Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD9311

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-06-2008
Datum publicatie
06-08-2008
Zaaknummer
AWB 07/32429, 07/43138
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Niet betalen leges / gelegenheid om verzuim te herstellen

Verweerder heeft niet voldaan aan alle op grond van artikel 4:5, eerste lid, Awb geldende voorwaarden voor het buiten behandeling kunnen stellen van de aanvraag. Niet is gebleken dat verzoeker bij zijn bezoek aan het IND-kantoor te Hoofddorp daadwerkelijk door een beambte mondeling in de gelegenheid is gesteld om binnen een bepaalde termijn het verzuim van het niet betalen van leges te herstellen teneinde te voorkomen dat zijn aanvraag buiten behandeling wordt gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer:

AWB 07 / 32429 (voorlopige voorziening)

AWB 07 / 43138 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 juni 2008

in de zaak van:

[verzoeker],

geboren op [1986], van Indonesische nationaliteit,

verzoeker,

gemachtigde: drs. F.W. King, rechtshulpverlener te Leiden,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.P. Lamfers-van den Bos, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft op 13 juli 2007 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘studie’. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 10 augustus 2007 niet in behandeling genomen. Verzoeker heeft tegen het besluit op 16 augustus 2007 bij verweerder bezwaar gemaakt en heeft in verband daarmee op diezelfde datum de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

1.2 Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 22 oktober 2007 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen dit besluit op 14 november 2007 beroep ingesteld.

1.3 Bij brief van 21 november 2007 heeft de rechtbank aan verzoeker te kennen gegeven het petitum van het verzoekschrift van 16 augustus 2007 op te vatten als een verzoek verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroepschrift heeft beslist.

1.4 Verweerder heeft op 15 mei 2008 een verweerschrift ingediend.

1.5 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 23 mei 2008. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

1.6 Het onderzoek ter zitting is geschorst teneinde verzoeker bedenktijd te geven of het onderhavige beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zal worden ingetrokken, nu ter zitting is gebleken dat verweerder inmiddels heeft beslist op een herhaalde aanvraag van 31 augustus 2007 tot het verlenen van en verblijfsvergunning regulier. Gemachtigde van verzoeker heeft de voorzieningenrechter en verweerder bij brief van 28 mei 2008 bericht het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening te handhaven nu verweerder de herhaalde aanvraag van verzoeker wederom buiten behandeling heeft gesteld. Partijen hebben er ter zitting mee ingestemd dat nader onderzoek ter zitting achterwege blijft indien verzoeker zijn beroep en verzoek om voorlopige voorziening handhaaft.

2. Overwegingen

2.1 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 In de hoofdzaak toetst de voorzieningenrechter het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.4 Ingevolge artikel 24, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) zijn leges verschuldigd voor de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier.

2.5 Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, Awb, kan een aanvraag buiten behandeling worden gesteld indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.

2.6 In B1/9.4 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is, onder meer, het volgende neergelegd. Bij het in ontvangst nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden door de IND-ambtenaar van het kantoor waar de aanvraag wordt ingediend de voor de aanvraag verschuldigde leges bepaald. De vreemdeling wordt in de gelegenheid gesteld de verschuldigde leges per kas of pin ter plekke aan de kas in één keer te voldoen. Indien de vreemdeling het verschuldigde legesbedrag niet ter plekke per kas of per pin heeft voldaan, stelt de IND-ambtenaar de vreemdeling ingevolge het bepaalde in artikel 4:5 Awb mondeling in de gelegenheid het verzuim te herstellen en alsnog ter plekke de verschuldigde leges per kas of pinbetaling te voldoen. In dat geval is er geen reden om langer herstel verzuim te verlenen dan het tijdsverloop dat in de regel gemoeid is met de handeling van kas- of pinbetaling. Als betrokkene geen gebruik maakt van de hem geboden gelegenheid om het verschuldigde legesbedrag alsnog te voldoen, wordt de aanvraag direct ter plaatse door de IND-ambtenaar buiten behandeling gesteld.

2.7 Verweerder heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat verzoeker de voor de aanvraag verschuldigde leges niet heeft voldaan en geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om dit verzuim te herstellen.

2.8 Verzoeker heeft zich op de volgende, kort weergegeven, standpunten gesteld. De aanvraag is op onjuiste gronden buiten behandeling gesteld. Naar het oordeel van verzoeker heeft hij ten onrechte geen termijn gehad om het verzuim van het niet betalen van de leges te herstellen. De aan verzoeker mondeling gestelde termijn van tien minuten is onredelijk. De mogelijkheid tot herstelverzuim had hem bovendien schriftelijk en via zijn gemachtigde moeten worden gegeven, omdat het verweerder bekend was wie verzoekers gemachtigde was. Tevens heeft verweerder de hoorplicht geschonden.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.9 Uit het dossier blijkt dat de gemachtigde van verzoeker verweerder op 13 juli 2007 een brief heeft gestuurd, verzonden naar het kantoor van de IND te Rijswijk. Met die brief is als bijlage meegezonden een ingevuld en door verzoeker op 11 juli 2007 ondertekend formulier ten behoeve van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier zonder mvv. Vervolgens heeft verweerder op 26 juli 2007 een brief aan verzoekers gemachtigde verzonden. In die brief is meegedeeld dat verzoeker verwacht wordt op 9 augustus 2007 bij het IND kantoor in Hoofddorp in persoon te verschijnen teneinde daar persoonlijk het aanvraagformulier in te leveren. Tevens is verzoeker verzocht onder meer betaalmiddelen mee te nemen om de verschuldigde leges van € 433,-- behorend bij het verblijfsdoel ‘studie’ per kasbetaling dan wel pinbetaling te voldoen.

