Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD9246

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-06-2008
Datum publicatie
05-08-2008
Zaaknummer
AWB 08/5868, 08/14598
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Onjuiste uitleg artikel 64 Vw

Tussen partijen is in geschil of onder ‘…..of een van zijn gezinsleden…’ in artikel 64 Vw ook wordt verstaan een gezinslid dat de Nederlandse nationaliteit bezit en als zodanig zelf niet met uitzetting wordt bedreigd.

Verweerder stelt dat de ratio achter de zinsnede ‘…..of een van zijn gezinsleden….’, is dat zoveel mogelijk wordt getracht gezinnen gezamenlijk uit te zetten en niet te scheiden door afzonderlijke uitzetting. Derhalve moet het volgens verweerder gezinsleden betreffen die ook bedreigd worden met uitzetting.

De voorzieningenrechter constateert dat artikel 64 Vw slechts spreekt over gezinsleden van de vreemdeling. Uit de wettekst valt derhalve niet op te maken dat het bepaalde in artikel 64 Vw niet tevens ziet op gezinsleden die Nederlandse nationaliteit hebben. Tevens stelt de voorzieningenrechter vast dat de Memorie van toelichting op artikel 64 Vw (Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26 732, nr. 3) noch de jurisprudentie aanknopingspunten bieden voor de door verweerder gestelde ratio achter eerder vermelde zinsnede.

Gelet op het vorenstaande, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit berust op een onjuiste uitleg door verweerder van artikel 64 Vw.

Beroep gegrond. Voorlopige voorziening afgewezen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 64
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/353
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer:

AWB 08 / 5868 (voorlopige voorziening)

AWB 08 / 14598 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 juni 2008

in de zaak van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1965, van Ghanese nationaliteit,

verzoeker,

gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg, advocaat te Voorburg,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. M. van Andel, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft verweerder bij brief van 10 februari 2008 gevraagd om toepassing van artikel 64 Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft verzoeker bij besluit van 14 februari 2008 meegedeeld dat artikel 64 Vw niet op hem van toepassing is. Verzoeker heeft tegen het besluit op 16 februari 2008 bij verweerder bezwaar gemaakt en heeft in verband daarmee op 16 februari 2008 de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

1.2 Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 21 april 2008 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen dit besluit op 23 april 2008 beroep ingesteld.

1.3 Bij brief van 29 april 2008 heeft de rechtbank partijen te kennen gegeven het petitum van het verzoekschrift van 16 februari 2008 op te vatten als een verzoek verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroepschrift heeft beslist.

1.4Verweerder heeft op 19 mei 2008 een verweerschrift ingediend.

1.5 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 30 mei 2008. Verzoeker is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegen- woordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 In de hoofdzaak toetst de voorzieningenrechter het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.4 Ingevolge artikel 64 Vw blijft uitzetting achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.

2.5 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 64 Vw niet van toepassing is op verzoeker, omdat de partner van verzoeker, mevrouw [partner], de Nederlandse nationaliteit bezit.

2.6 Verzoeker heeft hiertegen in beroep het navolgende aangevoerd. Verweerder heeft het gevraagde uitstel van vertrek ten onrechte geweigerd. Uit de tekst van artikel 64 Vw blijkt niet dat uitzetting alleen achterwege blijft bij gezinsleden die onrechtmatig in Nederland verblijven. Met het niet verlenen van uitstel op grond van artikel 64 Vw is sprake van schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ten slotte geeft verzoeker aan dat hij Nederland zal verlaten, zodra de gezondheidstoestand van zijn partner dat toelaat en zij weer in staat is om voor haarzelf en hun kind te zorgen.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt

2.7 Verzoeker heeft verzocht om toepassing van artikel 64 Vw. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de gezondheidstoestand van zijn Nederlandse partner noopt tot achterwege laten van zijn uitzetting. Verweerder heeft niet betwist dat de partner van verzoeker ernstig ziek is.

2.8 Tussen partijen is in geschil of onder ‘…..of een van zijn gezinsleden…’ in artikel 64 Vw ook wordt verstaan een gezinslid dat de Nederlandse nationaliteit bezit en als zodanig zelf niet met uitzetting wordt bedreigd.

2.9 Verweerder stelt dat de ratio achter de zinsnede ‘…..of een van zijn gezinsleden….’, is dat zoveel mogelijk wordt getracht gezinnen gezamenlijk uit te zetten en niet te scheiden door afzonderlijke uitzetting. Derhalve moet het volgens verweerder gezinsleden betreffen die ook bedreigd worden met uitzetting.

2.10 De voorzieningenrechter constateert dat artikel 64 Vw slechts spreekt over gezinsleden van de vreemdeling. Uit de wettekst valt derhalve niet op te maken dat het bepaalde in artikel 64 Vw niet tevens ziet op gezinsleden die Nederlandse nationaliteit hebben. Tevens stelt de voorzieningenrechter vast dat de Memorie van toelichting op artikel 64 Vw (Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26 732, nr. 3) noch de jurisprudentie aanknopingspunten bieden voor de door verweerder gestelde ratio achter eerder vermelde zinsnede.

2.11 Gelet op het vorenstaande, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit berust op een onjuiste uitleg door verweerder van artikel 64 Vw.

2.12 De voorzieningenrechter zal het beroep gegrond verklaren. De overige gronden behoeven geen bespreking meer.

2.13 De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

2.14 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.15 Verweerder zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb worden veroordeeld in de kosten die verzoeker heeft gemaakt en met toepassing van artikel 8:75, derde

lid, zal de rechtspersoon worden aangewezen die de kosten moet vergoeden. De kosten ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn € 644,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en € 322,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is verleend dient verweerder deze kosten te betalen aan de griffier van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem.

2.16 Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb en artikel 8:82, vierde lid, Awb, zal de voorzieningenrechter de Staat der Nederlanden aanwijzen als rechtspersoon die het betaalde griffierecht moet vergoeden.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 21 april 2008;

3.3 draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van 16 februari 2008 te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

3.4 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.5 veroordeelt verweerder in de kosten in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening ad € 644,- en in verband met het beroep ad € 322,- te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem;

3.6 draagt de Staat der Nederlanden op het betaalde griffierecht ad tweemaal € 145,- aan verzoeker te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, voorzieningenrechter, en op 16 juni 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van M.J.E. de Jong, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.