Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD9296

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-07-2008
Datum publicatie
06-08-2008
Zaaknummer
AWB 08/24682, 08/24687, 08/24680, 08/24684
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 4:6 Awb / zorgvuldigheid / Apostilleverdrag / Kmar

Onderhavige aanvragen zijn aanvragen in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Op verzoek van verweerder heeft de Koninklijke Marechaussee (hierna: Kmar) onderzoek verricht naar (een aantal van) de overgelegde documenten. De Kmar stelt vast dat wegens het ontbreken van referentiemateriaal niet kan worden vastgesteld of de documenten echt zijn. De voorzieningenrechter stelt vast dat door de Kmar geen onderzoek is verricht naar de overgelegde apostille. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat nu verzoeker niet kan aangeven op welk document de apostille betrekking heeft, de apostille niet kan worden aangemerkt als novum in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit het proces-verbaal niet blijkt dat de Kmar bij onderzoek aan de documenten de apostille heeft gezien dan wel heeft onderzocht. Reeds hieruit blijkt dat het document, waarop de apostille zich bevindt, niet zorgvuldig is onderzocht. Daar komt bij dat verweerder, na het ontvangen van het proces-verbaal van bevindingen, de Kmar niet heeft verzocht nader onderzoek te verrichten naar de apostille. Voorts blijkt uit voornoemd gehoor dat de gehoorambtenaar de apostille niet heeft bemerkt, ofschoon verzoeker in hetzelfde gehoor verklaart dat de apostille aan de achterzijde van één van de overgelegde documenten zit. Hieruit volgt dat de gehoorambtenaar niet de originele stukken, dan wel geen documenten of kopieën zonder duidelijke toelichting tot zijn beschikking heeft gehad. De conclusie van verweerder dat de apostille geen novum in de zin van artikel 4:6 van de Awb is, omdat verzoeker niet kan aangeven bij welk document de apostille hoort, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter, gelet op het voorgaande, dan ook in redelijkheid niet voor rekening van verzoeker komen. Bovengenoemde samenloop van omstandigheden is naar het oordeel van de voorzieningenrechter als dermate onzorgvuldig aan te merken dat de besluiten zullen worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Voorzieningenrechter

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummers:

AWB 08/24682, 08/24687 (verzoeken)

AWB 08/24680, 08/24684 (beroepen)

Datum uitspraak: 29 juli 2008

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[verzoeker],

geboren op [datum] 1972,

v-nummer [nummer],

verzoeker,

[verzoekster],

geboren op [datum] 1975,

v-nummer [nummer],

alsmede haar minderjarige kind,

[kind],

geboren op [datum] 1996,

v-nummer [nummer]

verzoekster,

allen van Russische nationaliteit,

tezamen te noemen verzoekers,

gemachtigde mr. J.M.C. de Kok,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Bij besluiten van 9 juli 2008 heeft verweerder de aanvragen van verzoekers van 3 juli 2008 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Deze besluiten zijn bekendgemaakt in het Aanmeldcentrum te Ter Apel. Verzoekers hebben daartegen op 9 juli 2008 beroep ingesteld. Verzoekers is meegedeeld dat zij de behandeling van het beroep niet in Nederland mogen afwachten. Bij verzoekschrift van 9 juli 2008 hebben verzoekers verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep is beslist.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De openbare behandeling van de verzoeken heeft plaatsgevonden ter zitting van 25 juli 2008. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. L. Verheijen.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Indien de voorzieningenrechter van oordeel is dat nader onderzoek na de zitting redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij op grond van artikel 8:86 van de Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Daarvoor bestaat aanleiding.

3. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden. De toetsing of de aanvraag in een aanmeldcentrum mocht worden afgewezen, mondt uit in een beoordeling van het naar de gedane aanvraag verrichte onderzoek en de motivering van de afwijzing.

