Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD9304

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-06-2008
Datum publicatie
06-08-2008
Zaaknummer
AWB 08/3660, 08/3657, 08/3658, 08/3656
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek 14/1-brief / motivering / aantal in Nederland geboren kinderen / handelen of nalaten gemeentelijke overheid

Verweerder heeft het door verzoekers met hun 14/1-brief gedane verzoek tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van schrijnende omstandigheden afgewezen. Verweerder heeft getoetst aan de criteria en factoren genoemd in de brief van 21 febrari 2007 van de minister van Justitie gericht aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal. De voorzieningenrechter concludeert dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd welk gewicht toekomt aan de omstandigheid dat verzoekers niet één, maar drie in Nederland geboren en getogen minderjarige kinderen hebben. Voorts acht de voorzieningenrechter het standpunt van verweerder dat het niet van belang is of verzoekers door de gemeente Amsterdam al lange tijd zijn gedoogd, niet redelijk. Vanuit dat perspectief valt niet in te zien dat enig handelen of nalaten van een gemeentelijke overheid jegens een vreemdeling geen bijkomende factor kan zijn die bij de beoordeling van een 14/1-brief dient te worden betrokken dan wel geen factor kan zijn die behoort te worden meegewogen bij de tegenwerping van een contra-incicatie. Verweerder heeft de afwijzing van het verzoek niet op deugdelijke wijze gemotiveerd. Beroepen gegrond. Verzoeken om een voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer:

AWB 08 / 3660 (voorlopige voorziening verzoeker)

AWB 08 / 3657 (beroep verzoeker)

AWB 08 / 3658 (voorlopige voorziening verzoekster)

AWB 08 / 3656 (beroep verzoekster)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juni 2008

in de zaak van:

[verzoeker], geboren op [1966], (verzoeker);

Esra KILINÇ, geboren op [1975] (verzoekster);

hierna te noemen verzoekers,

en hun minderjarige kinderen:

Tugce Huriye Kilinç, geboren op [1994];

Tugba Kilinç, geboren op [1996];

Muhammet Teoman Kilinç, geboren op [2001],

allen van Turkse nationaliteit,,

gemachtigde: mr. F.L.M. van Haren, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.P. Lamfers-van den Bos, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Bij brief van 6 mei 2003 heeft verzoekster verweerder verzocht gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid om een verblijfsvergunning te verlenen op grond van schrijnende omstandigheden (een zogenoemde 14/1-brief). Bij brief van 23 juni 2004 heeft verweerder afwijzend op dit verzoek gereageerd. Verzoekster heeft hiertegen op 29 juni 2004 bezwaar gemaakt.

1.2 Bij besluit van 15 december 2005, vanaf welk moment het verzoek van 6 mei 2003 door verweerder is opgevat als te zijn gedaan voor het hele gezin [verzoekers], is het bezwaar ongegrond verklaard. Verzoekers hebben tegen dit besluit op 18 januari 2006 beroep ingesteld..

1.3 Bij brief van 26 oktober 2007 heeft verweerder het besluit van 15 december 2005 ingetrokken. Bij brief van 6 november 2007 heeft gemachtigde van verzoekers bericht het beroep te handhaven als zijnde een beroep fictief. Deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, heeft bij mondelinge uitspraak van 9 november 2007 (AWB 06/04096 en AWB 06/04100), het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond verklaard.

1.4 Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 3 januari 2008 wederom ongegrond verklaard. Verzoekers hebben tegen dit besluit op 30 januari 2008 beroep ingesteld.

1.5 Verzoekers hebben op 30 januari 2008 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoeken verweerder te verbieden hen uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.6 Verweerder heeft op 23 april 2008 een verweerschrift ingediend.

1.7 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 23 mei 2008. Verzoekers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 In de hoofdzaak toetst de voorzieningenrechter het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.4 Ingevolge artikel 3.4, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan verweerder aan een vreemdeling een verblijfsvergunning verlenen op grond van een andere beperking dan genoemd in het eerste lid van artikel 3.4 Vb.

2.5 De voorzieningenrechter betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Verzoeker is op 9 januari 1996 Nederland uitgezet, nadat hij sedert 23 maart 1993 (met uitzondering van de periode 30 december 1993 tot 19 januari 1994) stond ingeschreven bij de Gemeentelijke Basisadministratie van Amsterdam. Verzoekers hebben op 19 juni 1996 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een vergunning tot verblijf voor het doel ‘arbeid in loondienst’ (verzoeker) en ‘verblijf bij partner’ (verzoekster) ingediend. Bij uitspraak van 24 februari 1999 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam (AWB 97/9644 en 97/9646) zijn de beroepen van verzoekers gericht tegen de besluiten op hun bezwaar tegen de afwijzing van de voormelde aanvragen, ongegrond verklaard.