2.10 Niet in geschil is dat verzoeker op 9 augustus 2007 op het IND-kantoor in Hoofddorp is verschenen en dat hij er zonder het verschuldigde legesbedrag te voldoen is vertrokken.

2.11 De voorzieningenrechter stelt vast dat in voornoemde brief van 9 augustus 2007 niet de in B1/9.4 Vc neergelegde beleidsregel vermeld staat dat, indien de vreemdeling het verschuldigde legesbedrag niet ter plekke per kasbetaling of pin voldoet, de IND-ambtenaar de vreemdeling bij het in ontvangst nemen van de aanvraag mondeling in de gelegenheid stelt om het verzuim te herstellen en alsnog ter plekke de verschuldigde leges per kas of pinbetaling te voldoen en dat daarbij geen langer herstelverzuim wordt verleend dan het tijdsverloop dat in de regel gemoeid is met de handeling van kas- of pinbetaling. Evenmin is er in de voormelde brief op gewezen dat, indien verzoeker geen gebruik maakt van de hem geboden gelegenheid om het verschuldigde legesbedrag alsnog te voldoen, de aanvraag direct ter plaatse door de IND-ambtenaar buiten behandeling wordt gesteld.

2.12 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vergt het bepaalde in artikel 4:5, eerste lid, Awb weliswaar niet dat de aanvrager de gelegenheid tot herstel van het verzuim van het niet betalen van leges schriftelijk moet worden geboden, echter wel moet gebleken zijn dat de aanvrager daadwerkelijk door het bestuursorgaan in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen binnen een redelijke termijn. In het onderhavige geval is niet gebleken dat verzoeker bij zijn bezoek op 9 augustus 2007 aan het IND-kantoor in Hoofddorp daadwerkelijk door een beambte mondeling in de gelegenheid is gesteld om binnen een bepaalde termijn het verzuim van het niet betalen van de leges te herstellen teneinde te voorkomen dat zijn aanvraag buiten behandeling wordt gesteld. Verweerder heeft wel gesteld dat dit is gebeurd, maar verzoeker heeft dit ontkend en verweerder heeft van hetgeen op 9 augustus 2007 met verzoeker is besproken geen verslag gemaakt. Het enkele feit dat in B1/9.4 Vc is beschreven op welke wijze de IND-ambtenaar die de aanvraag van de vreemdeling in ontvangst neemt dient om te gaan met de verplichting van de vreemdeling tot het betalen van leges, is op zichzelf onvoldoende grond om aan te nemen dat gebleken is dat de vreemdeling daadwerkelijk door verweerder in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag binnen de door verweerder in B1/9.4 Vc gestelde termijn met het betalen van leges aan te vullen.

2.13 Uit het vorenstaande volgt dat niet is gebleken dat door verweerder in dit geval is voldaan aan alle op grond van artikel 4:5, eerste lid, Awb geldende voorwaarden voor het buiten behandeling kunnen stellen van de aanvraag. Derhalve kan het bestreden besluit geen stand houden.

2.14 De overige door verzoeker aangevoerde gronden behoeven geen bespreking meer.

2.15 De voorzieningenrechter zal het beroep gegrond verklaren.

2.16 De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

2.17 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.18 Verweerder zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb worden veroordeeld in de kosten die verzoeker heeft gemaakt en met toepassing van artikel 8:75, derde lid, zal de rechtspersoon worden aangewezen die de kosten moet vergoeden. De kosten ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn € 644,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en € 322,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1).

2.19 Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb en artikel 8:82, vierde lid, Awb, zal de voorzieningenrechter de Staat der Nederlanden aanwijzen als rechtspersoon die het betaalde griffierecht moet vergoeden.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 22 oktober 2007;

3.3 draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van 16 augustus 2007 te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

3.4 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

3.5 veroordeelt verweerder in de kosten in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening ad € 644,- en in verband met het beroep ad € 322,- en draagt de Staat der

Nederlanden op deze kosten aan verzoeker te voldoen;

3.6 draagt de Staat der Nederlanden op het betaalde griffierecht ad tweemaal € 143,- aan verzoeker te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, voorzieningenrechter, en op 12 juni 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van M.J.E. de Jong, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.