4. Op 16 juni 2001 (verzoeker) en 17 juni 2001 (verzoekster) hebben verzoekers aanvragen ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluiten van 7 januari 2002 heeft verweerder de aanvragen afgewezen. Het tegen deze besluiten ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 3 februari 2003 gegrond verklaard.

Bij besluiten van 30 juni 2003 heeft verweerder de aanvragen wederom afgewezen. Het tegen deze besluiten ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, van 20 januari 2004 ongegrond verklaard. De besluiten van 20 juni 2003 zijn na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 23 april 2004 in rechte vast komen te staan.

Onderhavige aanvragen zijn derhalve aanvragen in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb.

5. Aan de onderhavige aanvraag hebben verzoekers de volgende documenten ten grondslag gelegd.

1. Een informatieverklaring van de orde van advocaten van de regio Volgogradskaja van 27 december 2007, voorzien van vertaling;

2. Een informatieverklaring van de orde van advocaten van de regio Volgogradskaja van 21 januari 2008, voorzien van vertaling;

3. Een informatieverklaring van de orde van advocaten van de regio Volgogradskaja van 18 januari 2008, voorzien van vertaling

4. Een informatieverklaring van de orde van advocaten van de regio Volgogradskaja van 26 januari 2008, voorzien van vertaling;

5. Een brief aan de orde van advocaten van de regio Volgogradskaja van 12 november 2007, voorzien van vertaling;

6. Een bevel tot plaatsing op de Federale opsporingslijst van 17 juni 2004, voorzien van vertaling;

7. Een brief van de Firma Jurist, van 16 maart 2007, met vertaling;

8. Een oproep van de Russische Federatie, departement voor de Federale Veiligheidsdienst aan [naam] van 12 oktober 2007, met vertaling;

9. Een bevel van het departement voor de Federale Veiligheidsdienst van 3 juni 2004, inclusief vertaling;

10. Een bewijs van staatsregistratie van de Firma Jurist op 18 januari 1996, met vertaling;

11. Een verklaring van het Centraal staatsregister van ondernemingen en organisaties van Oekraïne, met vertaling;

12. Een apostille, met vertaling;

13. Vijf enveloppen van 12 februari 2007 en 23 januari 2008, met vertaling;

14. Een psychologisch rapport van Roman T. Foulga Ph. D., van 9 juli 2007.

Voorts doen verzoekers een beroep op artikel 4 van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Definitierichtlijn).

6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoekers aan hun herhaalde aanvraag geen nieuw gebleken feiten en/of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

7. Hiermee kunnen verzoekers zich niet verenigen en voeren daartoe het volgende, kort samengevat, aan. Verzoekster heeft geen zelfstandige vluchtmotieven en verwijst naar de vluchtmotieven van verzoeker.

Verzoeker heeft veel documenten overgelegd. Deze documenten zijn niet vaag. Uit de documenten blijkt expliciet hoe zij zijn ontvangen, bovendien heeft verzoeker tijdens het gehoor inzake nieuwe feiten en omstandigheden concrete antwoorden gegeven op de vragen die hem zijn gesteld. Verzoeker was er in de voorgaande procedure formeel niet van op de hoogte dat vervolging tegen hem was ingesteld. Dit zijn nieuwe feiten van na de uitspraak van de rechtbank in de vorige procedure. Ten aanzien van de apostille stelt verzoeker zich op het standpunt dat Rusland is aangesloten bij het Apostilleverdrag (’s-Gravenhage, 5 oktober 1961, Trb. 1963, nr. 28). Verweerder verzuimt ten onrechte de authenticiteit van de documenten te laten vaststellen.

8. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

9. De voorzieningenrechter stelt vast dat in de vorige procedure van verzoeker in rechte vast is komen te staan dat verzoekers toerekenbaar geen documenten hebben overgelegd om hun nationaliteit, identiteit en reisroute te kunnen vaststellen. Voorts is in rechte vast komen te staan dat de relazen positieve overtuigingskracht ontberen.

