van een EU-Staat uitgezet en zijn zij ook tot Afghanistan toegelaten? Zo ja, in hoeveel gevallen is dat sinds 1 januari 2007 gebeurd en wanneer hebben die uitzetting plaatsgevonden?

Antwoord:

Er zijn sinds 1 januari 2007 tenminste 7 Afghaanse vreemdelingen met een EU-Staat naar Kabul uitgezet en die zijn allen tot Afghanistan toegelaten. Er is derhalve geen sprake geweest van uit Nederland verwijderde Afghaanse onderdanen aan wie alsnog de toegang tot Afghanistan werd geweigerd bij aankomst in Kabul.

In de door verzoeker overgelegde brief van het consulaat-generaal van 12 juli 2008 staat dat de gestelde methode met EU-documenten en de beweerde algemene aanvaarding door andere landen niet bekend is bij het consulaat-generaal. Volgens het Groenbook van de EG van 10 april 2002 wordt deze door landen van terugkeer niet aanvaard of slechts bij uitzondering. Voorts wordt in de brief aangegeven dat het consulaat-generaal niet bekend is met mails aan de Afghaanse autoriteiten of de UNHCR met zulke consequenties. Zo ze al zouden zijn gestuurd dan is de vraag of uitdrukkelijk de onvrijwilligheid was vermeld en welke zorg werd betracht teneinde zich van een goede ontvangst te vergewissen, aldus het consulaat-generaal. Het consulaat is niet bekend of in bedoelde 7 gevallen aldus gehandeld werd en de vereiste zorgvuldigheid werd betracht.

De rechtbank stelt vast dat verweerders beschrijving van de werkwijze met betrekking tot EU-documenten en de interpretatie van het MoU niet overeenkomt met de beschrijving en interpretatie die het consulaat-generaal daarvan heeft gegeven, hetgeen opmerkelijk genoemd kan worden. De rechtbank beoordeelt in het kader van onderhavig verzoek om schadevergoeding evenwel niet of de afspraken die tussen de Afghaanse autoriteiten en verweerder zijn gemaakt met betrekking tot de mogelijke uitzetting op een EU-document op de juiste wijze worden nageleefd, maar of er feitelijk zicht op uitzetting aanwezig was. Het consulaat-generaal betwist niet dat er in 7 gevallen gedwongen uitzetting heeft plaatsgevonden. Ook door verzoeker wordt dit niet betwist. Nu is gebleken dat sinds januari 2007 7 Afghaanse onderdanen met een EU-document naar Afghanistan zijn uitgezet, acht de rechtbank geen grond aanwezig voor het dat zicht op uitzetting om deze reden ontbrak.

Ten aanzien van de voortvarendheid heeft de rechtbank in de uitspraak van 1 juli 2008 reeds geoordeeld dat en waarom verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Nu verweerder in eerste instantie had bericht op 8 mei 2008 het verzoek om een verklaring van geen-bezwaar te hebben doorgeleid naar het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken maar later bleek dat dit eerst op 28 mei 2008 heeft plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat de bewaring met ingang van 9 mei 2008 onrechtmatig is geworden en dat er termen zijn om vanaf dat moment schadevergoeding toe te kennen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er, alle omstandigheden, waaronder de levensomstandigheden van verzoeker, in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig om hem ten laste van de Staat een schadevergoeding toe te kennen van € 70,-- per dag voor de dagen die verzoeker vanaf 9 mei 2008 heeft doorgebracht in het huis van bewaring. Dit betekent dat een schadevergoeding van € 3710,-- zal worden toegekend.

Er bestaat aan¬leiding verweerder te veroordelen in de kosten die de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden. Dit bedrag dient naar het oordeel van de rechtbank te worden vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroep + 1 punt voor het verschijnen ter zitting x wegingsfactor 1 x € 322,--).

3. Beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek toe;

- kent aan verzoeker ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding toe van € 3710,--;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechts¬persoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.A. ter Meer - Siebers en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. M.P. de Zwart als griffier op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

De voorzitter van de rechtbank te 's-Gravenhage beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 3710,--.

Aldus gedaan op

door mr. M.A.A. ter Meer – Siebers, fungerend voorzitter.