Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD9334

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-08-2008
Datum publicatie
06-08-2008
Zaaknummer
AWB 07/31340, 07/31347
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mvv-aanvraag / Afghanistan / (verruimde) gezinshereniging / toetsingskader / horen in bezwaar

Eiseressen en hun moeder (AWB 07/31346), afkomstig uit Afghanistan, hebben een mvv-aanvraag ingediend voor verblijf bij hun hier te lande verblijvende broer. De rechtbank stelt vast, gelet op de gedingstukken en hetgeen ter zitting is toegelicht, dat verweerder de aanvraag van eiseressen primair had dienen te toetsen aan het gezinsherenigingsbeleid voor verblijf bij moeder en subsidiair aan het verruimde gezinsherenigingsbeleid voor verblijf bij broer. Verweerder is ten onrechte voorbijgegaan aan hetgeen eiseressen primair hebben aangevraagd. De rechtbank acht hierbij tevens van belang hetgeen eiseressen hebben aangevoerd omtrent de gang van zaken voorafgaand aan de totstandkoming van het besluit. De rechtbank is van oordeel dat de voorbereiding van het bestreden besluit vóór de hoorzitting, met name het horen voordat de bezwaargronden bij verweerder bekend waren, onzorgvuldig is geweest. Beroepen gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittinghoudende te Utrecht

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 07/31340 MVV en AWB 07/31347 MVV

uitspraak van de meervoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken d.d. 5 augustus 2008

inzake

[eiseres sub 1], geboren op [geboortedatum] juli 1989, eiseres sub 1

[eiseres sub 2], geboren op [geboortedatum] juli 1990, eiseres sub 2, van Afghaanse nationaliteit,

gemachtigde: mr. L. Sinoo, advocaat te Utrecht,

tegen besluiten van

de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

gemachtigde: mr. T. Hartsuiker, werkzaam bij de onder de Staatssecretaris van Justitie ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

Inleiding

1.1 Bij besluiten van 11 juli 2007 heeft verweerder de bezwaren van eiseressen tegen zijn besluiten van 28 maart 2007 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemde besluiten heeft verweerder de aanvragen van eiser van 21 december 2006 om hen een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) onder de beperking “verblijf bij hun broer [broer] (hierna te noemen: referent)” te verlenen afgewezen. Eiseressen hebben tegen de besluiten van 11 juli 2007 beroepen bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 De gedingen zijn behandeld ter zitting van 15 mei 2008. Referent is ter zitting verschenen. Eiseressen en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 In geschil is of eiseressen in aanmerking komen voor een mvv onder de beperking “verblijf bij hun broer [referent]”.

2.2 Uit de gedingstukken is als volgt gebleken. Referent heeft aangevoerd dat hij zeven jaar geleden door de oorlog in Afghanistan naar Nederland is gekomen. Sinds 1999 is referent op zoek geweest naar zijn vader, moeder en twee zusters. Een jaar na de val van het Taliban-regime vond eiser hen met behulp van het Rode Kruis. Vlak voor de parlementaire verkiezingen in Afghanistan werd zijn vader vermoord. Met behulp van het Nederlandse consulaat slaagde referent er in eiseressen en zijn moeder naar de Isaf-basis in Kabul te brengen. Daarna bracht hij hen onder bij een vriend in Jalalabad. Referent keerde vervolgens terug naar Nederland. Nadat zijn vriend gevangen werd genomen, keerde referent nogmaals terug naar Afghanistan en bracht hij eiseressen en zijn moeder onder bij een familie in het grensgebied tussen Pakistan en Afghanistan. Referent keerde terug naar Kabul om overleg te plegen met stamgenoten. Dit overleg liep op niets uit. Referent werd vervolgens zelf bijna vermoord en vluchtte naar de Nederlandse ambassade in Kabul, waar men referent en zijn moeder en zusters niet kon helpen. Na onderhavige aanvraag te hebben ingediend keerde referent terug naar Nederland. Referent voert aan dat eiser zich niet zelfstandig kan handhaven in Afghanistan en loopt het risico te worden verkracht of vermoord. Referent is bereid zijn familierechtelijke relatie met eiseressen aan te tonen door middel van een DNA-onderzoek. Zijn broer wordt nog steeds vermist.

