Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD9315

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-07-2008
Datum publicatie
06-08-2008
Zaaknummer
AWB 08/6407
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BH2978, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dublin / terugname / interstatelijk vertrouwensbeginsel / beroep EC bij HvJEG / interim measure

Waar het in de onderhavige zaak gaat om terugname weegt, naast de feiten en omstandigheden die de rechtbank reeds in aanmerking heeft genomen in de uitspraak van 3 juli 2008 (LJN BD6344), waarin het om overname ging, ook nog sterk mee het op 31 maart 2008 door de EC in het kader van een inbreukprocedure ingestelde beroep. De EC verzoekt het Hof van Justitie van de EG vast te stellen dat Griekenland de verplichtingen die op haar rusten op grond van artikel 3, eerste lid, van Vo 343/2003 niet is nagekomen. Uit de middelen en argumenten die door de EC naar voren zijn gebracht komt duidelijk naar voren dat de EC de verzekering van de Griekse autoriteiten onvoldoende acht om de rechtszekerheid te waarborgen die noodzakelijk is voor de correcte toepassing, in alle gevallen, van alle bepalingen van Vo 343/2003 en met name het onderzoek ten gronde van iedere asielaanvraag, zodat een daadwerkelijke toegang tot de toekenningsprocedure is gewaarborgd ten gunste van de vluchteling. Tot slot weegt de rechtbank mee dat de president van het EHRM op 20 juli 2008 een -weliswaar niet gemotiveerde, doch niet van iedere betekenis ontblote- “interim measure” heeft getroffen in een zaak van een asielzoeker die door de Finse autoriteiten naar Griekenland dreigde te worden verwijderd. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/346
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken

Registratienummer: Awb 08/6407

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiseres],

geboren op [1976],

van Somalische nationaliteit,

IND dossiernummer 0708.24.0057, eiseres,

gemachtigde mr. T. Pondaag, advocaat te

Wageningen;

en

De Staatssecretaris van Justitie,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

vertegenwoordigd door mr. A. van Blankenstein, landsadvocaat,

verweerder.

1. Procesverloop

Op 24 augustus 2007 heeft eiseres een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 21 februari 2008 heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat Griekenland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Bij brief van 22 februari 2008 is daartegen beroep ingesteld.

Eiseres mag de behandeling van het beroep niet in Nederland afwachten. Bij verzoekschrift van 22 februari 2008 is verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot in beroep is beslist. Bij uitspraak van 24 april 2008 (Awb 08/6408) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats, het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat uitzetting achterwege zal blijven tot op het beroep is beslist.

Het beroep is voorzien van gronden bij brief van 13 maart 2008. Op 21 april 2008, 14 juli 2008 en 15 juli 2008 zijn nadere stukken ingediend.

Het beroep is ter zitting van 22 juli 2008 behandeld. Eiseres is niet verschenen, maar heeft zich doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval is van toepassing Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: Vo 343/2003).

2.2 Griekenland heeft niet tijdig gereageerd op het terugnameverzoek van 26 november 2007. Op grond van artikel 20, eerste lid, onder c, Vo 343/2003 staat dit gelijk met aanvaarding van het terugnameverzoek.

2.3 Ingevolge artikel 3, tweede lid, Vo 343/2003, kan, in afwijking van het eerste lid, elke lidstaat een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in de verordening neergelegde criteria niet verplicht. Uitgangspunt is dat de lidstaten de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en het (Europees) Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waaraan de betrokkene wordt overgedragen zijn internationale verplichtingen niet nakomt.

2.4 Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten aanzien van Griekenland ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 3 juli 2008, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-Nummer BD6344, waarin het ging om een overname door Griekenland.

In aanvulling daarop heeft eiseres gewezen op het beroep dat op 31 maart 2008 is ingesteld door de Europese Commissie (EC) in het kader van de door de EC tegen Griekenland gestarte inbreukprocedure (zaak C-130/08, Publ. C128/25).

Eiseres heeft tenslotte gewezen op het feit dat de president van het Europese Hof voor de rechten van de Mens (EHRM) op 20 juni 2008 een zogenoemde “interim measure” heeft getroffen in een zaak van een asielzoeker die door de Finse autoriteiten naar Griekenland dreigde te worden verwijderd (application no. 29565/08).

2.5 Verweerder heeft zich - kort samengevat - gemotiveerd op het standpunt gesteld dat ten aanzien van Griekenland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiseres niet op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat Griekenland zijn verdragsverplichtingen jegens haar niet zal naleven. Weliswaar is verweerder bekend met de problemen omtrent de Griekse asielprocedure, maar niet is aannemelijk gemaakt dat eiseres na overdracht aan Griekenland in het geheel geen toegang heeft tot een zorgvuldige asielprocedure en – zonder dat is getoetst aan het refoulementverbod – zal worden teruggestuurd naar haar land van herkomst.

