Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD9322

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-07-2008
Datum publicatie
06-08-2008
Zaaknummer
AWB 08/24857
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / termijn art. 59 lid 4 / gegrond asielberoep / rechtmatig verblijf

Eiser is na het uitreiken van de afwijzende asielbeschikking in bewaring gesteld. Het beroep tegen de asielbeschikking is nadien gegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de termijn van 59 lid 4 gaat lopen de dag na gegrondverklaring van het asielberoep. Het standpunt van verweerder zou tot gevolg hebben dat aan het nemen van een in rechte onhoudbare beslissing op de asielaanvraag, in dit geval kort voor de inbewaringstelling, geen consequentie zou worden verbonden voor wat betreft de duur van de bewaring en dat de termijn van zes weken die een asielzoeker in bewaring kan worden gehouden wordt overschreden. De rechtbank acht dit in strijd met artikel 59, vierde lid, Vw 2000 en met de beperkte toepassing van het middel van bewaring die verweerder bij vreemdelingen die een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel hebben gedaan blijkens zijn beleid voorstaat. De termijn van artikel 59, vierde lid, Vw 2000 moet geacht worden te zijn aangevangen op 16 juni 2008, de dag waarop eiser in bewaring werd gesteld, waardoor zij eindigt op 27 juli 2008. Dat betekent dat verweerder ten tijde van het sluiten van het onderzoek ter zitting nog drie dagen had om opnieuw op de aanvraag te beslissen. Nu verweerder evenwel heeft aangegeven dat eiser eerst in week 31 zal worden gehoord op zijn asielverzoek en derhalve vaststaat dat niet voor het einde van de termijn op de aanvraag zal worden beslist, ziet de rechtbank aanleiding de bewaring nu reeds onrechtmatig te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken

Registratienummer: Awb 08/24857

Uitspraak op het beroep tegen de bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

in het geding tussen:

[eiser],

geboren op [1981],

van Sierra Leoonse nationaliteit,

IND dossiernummer 0112.15.8007,

thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Zeist,

raadsman mr. J.M.M. Verstrepen,

eiser;

en

De Staatssecretaris van Justitie,

vertegenwoordigd door mr. C. Bijsterbosch,

ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder.

1. Procesverloop

Eiser heeft op 10 juli 2008 beroep ingesteld tegen het voortduren van de bewaring. Het beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan eiser en aan de rechtbank toegezonden. Eiser is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Het beroep is behandeld ter zitting van 24 juli 2008. Eiser is niet verschenen, maar heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn raadsman. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

Verweerder heeft verzocht om schorsing van het onderzoek aangezien onzeker is of de toezegging van de Sierraleoonse autoriteiten om voor eiser een laissez passer te verlenen gestand zal worden gedaan. Overleg daarover zal op 25 juli 2008 plaatsvinden met de consul van Sierra Leone. Duidelijkheid over dit punt acht verweerder van belang voor de beoordeling van dit beroep.

De rechtbank ziet geen aanleiding dit verzoek te honoreren, nu hetgeen eiser heeft aangevoerd reeds aanleiding vormt het beroep gegrond te verklaren en de opheffing van de bewaring te bevelen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Eiser heeft aangevoerd dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Hij heeft daartoe gewezen op het feit dat de Koninklijke Marechaussee in de asielprocedure heeft aangegeven dat het door eiser overgelegde document authentiek is. Eiser beschikt dus over een identiteitsdocument in de zin van artikel 4.21 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Voorts heeft eiser een vaste woonplaats, hij verblijft bij zijn vriendin, waardoor hij tevens over voldoende middelen van bestaan beschikt. Ten aanzien van de vertrektermijn heeft eiser aangevoerd dat hij zich direct heeft gemeld nadat de onduidelijkheid over het verloop na de afwijzing van de aanvraag was weggenomen.

De rechtbank overweegt dat bij de behandeling van een opvolgend beroep de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd in beginsel niet ter discussie staan. Dat beginsel lijdt uitzondering, indien komt vast te staan dat een of meer gronden ten onrechte aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, of na de inbewaringstelling zijn komen te vervallen. Daarvan is niet gebleken, nu al hetgeen eiser in dit verband heeft aangevoerd ook reeds bekend was ten tijde van het eerste beroep.

Eiser heeft aangevoerd dat de voorzieningenrechter het beroep tegen het afwijzende besluit op zijn asielaanvraag op 10 juli 2008 gegrond heeft verklaard maar dat verweerder eerst op 22 juli 2008 een categoriewijziging heeft doorgevoerd. Dat is te laat.

De rechtbank overweegt dat nu het verschil in betekenis van de grondslag van de inbewaringstelling tussen artikel 59, eerste lid, onder a, Vw 2000 en artikel 59, eerste lid, onder b Vw 2000 slechts is gelegen in de toegestane duur van de maatregel, de inbewaringstelling op een onjuiste grondslag de bewaring eerst dan onrechtmatig maakt indien de voor die bewaring toegestane duur is overschreden. Daarvan was ten tijde van de categoriewijziging evenwel geen sprake.