Verzoekers hebben vervolgens op 12 november 1999 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd met als beperking ‘de tijdelijke regeling witte illegalen’. Bij uitspraak van 28 februari 2001 van de president van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam (AWB 00/71429 en 00/75109) zijn de beroepen van verzoekers gericht tegen de besluiten op hun bezwaar tegen de afwijzing van hun voormelde aanvraag, ongegrond verklaard.

Op 23 maart 2001 heeft verweerder de Korpschef van de politieregio Amsterdam-Amstellland (hierna: de Korpschef) schriftelijk een last tot uitzetting van verzoekers gegeven.

Bij brief van 17 juni 2002 heeft verzoekster verweerder verzocht de afwijzing van haar aanvraag van 12 november 1999 te heroverwegen. In reactie op dit verzoek heeft verweerder bij brief van 5 juli 2002 bericht dat het verzoek wordt aangemerkt als een onvolledige aanvraag, omdat niet is voldaan aan de voor het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfvergunning regulier geldende wettelijke vereisten.

Op 4 juni 2003 heeft de burgemeester van Amsterdam, mr. M.J. Cohen (hierna: de burgemeester) een brief gezonden aan het toenmalige hoofd van de IND. In die brief heeft de burgemeester verzocht om aandacht voor het door de door het gezin [verzoekers] ingediende 14/1-brief. Daarbij heeft de burgemeester opgemerkt dat hij meent dat het belang van hier langdurig woonachtige minderjarige kinderen prevaleert en een verblijfsvergunning in dit soort omstandigheden alsnog zou moeten worden overwogen.

Op 18 juli 2007 heeft de burgemeester, in een aan de staatssecretaris van Justitie in persoon gerichte brief, verzocht het gezin [verzoekers] alsnog in aanmerking te laten komen voor een verblijfsvergunning. In die brief heeft hij vermeld dat verzoekster de enige is van een groep van 15 Turkse vrouwen die ruim 6 jaar geleden via een hongerstaking in Amsterdam aandacht vroeg voor hun positie als vrouw die geen verblijfsvergunning heeft gekregen. Voorts heeft de burgemeester er op gewezen dat het gezin helemaal is ingeburgerd, dat de kinderen zijn geboren en getogen in Amsterdam en dat van het gezin niet mag worden verwacht dat zij in staat zijn zich te hervestigen in Turkije. Bij brief van 28 augustus 2007 heeft het plaatsvervangend hoofd van de IND hierop namens de staatssecretaris afwijzend gereageerd.

2.6 Verweerder heeft het verzoek van 6 mei 2003 in het bestreden besluit aangemerkt als een verzoek van het gezin Kilinc om hen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb. Vervolgens heeft verweerder het verzoek getoetst aan de criteria en factoren genoemd in de brief van 21 februari 2007 van de minister van Justitie gericht aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal inzake behandeling van zaken aangemerkt als aanvragen met een beroep op schrijnendheid (hierna: de brief van 21 februari 2007). De uitkomst van die toets dat verweerder vindt dat het samenstel van factoren dat door verzoekers is aangevoerd niet zodanig uitzonderlijk en van schrijnende aard is, dat aan hen buiten het geldende beleid om met gebruikmaking van de in artikel 3.4, derde lid, Vb neergelegde bevoegdheid alsnog verblijf zou dienen te worden toegestaan.

2.7 Verzoekers hebben hiertegen, verkort weergegeven, het volgende aangevoerd. De brief van 21 februari 2007 is opgesteld naar aanleiding van de uitspraak 21 december 2006 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), nr. 20060574/1, gepubliceerd in JV 2007/56. Nog altijd is echter onvoldoende inzichtelijk waarom in sommige gevallen wel wordt overgegaan tot vergunningverlening en in andere gevallen niet. Die stelling hebben verzoekers onderbouwd met een verwijzing naar een aantal zaken waarin een positieve beschikking op een 14/1-brief is gevolgd en die, volgens verzoekers, grote gelijkenis vertonen met het achterliggende dossier van verzoekers. Volgens verzoekers lijkt in alle genoemde zaken de geboorte van kinderen hier te lande de doorslag te hebben gegeven. In dit verband hebben verzoekers zich tevens beroepen op het gelijkheidsbeginsel.