2.3 Verweerder heeft in het bestreden besluit, voor zover hier van belang en samengevat, het volgende overwogen. Niet is gebleken dat de brief van referent, ontvangen op 10 april 2007, ten onrechte als bewaarschrift is aangemerkt of dat gemachtigde niet of onvoldoende de gelegenheid heeft gekregen het bezwaarschrift met nadere gronden en relevante gegevens en bescheiden aan te vullen. De familierechtelijke relatie tussen referent en eiseressen is nog immer niet aangetoond. Aangenomen wordt dat eiseressen feitelijk behoren en reeds in het buitenland behoorden tot het gezin van referent. In de onderhavige procedure wordt aangenomen dat wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.24, onder a, van het Vreemdelingenbesluit. Niet is gebleken dat de achterlating van eiseressen naar het oordeel van Onze Minister een onevenredige hardheid betekent. In het kader van artikel 8 van het EVRM rust op de Nederlandse overheid geen positieve verplichting om het gezinsleven hier te lande toe te staan. Achterlating van eiseressen getuigt niet van een onevenredige hardheid. Er bestaat geen objectieve belemmering om het familie- of gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. In punt 3.1 van het verweerschrift is vermeld dat verweerder het niet aangetoond zijn van de familierelatie tussen eiseressen en referent niet langer aan eiseressen tegenwerpt.

2.4 Eiseressen hebben tegen deze besluiten het volgende aangevoerd. Eiseressen benadrukken dat de gang van zaken voorafgaand aan de totstandkoming van de besluiten onzorgvuldig is geweest, nu de gemachtigde van eiseressen de gronden van het bezwaarschrift tijdens de hoorzitting van de ambtelijke commissie moest indienen. Dit had tot gevolg dat tijdens de hoorzitting de leden van de ambtelijke commissie niet op de hoogte waren van de argumenten in het bezwaarschrift. Hierdoor zijn eiseressen in hun belangen geschaad. Eiseressen benadrukken dat de gezinsband afdoende is aangetoond. Ten onrechte is verweerder voorbij gegaan aan overgelegde gelegaliseerde identiteitsbewijzen en gelegaliseerde geboorte-akten. Ten onrechte wordt in het bestreden besluit niet ingegaan op de zéér slechte situatie waarin eiseressen thans in Afghanistan verblijven. Verweerder heeft de relevante omstandigheden zoals aangegeven tijdens de hoorzitting niet betrokken bij de besluitvorming. De situatie waaronder eiseressen in het land van herkomst verblijven is ook in de huidige reguliere procedure van belang, met name nu het gezinshereniging betreft bij een hoofdpersoon die is toegelaten als vluchteling. Voor de vraag of achterlating van de gezinsleden van onevenredige hardheid is zijn immers de omstandigheden waaronder deze gezinsleden in het land van herkomst verblijven wel degelijk van belang. Referent voldoet aan het middelenvereiste. Het bestreden besluit is wel degelijk in strijd met artikel 8 van het EVRM. Eiseressen verblijven immers onder zéér moeilijke omstandigheden in Afghanistan als alleenstaande vrouwen. Van belang is dat het gezin als gevolg van de oorlogssituatie uit elkaar is geraakt. Eiseressen en referent hebben er niet voor gekozen voor de huidige gebrekkige wijze waarop het familieleven wordt uitgeoefend. Er is een objectieve belemmering om het gezinsleven in Afghanistan uit te oefenen. Als gevolg van een stammenconflict is het voor referent onmogelijk om veilig terug te keren naar Afghanistan. Ten onrechte heeft verweerder getoetst aan het beleid voor verruimde gezinshereniging. Het verblijfsdoel is gezinshereniging. Eiseressen beogen verblijf bij hun moeder, die op haar beurt verblijf bij referent beoogt. Het had op de weg van verweerder gelegen om nadere informatie in te winnen aangaande het verblijfsdoel, temeer nu de aanvraag om de ambassade is ingediend.

