Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD9291

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-07-2008
Datum publicatie
05-08-2008
Zaaknummer
AWB 08/4469
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Richtlijn 2003/86/EG (Gezinshereniging) / gezinsvorming / 120% van het wettelijk minimumloon / 3.22 Vreemdelingenbesluit 2000

De vraag is of het onderscheid in inkomensnorm bij gezinshereniging en gezinsvorming in artikel 3.22 van het Vb 2000 wel gerechtvaardigd is in het licht van de Richtlijn 2003/86/EG. De begrippen stabiele- en regelmatige inkomsten en stelsel voor sociale bijstand zijn in de Richtlijn niet gedefinieerd. Deze begrippen bepalen de ondergrens waaraan het inkomensvereiste in het gezinsherenigingsbeleid moet voldoen. Daarvan kan in gunstige zin worden afgeweken. De 120% norm valt binnen de contouren van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Richtlijn. Het feit dat verweerder voor gezinsherenigers de soepeler norm van 100% hanteert is evenmin strijdig met de Richtlijn, nu artikel 3, vijfde lid toestaat om in gunstige zin af te wijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/343
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Middelburg

AWB nummer: 08/4469

[V-nummer]/[V-nummer]/[V-nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht

inzake

[vreemdeling],

eiseres,

gemachtigde mr. G.E. Eind,

verbonden aan Rechtskundig Bureau Eind te Zoetermeer,

tegen

de Minister van Buitenlandse Zaken,

verweerder,

gemachtigde mr. L. Verheijen,

medewerkster bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

I. Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2006 is het bezwaar van eiseres (mede ingediend ten behoeve van haar twee minderjarige kinderen) tegen het besluit van 11 juli 2006, waarbij haar aanvraag om in het bezit te worden gesteld van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) is afgewezen, gegrond verklaard en het besluit van 11 juli 2006 herroepen. Bij aanvullend besluit van 13 december 2006 heeft verweerder het verzoek van eiseres om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarprocedure afgewezen.

Eiseres heeft tegen dit laatste besluit beroep ingesteld. Bij uitspraak van 8 augustus 2007 (kenmerk 07/233) heeft deze rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft eiseres hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Bij uitspraak van 30 januari 2008 (kenmerk 200706390/1) heeft de Afdeling het beroep gegrond verklaard, voornoemde uitspraak vernietigd en de behandeling van het beroep naar de rechtbank terugverwezen.

De openbare behandeling heeft plaatsgevonden op 22 mei 2008. Eiseres is verschenen bij haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. Overwegingen

1. Ingevolge artikel 44 van de Wet op de Raad van State wijst de Afdeling de zaak terug naar de rechtbank die deze in eerste aanleg heeft behandeld, indien zij van oordeel is dat de zaak opnieuw door de rechtbank moet worden behandeld.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende, voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) kan de in artikel 14, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 bedoelde beperking verband houden met gezinshereniging of gezinsvorming.

Artikel 3.13, eerste lid, van het Vb 2000 bepaalt dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, wordt verleend aan het in artikel 3.14 genoemde gezinslid van de in artikel 3.15 bedoelde hoofdpersoon, indien wordt voldaan aan alle in de artikelen 3.16 tot en met 3.22 genoemde voorwaarden.

Artikel 3.22, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 bepaalt onder meer dat de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend, indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen als bedoeld in artikel 3.74, onder a.

Het tweede lid bepaalt dat ingeval van gezinsvorming de verblijfsvergunning, in afwijking van het eerste lid, wordt verleend indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen dat ten minste gelijk is aan 120 procent van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, en artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.

De considerans onder (2) van de Richtlijn 2003/86/EG van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (hierna: de Richtlijn) bepaalt het volgende.

“Maatregelen op het gebied van gezinshereniging moeten in overeenstemming zijn met de verplichting om het gezin te beschermen en het gezinsleven te respecteren, die in veel internationale rechtsinstrumenten wordt opgelegd. In deze richtlijn worden de grondrechten en de beginselen in acht genomen die met name worden erkend in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.”

De considerans onder (5) van de Richtlijn bepaalt dat de lidstaten deze richtlijn toepassen zonder onderscheid te maken op grond van ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte handicap, leeftijd of seksuele geaardheid.

Ingevolge artikel 2, onder d, van de Richtlijn wordt onder “gezinshereniging” verstaan: “toegang tot en verblijf in een lidstaat van de gezinsleden van een wettig in die lidstaat verblijvende onderdaan van een derde land, teneinde de eenheid van het gezin te behouden, ongeacht of de gezinsband tot stand is gekomen vóór of na de komst van degene die in de lidstaat verblijft.”