Voorts hebben verzoekers aangevoerd dat de toetsing van de factoren die in de brief van 21 februari 2007 genoemd zijn nog altijd willekeurig is en dat de door verweerder in het geval van verzoekers gemaakte beoordeling daar een goed voorbeeld van is. Als feiten en omstandigheden die tot hun verblijfsaanvaarding vanwege schrijnendheid zouden moeten leiden hebben verzoekers het volgende genoemd: het gezin verblijft al sinds 1991 in Nederland; eerder deden zij een beroep op de verschillende Witte illegalenregelingen, welke aanvragen werden afgewezen op grond van het feit dat verzoeker pas vanaf 1993 een wit inkomen verdiende; verzoekster was indertijd één van de 15 vrouwelijke hongerstakers in Amsterdam en van deze groep vreemdelingen heeft alleen het gezin Kilinc geen verblijfsvergunning gekregen; alle drie de kinderen zijn in Nederland geboren en daardoor sterk geworteld in Nederland, hun Nederlandse taalbeheersing en schoolprestaties zijn uitmuntend; het gezin [verzoekers] heeft steeds in Amsterdam gewoond en die gemeente meent dat in hun verblijf zou moeten worden berust omdat ook de gemeente vindt dat sprake is van schrijnende omstandigheden.

De aan hen bij de toetsing van hun verzoek aan de in de brief van 21 februari 2007 vermelde factoren door verweerder tegengeworpen contra-indicatie dat zij niet hebben meegewerkt aan hun terugkeer, berust volgens verzoeker op een onzorgvuldige redenering. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft de gemachtigde van verzoekers in de eerste plaats gesteld dat van alle bij zijn kantoor bekende inwilligende vergunningen op grond van schrijnende omstandigheden sprake is van niet medewerking aan terugkeer, waarbij hij heeft verwezen naar een overzicht van de in het bezwaar van verzoekers overgelegde overzicht van positieve beschikkingen. In de tweede plaats is verwezen naar de omstandigheid dat reeds in 2002 de aanwezigheid van het gezin Kilinc in Amsterdam werd gedoogd.

Tenslotte hebben zijn verzoekers betoogd dat het bestreden besluit in strijd is met een reeks van bepalingen van het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind (IVRK) en met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.8 Ter beoordeling staat of het besluit tot afwijzing van het door verzoekers met de 14/1-brief van 6 mei 2003 gedane verzoek tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van schrijnende omstandigheden de toetsing in rechte kan doorstaan.

2.9 Met betrekking tot de wijze van toetsing van 14/1-brieven heeft de Afdeling in de door verzoekers aangehaalde uitspraak van 21 december 2006, onder meer het volgende overwogen: “Ook bij de gekozen wijze van heroverweging dient de minister derhalve enig inzicht te geven in de weging van de omstandigheden van het geval die leidde tot afwijzing van het verzoek om toepassing van artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 in het licht van de omstandigheden van een min of meer vergelijkbaar geval waarin wel toepassing is of zou zijn gegeven aan voormeld artikellid.” en “Het gelijkheidsbeginsel vergt een consistente gedragslijn van het bestuur en het bewaken van die consistentie is bij uitstek de verantwoordelijkheid van het bestuur. Dit klemt te meer nu de heroverweging waarvan het in deze zaak bestreden besluit deel uitmaakt, voortvloeit uit een zeer algemene bereidverklaring daartoe van de minister die alle uitgeprocedeerde asielzoekers betreft. Het gaat derhalve om een zeer grote groep gevallen.”

2.10 In zijn brief van 21 februari 2007 heeft de minister van Justitie geschreven dat met inachtneming van de voormelde jurisprudentie in zaken betreffende 14/1-brieven de werkwijze zal worden toegepast zoals in de brief van 21 februari 2007 is beschreven. Die werkwijze is, verkort weergegeven en voor zover voor de beoordeling van het beroep van verzoekers van belang, de volgende. Iedere zaak wordt op eigen merites beoordeeld en zal individueel worden gemotiveerd waarbij het dan ook noodzakelijk is dat sprake is van unieke omstandigheden die specifiek op de betreffende individu van toepassing zijn. Gelet op de achtergrond van deze zaken zijn omstandigheden die duiden op integratie in de Nederlandse samenleving in dit kader onvoldoende onderscheidend en leiden deze op zichzelf gezien dan ook niet tot verblijfsaanvaarding. Ook aan langer verblijf dan vijf jaar in Nederland wordt geen zelfstandige betekenis toegekend; verblijf van vijf jaar wordt wel als minimum gehanteerd. Steeds moet dan daarenboven sprake zijn van klemmende redenen van humanitaire aard. Daarbovenop zullen bij de beoordeling contra-indicaties worden meegewogen, waaronder het niet meewerken aan terugkeer of verwijdering. Aan de bijkomende factoren van klemmende redenen van humanitaire en de contra-indicaties wordt een wegingsfactor toegekend variërend van minder zwaarwegend tot zeer zwaarwegend en doorslaggevend. De toegekende wegingsfactoren zijn schematisch weergegeven in de aan de brief van 21 februari 2007 gehechte bijlage.