2.5 Ingevolge artikel 72, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een beschikking omtrent de afgifte van een visum, waaronder begrepen een mvv, voor de toepassing van hoofdstuk 7 (rechtsmiddelen) van de Vw gelijkgesteld met een beschikking omtrent een verblijfsvergunning regulier gegeven krachtens deze wet. De gronden voor afgifte van een mvv zijn, zoals blijkt uit hoofdstuk B1/1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), gelijk aan die voor afgifte van een verblijfsvergunning.

2.6 Ingevolge artikel 13 van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien - voor zover hier van belang - internationale verplichtingen dan wel klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

2.7 De bijzondere voorwaarden waaronder een verblijfsvergunning onder de beperking, verband houdende met het verblijfsdoel “verruimde gezinshereniging”, kan worden verleend zijn nader uitgewerkt in artikel 3.24 van het Vb. Ingevolge dit artikel kunnen voor een verblijfsvergunning onder de beperking “verruimde gezinshereniging” in aanmerking komen (a) gezinsleden die feitelijk behoren tot het gezin van degene bij wie verblijf in Nederland wordt beoogd, en (b) voor zover hun achterlating een onevenredige hardheid zou betekenen.

2.8 In paragraaf B2/6.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is het beleid ten aanzien van artikel 3.24, aanhef en onder b, van het Vb opgenomen. Daarin is bepaald dat het hier gevallen betreft waarin door bijzondere omstandigheden de algemene belangen die zijn gediend met een restrictief toelatingsbeleid niet opwegen tegen de belangen van de vreemdeling bij verblijf in Nederland bij de hier gevestigde familieleden. In het algemeen kan die onevenredigheid slechts aanwezig zijn, indien sprake is van een of meer zeer bijzondere individuele omstandigheden, die bovendien tot gevolg hebben dat de achterlating van de vreemdeling in het land van herkomst een schrijnende situatie zou opleveren.

2.9 De rechtbank overweegt als volgt.

2.10 De rechtbank stelt vast dat de familierechtelijke relatie tussen eiseressen en referent niet langer in geschil is.

2.11 Eiseressen voeren aan dat verweerder hun aanvragen ten onrechte heeft getoetst aan het verblijf inzake verruimde gezinshereniging, aangezien zij ten tijde van de aanvraag minderjarig waren, afhankelijk zijn van hun moeder en verblijf bij hun moeder beogen. In dat kader hebben eiseressen gewezen op de herstelverzuimbrief van verweerder van 26 februari 2007. In die brief verzoekt verweerder eiseressen, voor zover zij zelfstandig verblijf bij referent beogen (dus niet als meereizende kinderen die verblijf bij hun moeder beogen) om nadere verklaringen af te leggen over de achtergrond van de aanvraag. Tevens hebben eiseressen gewezen op hun brief van 26 januari 2007 waarin zij te kennen hebben gegeven dat het verblijfsdoel “(verruimde) gezinshereniging” moet zijn. Gelet op voormelde brieven had verweerder volgens eiseressen moeten toetsen aan het beleid voor gezinshereniging.

2.12 De rechtbank stelt vast, gelet op de gedingstukken en hetgeen ter zitting is toegelicht, dat verweerder de aanvraag van eiseressen primair had dienen te toetsen aan het gezinsherenigingsbeleid voor verblijf bij moeder en subsidiair aan het verruimde gezinsherenigingsbeleid voor verblijf bij broer.

2.13 Gelet op het vorenstaande is verweerder ten onrechte voorbijgegaan aan hetgeen eiseressen primair hebben aangevraagd. De rechtbank acht hierbij tevens van belang hetgeen eiseressen hebben aangevoerd omtrent de gang van zaken voorafgaand aan de totstandkoming van besluit. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