Verweerder heeft benadrukt dat alle problemen die beschreven worden in de stukken waarnaar de rechtbank in voornoemde uitspraak heeft verwezen spelen aan het begin van de asielprocedure. Uit de stukken blijkt volgens verweerder niet dat de vreemdeling zich niet tot de Griekse rechter kan wenden om zich langs deze weg (alsnog) te verzekeren van een volledige beoordeling van zijn verzoek met inachtneming van de relevante verdragsbepalingen.

2.6 De rechtbank stelt voorop dat verweerder de verklaringen van eiseres omtrent hetgeen zij in Griekenland heeft meegemaakt niet heeft betwist. Eiseres heeft verklaard dat de boot waarmee zij naar Griekenland reisde is verongelukt. Haar broer is verdronken. Eiseres zelf is ziek in Griekenland aangekomen. Desalniettemin is zij direct gedetineerd. Zij heeft ruim een maand in detentie heeft verbleven. Na haar vrijlating is haar medegedeeld dat zij het land moest verlaten. Eiseres heeft vervolgens in Athene enige tijd op straat en in een park geleefd. Na twee maanden is eiseres opgepakt door de politie. Vervolgens is zij twee weken gedetineerd geweest. Bij haar vrijlating heeft zij wederom te horen gekregen dat zij het land moest verlaten. Eiseres heeft geen hulp, opvang of geld gekregen van de Griekse autoriteiten. Zij heeft niet de mogelijkheid gekregen om met de autoriteiten in gesprek te komen. Nu verweerder de door eiseres gestelde feiten niet heeft betwist worden zij als vaststaand beschouwd.

2.7 Zoals de rechtbank in de door eiseres aangehaalde uitspraak van 3 juli 2008 heeft overwogen, geldt op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel de vooronderstelling dat de lidstaten hun verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en het EVRM naleven. Het is aan de vreemdeling concrete informatie aan te dragen ter weerlegging van deze vooronderstelling. Een redelijke bewijslastverdeling maakt evenwel dat de bewijslast niet in alle gevallen onverkort op de vreemdeling dient te blijven rusten. Een omslagpunt in de verdeling van de bewijslast ontstaat wanneer de vreemdeling met behulp van concrete gegevens heeft gestaafd dat aan de asielprocedure in de lidstaat waaraan verweerder hem wenst over te dragen zodanige gebreken kleven dat niet kan worden onderzocht en vastgesteld of de vreemdeling de in het Vluchtelingenverdrag en het EVRM genoemde risico’s loopt indien hij naar het land van herkomst terugkeert en dat daarom het risico bestaat dat de bewuste lidstaat zijn verplichtingen uit genoemde verdragen jegens hem niet zal nakomen. Het is dan aan verweerder de door de vreemdeling naar voren gebrachte informatie en de door hem daaraan verbonden conclusie gemotiveerd en voldoende onderbouwd te weerleggen.

In de uitspraak van 3 juli 2008 heeft de rechtbank geoordeeld dat de vreemdeling voldoende informatie had aangedragen om te komen tot een omslagpunt in de verdeling van de bewijslast. De rechtbank heeft daarbij met name acht geslagen op het rapport van de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties, de United Nations High Commisioner for Refugees (UNHCR) van 15 april 2008 getiteld “UNHCR position on the return of asylum-seekers to Greece under the “Dublin-regulation” en het verslag van de Vereniging asieladvocaten- en juristen (VAJN) van 20 maart 2008.

De rechtbank heeft hieraan de conclusie verbonden dat verweerder zich in het bestreden besluit niet zonder nader onderzoek en nadere motivering op het standpunt had kunnen stellen dat er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit kon worden uitgegaan dat Griekenland zijn verdragsverplichtingen jegens de vreemdeling zou nakomen. Het had op de weg van verweerder gelegen om, nu de vreemdeling voldoende aannemelijk had gemaakt dat Griekenland zijn verdragsverplichtingen onvoldoende naleeft, bewijs bij te brengen van het tegendeel. Dit was niet gebeurd. De rechtbank heeft in die zaak het bestreden besluit dan ook vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.8 Anders dan in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 3 juli 2008 gaat het in de onderhavige zaak niet om overname, maar om terugname door Griekenland. De rechtbank ziet hierin echter geen reden om af te wijken van de in voornoemde uitspraak uitgezette lijn.

2.9 Hetgeen partijen in de onderhavige zaak naar voren hebben gebracht vormt voor de rechtbank aanleiding om, in aanvulling op hetgeen zij reeds heeft overwogen in de uitspraak van 3 juli 2008, het volgende te overwegen.

2.10 De rechtbank begrijpt verweerder aldus dat in zijn visie pas gesteld kan worden dat de vreemdeling voldoende heeft aangevoerd ter weerlegging van de presumptie dat Griekenland haar verplichtingen op grond van het Vluchtelingenverdrag en het EVRM zal nakomen, wanneer de vreemdeling niet alleen aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de bestuurlijke fase een reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met genoemde verdragen, maar wanneer hij daarnaast ook aannemelijk heeft gemaakt dat hij ter zake niet met succes een beroep kan doen op de Griekse rechter.