2.11 De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat de in de brief van 21 februari 2007 vermelde werkwijze niet toereikend genoeg kan zijn voor verweerder om bij de besluitvorming inzake 14/1-brieven enig inzicht te geven in de weging van de omstandigheden van het geval. Bij die besluitvorming en het hanteren van de voorgeschreven werkwijze dient verweerder wel een consistente gedragslijn te hanteren teneinde te voorkomen dat in min of meer vergelijkbare gevallen besluiten worden genomen met een verschillende uitkomst.

2.12 Vervolgens zal de voorzieningenrechter beoordelen of verweerder aan de hand van de in brief van 21 februari 2007 vermelde werkwijze de afwijzing van het verzoek van 6 mei 2003 van verzoekers op deugdelijke wijze heeft gemotiveerd.

2.13 Uit de overwegingen in het bestreden besluit ter zake van de toetsing aan de in de brief van 21 februari 2007 vermelde criteria, blijkt in de eerste plaats dat verweerder heeft vastgesteld dat verzoekers langdurig, langer dan vijf jaar, in Nederland verblijven en dat zij - in verschillende mate - als geïntegreerd in de Nederlandse samenleving kunnen worden beschouwd. Nu volgens de gestelde criteria deze omstandigheden als onvoldoende onderscheidend worden beschouwd dan wel omstandigheden zijn waaraan zelfstandige betekenis kan worden toegekend, heeft verweerder vervolgens gesteld dat sprake dient te zijn van bijkomende klemmende redenen van humanitaire aard.

2.14 Verweerder heeft als bijkomende factor van klemmende reden van humanitaire aard en als een zwaarwegende factor meegewogen dat de kinderen van verzoekers hier te lande zijn geboren en getogen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers ter zake van deze bijkomende factor terecht aangevoerd dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat nu sprake is van drie in Nederland geboren minderjarige kinderen er ook sprake is van drie zwaarwegende factoren. Voor het standpunt van verzoekers dat op grond van de brief van 21 februari 2007 elk van hun drie minderjarige kinderen als een aparte zwaarwegende factor dient te worden meegewogen pleit dat in de bijlage bij de genoemde brief de omstandigheid ‘minderjarig kind’ niet in de meervoudsvorm is vermeld, terwijl andere in de bijlage genoemde omstandigheden - zoals de omstandigheid dat (bijna) alle familieleden van de vreemdeling een verblijfsvergunning hebben dan wel genaturaliseerd zijn - wel in de meervoudsvorm zijn vermeld. Bezien vanuit de belangen van het minderjarige kind, welke belangen volgens het bestreden een eerste overweging vormen bij de inrichting van het beleid van verweerder, zou het naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook bepaald niet onbegrijpelijk zijn als de minister van Justitie heeft bedoeld de aanwezigheid van elk minderjarig kind als een afzonderlijke zwaarwegende factor mee te wegen. De conclusie is dan ook dat verweerder bij de toetsing in het bestreden besluit aan de in de brief van 21 februari 2007 vermelde criteria, onvoldoende heeft gemotiveerd welk gewicht toekomt aan de omstandigheid dat verzoekers niet één, maar drie in Nederland geboren en getogen minderjarige kinderen Nederland hebben.