Nu verzoekers wederom een beroep doen op een van de toelatingsgronden van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000, dienen zij aan die stellingen nieuwe bewijsstukken als bovenbedoeld ten grondslag te leggen.

10. Ingevolge artikel 4:6 van de Awb is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt ingediend. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten en omstandigheden worden vermeld.

11. Als na een eerdere afwijzende beslissing een materieel vergelijkbaar besluit wordt genomen, verzet het algemene rechtsbeginsel dat niet meermalen wordt geoordeeld over eenzelfde zaak zich ertegen dat de rechter dit besluit beoordeelt als een eerste besluit. Slechts indien nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor de vreemdeling relevante wijziging van het recht voordoet, kan het besluit door de bestuursrechter worden getoetst.

12. De implementatietermijn van de Definitierichtlijn is op 10 oktober 2006 verstreken. De rechtbank stelt vast dat de Nederlandse Staat op deze datum nog niet over was gegaan tot omzetting van deze richtlijn in nationale regelgeving. Vanaf dat moment kon dus een beroep worden gedaan op de (rechtstreeks werkende) bepalingen van deze richtlijn. Implementatie van de Definitierichtlijn heeft alsnog plaatsgevonden bij wet van 3 april 2008 (tot wijziging van de Vw 2000; Staatsblad 2008, nr. 115, kamerstuk 30 925) en bij besluit van 9 april 2008 (tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000), Staatsblad 2008, nr. 116).

13. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoekers afkomstig zijn uit Rusland.

14. Wat betreft het beroep van verzoekers op de samenwerkingsplicht als bedoeld in artikel 4 van de Definitierichtlijn overweegt de voorzieningenrechter dat bij het reeds hierboven genoemde besluit van 9 april 2008 artikel 3.114 van het Vb 2000 is gewijzigd ter implementatie van artikel 4, eerste lid van de Definitierichtlijn. Blijkens de Nota van Toelichting is er, hoewel de huidige asielprocedure voldoende waarborgen bevat om in de samenwerkingsplicht te voorzien, voor gekozen om het element van samenwerking uit de Definitierichtlijn in artikel 3.114 van het Vb 2000 op te nemen. Tot een wijziging van de bestaande praktijk zal dit echter niet leiden, omdat de praktijk immers al voldoet aan de richtlijn, aldus de Nota van Toelichting. Artikel 4, eerste lid, van de Definitierichtlijn luidt: “De lidstaten mogen van de verzoeker verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient. De lidstaat heeft tot taak om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen.” De Afdeling heeft in haar uitspraak van 12 juli 2007 (LJN: BB1365) ten aanzien van artikel 4 van de Definitierichtlijn overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de hierin opgenomen samenwerkingsplicht voor verweerder verder strekt dan dat de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om elementen ter staving van zijn asielverzoek in te dienen en verweerder, na te hebben bezien in hoeverre deze elementen relevant zijn en aanleiding geven dit verzoek in te willigen, het resultaat van de beoordeling daarvan, voordat een beslissing wordt genomen, mededeelt aan de vreemdeling, zodat deze de mogelijkheid heeft eventuele gebreken te herstellen. Gezien het voorgaande en gelet op hetgeen door verzoekers naar voren is gebracht en in aanmerking genomen dat uit artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 volgt dat het (in beginsel) aan de vreemdeling is om zijn asielrelaas te staven, bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het onderhavige geval voor verweerder – anders dan door verzoekers gesteld – geen gehoudenheid om, naar aanleiding van de door verzoekers overgelegde informatie, onderzoek te verrichten in het land van herkomst.

15. De Definitierichtlijn kan in onderhavige procedure dan ook niet als een wijziging van recht worden aangemerkt. Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter vervolgens de vraag dient te beantwoorden of zich na de besluiten van 20 juni 2003 nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb hebben voorgedaan.