Artikel 3, vijfde lid, van de Richtlijn bepaalt dat deze richtlijn de mogelijkheid van lidstaten om gunstigere bepalingen vast te stellen of te handhaven onverlet laat.

Op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Richtlijn kan de betrokken lidstaat bij de indiening van een aanvraag tot gezinshereniging de persoon die de aanvraag heeft ingediend, verzoeken het bewijs te leveren dat de gezinshereniger beschikt over stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om hemzelf en zijn gezinsleden te onderhouden, zonder een beroep te doen op het stelsel voor sociale bijstand van de betrokken lidstaat. De lidstaten beoordelen daartoe de aard en de regelmaat van deze inkomsten en kunnen rekening houden met de nationale minimumlonen en pensioenen, evenals met het aantal gezinsleden.

2. In geschil is de vraag of verweerder in het bestreden besluit terecht heeft gesteld dat de door eiseres gemaakte kosten in bezwaar niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat het primaire besluit niet is herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Daarbij dient de rechtbank, onder verwijzing naar de hierboven vermelde uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2008, alsnog de vraag te beantwoorden of het in het nationale recht (in artikel 3.22 van het Vb 2000) gemaakte onderscheid in inkomenseis tussen gezinshereniging en gezinsvorming in overeenstemming is met de Richtlijn.

3. De rechtbank gaat daarbij uit van de volgende feiten. Eiseres heeft mede ten behoeve van haar twee minderjarige kinderen op 14 maart 2006 bij de Nederlandse vertegenwoordiging in Accra een aanvraag om afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) ingediend teneinde zich te kunnen voegen bij haar echtgenoot [naam] (hierna: referent) met wie zij op 30 mei 1998 in Ghana in het huwelijk is getreden en die op dat moment houder was van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Verweerder heeft de mvv-aanvraag van eiseres getoetst aan de inkomensnorm voor gezinsvorming zoals bepaald in artikel 3.22 van het Vb 2000 en vervolgens bij besluit van 11 juli 2006 afgewezen, omdat referent op dat moment niet duurzaam beschikte over voldoende middelen van bestaan. Volgens verweerder heeft eiseres eerst in bezwaar aangetoond dat referent inmiddels wel duurzaam beschikte over voldoende middelen van bestaan. Op basis van deze informatie heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en de mvv verleend. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.

4. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat verweerder bij het nemen van het primaire besluit ten onrechte heeft getoetst aan de strengere inkomensvoorwaarden voor gezinsvorming van artikel 3.22, tweede lid, van het Vb 2000 in plaats van aan de soepeler voorwaarden voor gezinshereniging van het eerste lid, aanhef en onder a. Ter onderbouwing van het standpunt dat verweerder ten onrechte een onderscheid maakt in gezinshereniging en gezinsvorming heeft eiseres zich onder meer beroepen op diverse bepalingen in de Richtlijn.

Voorts heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat verweerder de aanvraag van de kinderen ambtshalve had moeten opvatten als een aanvraag voor verblijf bij alleenstaande ouder en bij het nemen van het primaire besluit ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de verklaring van de werkgever dat referent een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zal verkrijgen.

Tot slot heeft verweerder door het hanteren van het onderscheid in gezinshereniging en gezinsvorming, het recht op gezinsleven in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geschonden en eveneens in strijd gehandeld met de artikelen 14 van het EVRM en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).

5. Verweerder heeft zich -samengevat- op het standpunt gesteld dat er met betrekking tot het primaire besluit geen sprake is van aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. In dit besluit is terecht aan het nationale beleid inzake gezinsvorming getoetst (de inkomensnorm van 120% van het minimumloon) nu dit beleid niet strijdig is met de Richtlijn. Voorts was er geen aanleiding om de aanvraag ten behoeve van de kinderen ambtshalve afzonderlijk te beoordelen als een aanvraag voor verblijf bij alleenstaande ouder.

Voorts kon op basis van de ondertekende model-werkgeversverklaring waarin de werkgever bij de vraag over de voortzetting van het dienstverband uitsluitend “ja” heeft aangekruist, niet worden geconcludeerd dat referent duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikte.

6. De rechtbank overweegt dat de Richtlijn blijkens de definitie in artikel 2 aanhef en onder d) geen onderscheid maakt tussen gezinshereniging en gezinsvorming.

Vervolgens rijst de vraag of het door verweerder gehanteerde onderscheid in inkomensnorm bij gezinshereniging en gezinsvorming zoals neergelegd in artikel 3.22 van het Vb 2000 dan wel gerechtvaardigd is.