2.14 Uit de gedingstukken blijkt dat primaire beslissingen van 28 maart 2007 op 28 maart 2007 zijn verzonden aan referent en op 3 april 2007 aangetekend zijn verzonden aan de gemachtigde van eiseressen, mr. L. Sinoo. Op 10 april 1007 is door verweerder een brief van referent ontvangen. Bij brief van 10 mei 2007 heeft verweerder aan referent bericht dat deze brief zal worden aangemerkt als bezwaarschrift. Bij brief van 16 mei 2007 heeft verweerder mr. L. Sinoo schriftelijk op de hoogte gesteld dat referent op 6 juni 2007 zal worden gehoord door een ambtelijke commissie om een nadere toelichting te geven op het ingediende bezwaarschrift. Uit de telefoonnotitie van 28 juni 2007 (de rechtbank leest 31 mei 2007, zie het bestreden besluit) blijkt dat gemachtigde van eiser heeft verzocht om uitstel van de hoorzitting op 6 juni 2007 en dat zij een herstelverzuimtermijn wenst voor het indienen van nadere gronden. De gemachtigde van eiseressen stelt zich op het standpunt dat de brief van referent ontvangen op 10 april 2007 ten onrechte is aangemerkt als bezwaarschrift. Uit de telefoonnotitie blijkt eveneens dat verweerder niet op de hoogte is van een door de gemachtigde van eiseressen ingediend bezwaarschrift. Bij brief van 1 juni 2007 is de gemachtigde van eiseressen medegedeeld dat zij tot de zitting van 6 juni 2007, en ook tijdens de zitting en indien nodig nog na de zitting stukken kan overleggen welke stukken bij de besluitvorming zullen worden betrokken.

2.15 Allereerst merkt de rechtbank op dat niet langer wordt betwist dat het door de gemachtigde van eiseressen op 1 mei 2007 ingediende bezwaarschrift tijdig door verweerder is ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van verweerder ligt om uit te zoeken wie de gemachtigde is van eiseres, temeer nu de primaire beslissing is verzonden aan mr. L. Sinoo, de gemachtigde van eiseres en de brief van 10 april 2007 is geschreven door referent, welke brief niet door verweerder is doorgestuurd naar mr. L. Sinoo. Tevens acht de rechtbank hierbij van belang dat een hoorzitting in bezwaar is bedoeld om nadere vragen te stellen over het ingediende bezwaarschrift. Met eiseressen is de rechtbank van oordeel dat zij door de handelwijze van verweerder in bezwaar in hun belangen zijn geschaad, aangezien hun gemachtigde eerst op 1 juni 2007, vijf dagen voor de hoorzitting op 6 juni 2007, in kennis is gesteld dat er een hoorzitting zou plaatsvinden en verweerder zich niet heeft kunnen voorbereiden op de gronden van het bezwaar die ten tijde van en na de hoorzitting zijn overgelegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de voorbereiding van het bestreden besluit vóór de hoorzitting, met name het horen voordat de bezwaargronden bij verweerder bekend waren, onzorgvuldig is geweest.

2.16 Uit al het voorgaande volgt dat de beroepen gegrond zijn. De bestreden beschikkingen kunnen niet in stand blijven en zullen worden vernietigd wegens strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel als neergelegd in de artikelen 7:12 en 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder zal worden opgedragen nieuwe beschikkingen te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.17 Bij uitspraak van heden is het beroep (geregistreerd onder nummer AWB 07/31346 MVV) van de moeder van eiseressen gericht de afwijzing van haar aanvraag om een mvv voor verblijf bij zoon gegrond verklaard. Verweerder dient hetgeen in die uitspraak is overwogen eveneens te betrekken bij de nieuwe beschikkingen.

2.18 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door eiseressen gemaakte proceskosten. De kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-).

2.19 Uit de gegrondverklaring volgt ingevolge artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dat verweerder het betaalde griffierecht ad tweemaal € 143,- dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen gegrond;

vernietigt de bestreden besluiten;

draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw te beslissen op de bezwaarschriften, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiseressen moet voldoen;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseressen betaalde griffierecht ad tweemaal € 143,-.

Aldus vastgesteld door mr. M.P. Glerum, als voorzitter en mrs. J. Ebbens en R. van Zutphen, als leden en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2008.

De griffier: mr. M.M. van Luijk-Salomons

De rechter: mr. M.P. Glerum

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Let wel: Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.