16. Op verzoek van verweerder heeft de Koninklijke Marechaussee (hierna: Kmar) onderzoek verricht naar de documenten genoemd in rechtsoverweging 5 onder 1, 2, 3, 5, 6, 8, 9. Dit heeft geresulteerd in het proces-verbaal van bevindingen van 7 juli 2008 (mutatienummer PL27NN/08-051110). Na onderzoek stelt de Kmar voor alle documenten vast dat wegens het ontbreken van referentiemateriaal niet kan worden vastgesteld of het document echt is.

17. De voorzieningenrechter stelt vast dat door de Kmar geen onderzoek is verricht naar de apostille, genoemd onder 12 in rechtsoverweging 5.

De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat verzoeker in het gehoor inzake nieuwe feiten en omstandigheden van 4 juli 2008 heeft verklaard dat de apostille aan de achterzijde van een document stond, maar dat hij niet kan aangeven op welk document. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat nu verzoeker niet kan aangeven op welk document de apostille betrekking heeft, de apostille niet kan worden aangemerkt als novum in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

18. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekers aan de voorzieningenrechter en de gemachtigde van verweerder de originele apostille, op de achterzijde van document 8, laten zien. Ter zitting is voorts door verweerder bevestigd dat de originele documenten aan de Kmar zijn voorgelegd, nu uit het proces-verbaal niet blijkt dat er kopieën zijn voorgelegd.

19. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit het proces-verbaal niet blijkt dat de Kmar bij onderzoek aan het document de apostille heeft gezien dan wel heeft onderzocht. Reeds hieruit blijkt dat het document, genoemd in rechtsoverweging 5 onder 8, niet zorgvuldig is onderzocht. Daar komt bij dat verweerder, na het ontvangen van het proces-verbaal van bevindingen, de Kmar niet heeft verzocht nader onderzoek te verrichten naar de apostille.

Voorts blijkt uit voornoemd gehoor inzake nieuwe feiten en omstandigheden dat de gehoorambtenaar niet heeft bemerkt dat de apostille op de achterkant van document 8 zit, ofschoon verzoeker in hetzelfde gehoor verklaart dat de apostille aan de achterzijde van één van de documenten zit. Hieruit volgt dat de gehoorambtenaar niet de originele stukken, dan wel geen documenten of kopieën zonder duidelijke toelichting tot zijn beschikking heeft gehad. De conclusie van verweerder dat de apostille geen novum in de zin van artikel 4:6 van de Awb is, omdat verzoeker niet kan aangeven bij welk document de apostille hoort, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter, gelet op het voorgaande, dan ook in redelijkheid niet voor rekening van verzoeker komen.

Bovengenoemde samenloop van omstandigheden is naar het oordeel van de voorzieningenrechter als dermate onzorgvuldig aan te merken dat de bestreden besluiten voor vernietiging in aanmerking komen.

De voorzieningenrechter acht daarbij nog van belang dat door verweerder ter zitting is verklaard dat geen uitspraak kan worden gedaan over de echtheid van de apostille nu deze niet is onderzocht.

20. Gelet op het bovenstaande konden de bestreden besluiten dan ook niet op zorgvuldige wijze in het Aanmeldcentrum Ter Apel worden genomen. De besluiten zullen derhalve worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb, waarin staat dat bij de voorbereiding van een besluit het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart.

21. Derhalve zijn de beroepen gegrond. Gelet hierop dienen de verzoeken te worden afgewezen. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Verweerder zal nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

verklaart de beroepen gegrond;

vernietigt de besluiten van 9 juli 2008;

draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

wijst de verzoeken een voorlopige voorziening te treffen af;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers ten bedrage van € 644,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die dit bedrag dient te betalen aan verzoekers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O.A.P. van der Roest en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2008 in tegenwoordigheid van mr. M. van Esveld als griffier.

de griffier

de voorzieningenrechter?