De rechtbank deelt deze visie niet. Zoals de rechtbank in de uitspraak van 3 juli 2008 heeft geoordeeld ontstaat op een gegeven moment een omslagpunt in de verdeling van de bewijslast. De rechtbank acht dit punt bereikt met hetgeen is aangevoerd in de zaak waarin de rechtbank op 3 juli 2008 uitspraak heeft gedaan en evenzo in de onderhavige zaak.

Met name uit het rapport van de UNHCR komt duidelijk naar voren dat reeds het indienen van een asielaanvraag bijzonder problematisch kan zijn. Voorts komt uit dit rapport naar voren dat de beoordeling van asielverzoeken zowel in eerste als in tweede instantie in hoge mate gestandaardiseerd is. De UNHCR concludeert dat de procedure in eerste en tweede instantie geen eerlijke behandeling garandeert. Essentiële waarborgen om asielzoekers te verzekeren van een goede beoordeling van hun verzoek ontbreken in Griekenland. In veel gevallen hebben asielzoekers geen toegang tot basisvoorzieningen als tolken en rechtshulp. In het licht hiervan en gegeven de overige problemen die uit het rapport van de UNHCR en uit de overige stukken naar voren komen -en die verweerder niet heeft weersproken- acht de rechtbank het niet op voorhand aannemelijk dat een asielzoeker in staat zal zijn zich tijdig en ook overigens conform alle relevante voorschriften tot de onafhankelijke Griekse rechter te wenden teneinde zich op deze wijze (alsnog) te verzekeren van een volledige beoordeling van zijn verzoek met inachtneming van de relevante verdragsbepalingen. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt in deze situatie met zich dat verweerder, indien hij van mening is dat dit anders ligt, daartoe concrete gegevens aandraagt.

2.11 Waar het in de onderhavige zaak gaat om terugname weegt bovendien, naast de feiten en omstandigheden die de rechtbank reeds in aanmerking heeft genomen in de uitspraak van 3 juli 2008, ook nog sterk mee het op 31 maart 2008 door de EC in het kader van een inbreukprocedure ingestelde beroep. De EC verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ) vast te stellen dat Griekenland de verplichtingen die op haar rusten op grond van artikel 3, eerste lid, van Vo 343/2003 niet is nagekomen.

Verweerder heeft aangevoerd dat de EC dit beroep heeft ingesteld op de puur formele grond dat de Griekse wetgeving nog niet is aangepast aan Vo 343/2003. Verweerder acht echter van belang dat de Griekse autoriteiten de verzekering hebben gegegeven dat materieel wel gehandeld zal worden in overeenstemming met Vo 343/2003 in die zin dat elke asielaanvraag van een vreemdeling die in het kader van Vo 343/2003 wordt overgedragen ten gronde zal worden onderzocht en dat een eventueel besluit tot onderbreking zal worden herroepen. De rechtbank beoordeelt dit anders dan verweerder.

Naar het oordeel van de rechtbank komt uit de middelen en argumenten die door de EC naar voren zijn gebracht (zie Publ. C 128/25 van 24 mei 2008, met name punten 7 en 8) duidelijk naar voren dat de EC de verzekering van de Griekse autoriteiten onvoldoende acht om de rechtszekerheid te waarborgen die noodzakelijk is voor de correcte toepassing, in alle gevallen, van alle bepalingen van Vo 343/2003 en met name het onderzoek ten gronde van iedere asielaanvraag, zodat een daadwerkelijke toegang tot de toekenningsprocedure is gewaarborgd ten gunste van de vluchteling. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een zeer wezenlijk punt dat direct raakt aan de onder 2.10 reeds behandelde vraag of kan worden aangenomen dat de vreemdeling, desnoods via de rechter, een adequate beoordeling van zijn asielverzoek kan verkrijgen.

2.12 Tot slot weegt de rechtbank mee dat de president van het EHRM op 20 juli 2008 een -weliswaar niet gemotiveerde, doch niet van iedere betekenis ontblote- “interim measure” heeft getroffen in een zaak van een asielzoeker die door de Finse autoriteiten naar Griekenland dreigde te worden verwijderd.

2.13 Nu verweerder zich in de onderhavige zaak evenals in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 3 juli 2008 zonder nader onderzoek en nadere motivering op het standpunt heeft gesteld dat er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit kan worden uitgegaan dat Griekenland zijn verdragsverplichtingen jegens eiseres zal nakomen dient ook het thans bestreden besluit vernietigd te worden wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb.

2.14 Hetgeen eiseres voorts nog heeft aangevoerd behoeft, gelet op het vorenstaande, geen verdere bespreking.

2.15 Het beroep is gegrond.

2.16 Er bestaat aanleiding voor veroordeling van verweerder in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 21 februari 2008;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op de aanvraag dient te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,= onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van der Kris, voorzitter, en mr. M.A.A. ter Meer-Siebers en mr. J.F.M.J. Bouwman, rechters, en in het openbaar uitgesproken door

mr. A.I. van der Kris in tegenwoordigheid van mr. M.H.B. Boksebeld als griffier, op 30 juli 2008.

De griffier is buiten

staat de uitspraak

mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.