2.15 Verweerder heeft vervolgens als contra-indicatie voor het verlenen van een verblijfsvergunning aan het gezin Kilinc vermeld, dat zij niet daadwerkelijk (hebben) willen mee werken aan terugkeer naar Turkije. Overeenkomstig de bijlage bij de brief van 21 februari 2007 heeft verweerder aan deze gestelde contra-indicatie een zwaarwegend gewicht toegekend. Met betrekking tot deze contra-indicatie stelt de voorzieningenrechter allereerst vast dat in de brief van 21 februari 2007 niet is gepreciseerd wat de minister van Justitie verstaat onder het niet meewerken aan terugkeer of verwijdering. Desgevraagd heeft ook verweerders gemachtigde ter zitting hierover geen duidelijkheid kunnen verschaffen. De voorzieningenrechter kan verzoekers volgen in hun betoog dat het niet in de rede ligt dat de minister onder het niet meewerken aan terugkeer of verwijdering mede verstaat dat de vreemdeling geen (actief) gehoor heeft gegeven aan een mededeling van verweerder dat op hem of haar de verplichting rust Nederland te verlaten. Immers, aangenomen kan worden dat voor heel veel vreemdelingen die een 14/1-brief hebben ingediend geldt dat zij door verweerder tijdens hun langjarig illegaal verblijf hier te lande één of meerdere keren zijn gewezen op hun vertrekplicht. Het ligt meer in de rede dat de minister met het niet meewerken aan terugkeer of verwijdering doelt op situaties waarin de vreemdeling zich actief heeft verzet tegen uitzettingshandelingen van verweerder dan wel niet heeft meegewerkt bij inspanningen van verweerder gericht op de voorbereiding van de terugkeer dan wel uitzetting van de vreemdeling, bijvoorbeeld door niet te voldoen aan een verzoek van verweerder om identiteitsgegevens te verstrekken teneinde via de hier te lande gevestigde autoriteiten van het land van herkomst van de vreemdeling een reisdocument te kunnen bemachtigen waarmee de vreemdeling kan terugkeren. Van zo een situatie is ten aanzien van verzoekster en haar drie kinderen niet gebleken. Wel is gebleken dat verzoeker op 9 januari 1996 door verweerder is uitgezet, waarna hij, naar door hem gesteld, na twee weken Nederland weer is ingereisd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nu tussen deze uitzettingshandeling en het bestreden besluit een periode van bijna 12 jaar is verstreken, verzoeker en zijn gezin nadien nog meerdere verblijfsrechtelijke procedures hebben doorlopen en de terugkeer na uitzetting alleen een handelen van verzoeker betreft, verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat voor het hele gezin Kilinc geldt dat er sprake is van een contra-indicatie in de zin van de brief van 21 februari 2007. Daarbij acht de voorzieningenrechter tevens van belang dat verweerder weliswaar ten aanzien van alle gezinsleden op 23 maart 2001 een last tot uitzetting heeft verzonden aan de Korpschef, maar uit het dossier blijkt niet - en verweerder heeft dat ter zitting ook niet kunnen bevestigen - dat door de Korpschef enig gevolg is gegeven aan deze last tot uitzetting. Dat door de Korpschef, op verweerders last, enige op de uitzetting van verzoekers gerichte handeling is verricht ligt ook niet in de rede, nu de burgemeester van Amsterdam kennelijk van oordeel is dat in het verblijf van verzoekers dient te worden berust, getuige diens brieven van 4 juni 2003 en 18 juli 2007. Het door verweerder in het verweerschrift betrokken standpunt dat het niet van belang is of verzoekers door de gemeente Amsterdam al lange tijd gedoogd zijn, vindt de voorzieningenrechter niet redelijk. Immers, ook de gemeente Amsterdam maakt onderdeel uit van de Nederlandse overheid en samenleving. Bezien vanuit dat perspectief valt niet in te zien dat enig handelen of nalaten van een gemeentelijke overheid jegens een vreemdeling geen bijkomende factor kan zijn die bij de beoordeling van een 14/1-brief dient te worden betrokken dan wel geen factor kan zijn die behoort te worden meegewogen bij de tegenwerping van een contra-indicatie.

2.16 Reeds op grond van het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder de afwijzing van het verzoek van 6 mei 2003 niet op deugdelijke wijze heeft gemotiveerd.

2.17 De voorzieningenrechter zal de beroepen gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 Awb. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.

2.18 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter de verzoeken om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.19 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoekers hebben gemaakt en de rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het gezamenlijke verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en € 322,-- in verband met het beroep (1 punt voor het gezamenlijke beroepschrift, wegingsfactor 1). Omdat aan verzoekers een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, moet dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb worden betaald aan de griffier.

2.20 Met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb zal de voorzieningenrechter de Staat der Nederlanden aanwijzen als rechtspersoon die het betaalde griffierecht moet vergoeden.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart de beroepen gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 3 januari 2008.

3.3 draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

3.4 wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af;

3.5 veroordeelt verweerder in de kosten in verband met de verzoeken om een voorlopige voorziening ad € 644,-- en in verband met de beroepen ad € 322,-- en draagt de Staat der Nederlanden op deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, te voldoen;

3.6 draagt de Staat der Nederlanden op het betaalde griffierecht ad € 286,-- aan verzoekers te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, voorzieningenrechter, en op 19 juni 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van M.J.E. de Jong, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.