Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD9141

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-07-2008
Datum publicatie
05-08-2008
Zaaknummer
AWB 08/23420
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / zicht op uitzetting / China

Met eiser is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn voor Chinese vreemdelingen die niet in het bezit zijn van een geldig paspoort. Immers, voor deze vreemdelingen zal een vervangend reisdocument moeten worden aangevraagd, in de vorm van een lp. Niet is betwist dat de Chinese autoriteiten sinds april 2007 geen enkele lp meer hebben verstrekt aan ongedocumenteerde, dan wel aan gedocumenteerde Chinese vreemdelingen. Reeds omdat in de uitspraken van de AbRS van 30 juni 2008 en van 7 juli 2008 hiervan niet werd uitgegaan, mist de verwijzing naar deze uitspraken door verweerder doel. Verweerders betoog ter zitting dat er nog immer sprake is van zicht op uitzetting, gelet op de diplomatieke onderhandelingen die verweerder in mei 2008 op hoog niveau met de Chinese autoriteiten heeft gevoerd en op de omstandigheid dat de maximale inspanning wordt geleverd om te komen tot de terugname door China van eigen onderdanen, doen aan vorenstaande niet af. Deze inspanningen dateren van mei 2008 en vooralsnog is niet gebleken dat deze tot een veranderde houding van de Chinese autoriteiten hebben geleid en zullen leiden. Noch is gebleken dat deze inspanningen binnen een redelijke termijn zullen leiden tot afgifte van een lp voor Chinese vreemdelingen. Van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn is, anders dan deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Gravenhage op 7 juli 2008 heeft geoordeeld, derhalve geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 96 en 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 08/23420

V-nr.: 272.163.0543

inzake:

[eiser], geboren op [geboortedatum] 1958, van (gestelde) Chinese nationaliteit, verblijvende in het Detentiecentrum Zeist te Soesterberg, eiser,

gemachtigde: mr. R.W. Koevoets, advocaat te Rotterdam,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A.M.C. de Haan, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 16 mei 2008 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 3 juni 2008 is het beroep van eiser gericht tegen deze maatregel ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 30 juni 2008 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij is opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd alsmede toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 15 juli 2008. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.

De voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel is niet gerechtvaardigd. Er is geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Eiser heeft hiertoe verwezen naar uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 20 juni 2008, AWB 08/18668, zittingsplaats Den Bosch van

2 juli 2008, AWB 08/20488, en zittingsplaats Rotterdam van 11 juli 2008, AWB 08/22777, waarin is geoordeeld dat er geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn als gevolg waarvan de bewaring diende te worden opgeheven. De vraag in hoeverre eiser meewerkt aan zijn uitzetting is niet relevant, aangezien uit informatie van verweerder is gebleken dat sinds april 2007 geen enkele laissez-passer (lp) meer is verstrekt ten behoeve van Chinezen, ongeacht of ze ongedocumenteerd dan wel gedocumenteerd zijn.

Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.

De voortduring van de maatregel is gerechtvaardigd. Er is sprake van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en in dat kader wordt verwezen naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 30 juni 2008, 200803754/1, en van 7 juli 2008, 200803334/1, en naar een uitspraak van de Meervoudige Kamer van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Gravenhage van 7 juli 2008, AWB 08/21902. Er hebben diplomatieke onderhandelingen tussen verweerder en de Chinese autoriteiten plaatsgevonden en de verwachting is dat deze onderhandelingen tot een positieve uitkomst zullen leiden. Aan deze onderhandelingen kan dan ook het zicht op uitzetting worden ontleend.

De rechtbank overweegt het volgende.

De vrijheidsontnemende maatregel duurt inmiddels twee maanden. Thans dient te worden beoor¬deeld of de voortgezette toepassing daarvan gerechtvaardigd is te achten.

Met eiser is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn voor Chinese vreemdelingen die niet in het bezit zijn van een geldig paspoort. Immers, voor deze vreemdelingen zal een vervangend reisdocument moeten worden aangevraagd, in de vorm van een lp. Niet is betwist dat de Chinese autoriteiten sinds april 2007 geen enkele lp meer hebben verstrekt aan ongedocumenteerde, dan wel aan gedocumenteerde Chinese vreemdelingen. Reeds omdat in de uitspraken van de AbRS van 30 juni 2008 en van 7 juli 2008 hiervan niet werd uitgegaan, mist de verwijzing naar deze uitspraken door verweerder doel. Verweerders betoog ter zitting dat er nog immer sprake is van zicht op uitzetting, gelet op de diplomatieke onderhandelingen die verweerder in mei 2008 op hoog niveau met de Chinese autoriteiten heeft gevoerd en op de omstandigheid dat de maximale inspanning wordt geleverd om te komen tot de terugname door China van eigen onderdanen, doen aan vorenstaande niet af. Deze inspanningen dateren van mei 2008 en vooralsnog is niet gebleken dat deze tot een veranderde houding van de Chinese autoriteiten hebben geleid en zullen leiden. Noch is gebleken dat deze inspanningen binnen een redelijke termijn zullen leiden tot afgifte van een lp voor Chinese vreemdelingen. Van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn is, anders dan deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Gravenhage op 7 juli 2008 heeft geoordeeld, derhalve geen sprake.

Hieruit volgt dat voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000. Derhalve wordt het beroep gegrond verklaard en wordt de opheffing van de bewaring bevolen, ingaande op 17 juli 2008.

De rechtbank ziet op grond van het voorgaande aanleiding gebruik te maken van de bevoegdheid om schadevergoeding toe te kennen als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 en wel tot een bedrag van € 70,-- per dag dat eiser in een Huis van Bewaring aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, zijnde de datum van instelling van het onderhavige beroep, derhalve in totaal € 1190,--.

Gelet op het voorgaande is er voorts aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,--, als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

III. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt dat de bewaring ingaande op 17 juli 2008 wordt opgeheven;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot € 1190,-- (zegge: éénduizend negentig euro), te betalen aan eiser;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 644,-- (zegge: zeshonderd vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan op 17 juli 2008 door mr. G.S. Crince Le Roy, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.L. van Leer, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

Afschrift verzonden op:

Conc.: ML

Coll:

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open