Uit de tekst van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Richtlijn blijkt dat deze de lidstaten niet nauwkeurig voorschrijft wat moet worden verstaan onder stabiele en regelmatige inkomsten. Evenmin is het begrip “stelsel voor sociale bijstand” in de Richtlijn gedefinieerd. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat deze begrippen minimumnormen zijn die de ondergrens bepalen waaraan het inkomensvereiste in het gezinsherenigingsbeleid in ieder geval moet voldoen. Daarvan kan echter gelet op artikel 3, vijfde lid van de Richtlijn in gunstige zin worden afgeweken.

Verweerder heeft voor wat betreft de wijze waarop de minimumnorm van 120 % van het wettelijk minimumloon tot stand is gekomen verwezen naar onderdeel 4 getiteld “inkomensnormen bij gezinsvorming” in de Nota van Toelichting bij het Besluit van 29 september 2004 tot wijziging van het Vb 2000. Samengevat wordt daarin gesteld dat een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm/het netto minimumloon (100% norm) niet

voorkomt dat betrokkenen een beroep doen of kunnen doen op uit algemene middelen gefinancierde inkomensafhankelijke regelingen. Daarentegen waarborgt de inkomenseis van 120% als minimumnorm bij gezinsvorming dat in individuele gevallen geen beroep wordt gedaan op andere uit de algemene middelen gefinancierde inkomensafhankelijke regelingen.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de 120% norm binnen de contouren valt die artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Richtlijn heeft bepaald. Dat verweerder voor gezinsherenigers de soepeler norm van 100 % hanteert is evenmin strijdig met de Richtlijn nu artikel 3, vijfde lid, toestaat om in gunstige zin af te wijken. Gelet op het voorgaande is het in het nationale recht gemaakte onderscheid in inkomenseis tussen gezinshereniging en gezinsvorming naar het oordeel van de rechtbank evenmin in strijd met artikel 14 van het EVRM en met artikel 26 van het IVBPR.

7. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder op basis van het ondertekende model-werkgeversverklaring heeft kunnen concluderen dat niet duurzaam wordt beschikt over voldoende middelen van bestaan. De arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd betreft immers een toekomstige onzekere gebeurtenis nu aanvullende informatie ontbreekt.

8. Het beroep van eiseres op schending van artikel 8 van het EVRM slaagt evenmin. Op grond van vaste jurisprudentie van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (hierna: het Hof) brengt artikel 8 van het EVRM voor staten geen algehele verplichting mee de domiciliekeuze van echtparen te eerbiedigen of gezinshereniging op haar grondgebied door immigratie toe te staan. Zowel bij vreemdelingen die eerder rechtmatig verblijf hebben gehad als bij vreemdelingen dit niet hebben gehad, vindt een volledige individuele belangenafweging plaats, waarbij de omstandigheid dat nooit sprake is geweest van rechtmatig verblijf bij deze belangenafweging wordt betrokken.

9. Tot slot is de rechtbank met verweerder van oordeel dat het niet op de weg van verweerder lag om de aanvragen van de twee minderjarige kinderen ambtshalve te toetsen aan verblijf bij alleenstaande ouder.

10. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit terecht heeft gesteld dat de door eiseres gemaakte kosten in bezwaar niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat geen sprake is van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid.

11. Het beroep is derhalve ongegrond.

12. De rechtbank overweegt, mede gelet op het ter zake van proceskosten overwogene in de uitspraak van Afdeling in hoger beroep van 30 januari 2008, dat zij in dit geval geen aanleiding gebruik te maken van de in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde bevoegdheid. De rechtbank heeft daarbij in overweging genomen dat het beroep van eiseres bij de rechtbank ongegrond is bevonden en dat ook anderszins niet is gebleken van gronden die zouden nopen tot een veroordeling van verweerder in de door eiseres gemaakte kosten. Ten aanzien van de gemaakte kosten in hoger beroep bij de Afdeling overweegt de rechtbank in het bijzonder dat deze kosten een uitvloeisel zijn geweest van een onjuist bevonden uitspraak door een enkelvoudige kamer van de rechtbank. Nu deze kosten zijn ontstaan buiten toedoen van beide partijen, is de rechtbank van oordeel dat het onjuist zou zijn verweerder in deze kosten te veroordelen en behoren de in verband met het hoger beroep gemaakte kosten naar het oordeel van de rechtbank door beide partijen zelf te worden gedragen.

III. Uitspraak

De rechtbank 's-Gravenhage,

verklaart het beroep ongegrond,

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2008

door mr. C. van Boven-Hartogh, voorzitter, mr. B.F.Th. de Roos en mr. R.C.M. Reinarz, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Loonstra, griffier.

Afschrift verzonden op: 3 juli 2008