Eiser heeft voorts aangevoerd dat hij inmiddels bijna zes weken in bewaring zit. Uit de jurisprudentie (onder andere JV 1999/286 en JV 2001/144) volgt dat asielzoekers maximaal vier weken in bewaring kunnen worden gesteld, in die zin dat verweerder binnen vier weken op de aanvraag moet hebben beslist. De termijn gaat lopen op het moment dat de aanvraag is ingediend. Onder de Vw 2000 is deze lijn voortgezet, zij het dat nu, met het uitbrengen van een voornemen en het indienen van een zienswijze, een termijn van zes weken door verweerder inacht moeten worden genomen. Nu verweerder eiser pas in week 31 gaat horen en vervolgens nog een voornemen moet uitbrengen, de zienswijze moet afwachten en daarna pas een besluit kan nemen op de aanvraag, wordt die termijn ruimschoots overschreden. De bewaring is daarom nu reeds onrechtmatig.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de termijn van zes weken, die voortvloeit uit artikel 59, vierde lid, Vw 2000, in dit geval pas is gaan lopen na de gegrondverklaring van het asielberoep bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 10 juli 2008. De termijn is dus nog niet verstreken en verweerder is voornemens voor het einde van de termijn (opnieuw) op de aanvraag te beslissen is.

Ingevolge artikel 59, vierde lid, Vw 2000, voor zover thans van belang, duurt een bewaring krachtens het eerste lid, onder b, in geen geval langer dan vier weken. Indien voorafgaande aan de beslissing op de aanvraag toepassing is gegeven aan artikel 39, duurt de bewaring krachtens het eerste lid, onder b, in geen geval langer dan zes weken.

Eiser heeft op 10 juni 2008 een asielaanvraag ingediend. Na het uitreiken van het besluit op die aanvraag is eiser op dezelfde dag in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000. Eiser had, door het uitreiken van de afwijzende beschikking, niet langer rechtmatig verblijf, zodat hij op deze grond in bewaring kon worden gesteld.

Deze rechtbank en zittingsplaats heeft bij uitspraak van 10 juli 2008 het beroep gericht tegen de hernieuwde asielaanvraag van eiser gegrond verklaard. Dat brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat de periode die eiser vanaf 16 juni 2008 in bewaring heeft doorgebracht moet worden aangemerkt als een periode waarin eiser rechtmatig verblijf genoot. Immers, met het gegrondverklaren van het beroep en het vernietigen van het besluit, valt de procedure terug in de aanvraagfase. Eiser mag de beslissing op zijn aanvraag afwachten en heeft gedurende die periode rechtmatig verblijf. Tot op het moment van sluiting van het onderzoek ter zitting op 24 juli 2008 is niet op de aanvraag beslist. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat eiser vanaf 16 juni 2008 op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 in bewaring is gehouden.

Zoals deze rechtbank eerder heeft overwogen in de uitspraak van 3 september 2003, JV 2003/492, is in artikel 59, vierde lid, Vw 2000 uitdrukkelijk aangegeven dat bij een voornemenprocedure de inbewaringstelling in geen geval langer dan zes weken mag duren. In de Memorie van Toelichting bij artikel 59, vierde lid, Vw 2000 (TK 1998-1999, 26 732, pagina 60) is benadrukt dat met deze regel beoogd is veilig te stellen dat de maatregel van bewaring alleen wordt opgelegd indien op korte termijn een beslissing tot uitzetting te verwachten is. De door de wetgever gebruikte terminologie laat geen enkele ruimte om een persoon die op grond van artikel 8, aanhef en onder f, Vw 2000 rechtmatig verblijf in Nederland houdt langer dan zes weken in bewaring te houden. Voorts voert verweerder volgens hoofdstuk A6/5.3.3.5 Vreemdelingencirculaire 2000 het beleid dat het toepassen van bewaring bij vreemdelingen die een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel hebben ingediend zo beperkt mogelijk dient te geschieden.

Het standpunt dat verweerder heeft ingenomen ten aanzien van de aanvang van de termijn, zou tot gevolg hebben dat aan het nemen van een in rechte onhoudbare beslissing op de asielaanvraag, in dit geval kort voor de inbewaringstelling, geen consequentie zou worden verbonden voor wat betreft de duur van de bewaring en dat de termijn van zes weken die een asielzoeker in bewaring kan worden gehouden wordt overschreden. De rechtbank acht dit in strijd met artikel 59, vierde lid, Vw 2000 en met de beperkte toepassing van het middel van bewaring die verweerder bij vreemdelingen die een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel hebben gedaan blijkens zijn beleid voorstaat.

De termijn van zes weken als genoemd in artikel 59, vierde lid, Vw 2000 moet geacht worden te zijn aangevangen op 16 juni 2008, de dag waarop eiser in bewaring werd gesteld, waardoor zij eindigt op 27 juli 2008. Dat betekent dat verweerder ten tijde van het sluiten van het onderzoek ter zitting nog drie dagen had om opnieuw op de aanvraag te beslissen. Nu verweerder evenwel heeft aangegeven dat eiser eerst in week 31 zal worden gehoord op zijn asielverzoek en derhalve vaststaat dat niet voor het einde van de termijn op de aanvraag zal worden beslist, ziet de rechtbank aanleiding de bewaring nu reeds onrechtmatig te achten.

Het beroep zal gegrond worden verklaard en de opheffing van de bewaring zal worden bevolen. Voor toekenning van schadevergoeding acht de rechtbank geen termen aanwezig, nu de bewaring niet voor de opheffing ervan onrechtmatig is geworden.

Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de bewaring met ingang van heden;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechts¬persoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Steendijk en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. M.P. de Zwart als griffier op 25 juli 2008.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.