Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD9116

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-07-2008
Datum publicatie
05-08-2008
Zaaknummer
AWB 07/36065, 07/36067
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / artikel 8 EVRM / niet-tijdig ingediende verlengingsaanvraag

Naar het oordeel van de rechtbank dient verweerder bij het stellen van het mvv-vereiste in een geval als het onderhavige, zijnde een niet-tijdig ingediende verlengingsaanvraag, zich er rekenschap van te geven dat deze situatie alleen naar nationaal recht gelijkgesteld wordt met een eerste toelating. Voor de toepassing van artikel 8 van het EVRM kan het belang van de Nederlandse Staat bij het stellen van het mvv-vereiste in een geval als het onderhavige niet op één lijn worden gesteld met dat van een ‘echte’ eerste toelating. Een situatie ter voorkoming waarvan het mvv-vereiste in het leven is geroepen, te weten dat een vreemdeling de overheid bij haar onderzoek of de vreemdeling aan alle vereisten voor verblijfsaanvaarding voldoet, door diens illegale aanwezigheid alhier met alle gevolgen van dien voor een voldongen feit plaatst, doet zich niet voor. In een situatie als deze is de vreemdeling immers reeds toegelaten en heeft hij ook rechtmatig verblijf gehad. Deze andere weging van het belang bij het mvv-vereiste blijkt ook uit het feit dat dit vereiste niet had gegolden als eiseres haar aanvraag drie weken eerder had ingediend.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 14
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.82
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/349
RV20080027 met annotatie van Olivier B.K. Ben
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

voorzieningenrechter

Uitspraak

artikel 8:70 en 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nrs.: AWB 07/36065 en AWB 07/36067

V-nr: 130.520.3940

inzake:

[eiseres], geboren op [geboortedatum] 1966, van Russische nationaliteit, wonende te Amsterdam, eiseres/verzoekster, hierna te noemen: eiseres,

gemachtigde: mr. T.P.A. Weterings, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. H. Hanssen-Telman, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 1 november 2006 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 8 maart 2006 tot verlenging van de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder de beperking “verblijf bij partner [partner]” afgewezen.

Het daartegen ingestelde bezwaar is bij besluit van 23 augustus 2007 ongegrond verklaard. Het besluit vermeldt onder meer de rechtsgevolgen dat eiseres na bekendmaking van het besluit niet meer rechtmatig in Nederland verblijft en dat eiseres Nederland uit eigen beweging binnen vier weken moet verlaten.

2. Op 18 september 2007 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Volgens het besluit schort het beroep de rechtsgevolgen niet op. Bij brief van 18 september 2007 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2008. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig [partner], referent.

4. De voorzieningenrechter/rechtbank, hierna te noemen: rechtbank, heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

In het onderhavige geval gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

1. Bij beschikking van 4 mei 2005 is aan eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder de beperking “verblijf bij partner [partner]”, met een geldigheidsduur van 13 januari 2005 tot 18 augustus 2005.

2. Op 28 december 2005 is eiseres in het bezit gesteld van een nieuw Russisch paspoort.

3. Ten tijde van het bestreden besluit was eiseres zwanger. Inmiddels is zij bevallen van een dochter.

III. OVERWEGINGEN

Ten aanzien van het beroep

1. Ingevolge artikel 3.80, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 is de aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 tijdig ingediend, indien deze is ontvangen uiterlijk op de dag vóór de dag waarop de geldigheidsduur verstrijkt, dan wel, indien deze later is ontvangen, indien de termijnoverschrijding de vreemdeling niet kan worden toegerekend. Ingevolge het tweede lid van artikel 3.80 van het Vb 2000 wordt de niet tijdig ingediende aanvraag tot het wijzigen of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 gelijkgesteld met een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning.

2. Volgens onderdeel B1/5.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 wordt van geval tot geval beoordeeld of de te late ontvangst van de aanvraag al dan niet aan de vreemdeling is toe te rekenen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de vreemdeling zelf de volledige verantwoordelijkheid draagt voor tijdige indiening van de verlengingsaanvraag, desnoods door tussenkomst van derden. Om die reden zal niet snel sprake zijn van een situatie waardoor te late indiening te wijten is aan omstandigheden die de vreemdeling niet zijn toe te rekenen. Aan de omstandigheid dat de vreemdeling door de overheid niet is gewezen op de omstandigheid dat zijn verblijfsvergunning binnenkort afloopt en dat verlenging moet worden gevraagd, komt volgens dit beleidsonderdeel geen betekenis toe.

3. Ingevolge artikel 3.82, eerste lid, van het Vb 2000 zijn de artikelen 3.71, 3.77, 3.78 en 3.79 niet van toepassing en zijn de artikelen 3.86 en 3.87 van overeenkomstige toepassing, indien de niet tijdig ingediende aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, naar het oordeel van Onze Minister is ontvangen binnen een redelijke termijn nadat het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000, of als Nederlander, is geëindigd. In paragraaf B1/5.1 van de Vc 2000 is deze redelijke termijn op zes maanden bepaald.

4. Verweerder stelt in het bestreden besluit dat eiseres niet in aanmerking komt voor de gevraagde verlenging van haar verblijfsvergunning. De termijnoverschrijding bij indiening van de onderhavige verlengingsaanvraag wordt niet verschoonbaar geacht. De door eiseres aangevoerde feiten en omstandigheden afzonderlijk en in samenhang bezien leveren geen verschoonbare reden op voor de te late indiening van de verlengingsaanvraag. Nu de termijnoverschrijding aan eiseres is toe te rekenen, wordt de aanvraag gelijkgesteld met een eerste aanvraag voor verblijf en dient eiseres te beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eiseres komt niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. In paragraaf B1/4.1.1 van de Vc 2000 staat dat de omstandigheid dat niet ontoerekenbaar, niet-tijdig en na afloop van de redelijke termijn om verlenging of wijziging van de verblijfsvergunning is gevraagd, geen reden is voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. De zwangerschap van eiseres wordt niet gezien als een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat eiseres werkzaam is in het bedrijf van referent en voor de emotionele steun die zij referent biedt na het overlijden van zijn vader. Niet is gebleken van omstandigheden die maken dat van eiseres niet verwacht kan worden terug te keren naar Rusland teneinde daar een mvv-aanvraag in te dienen en de behandeling ervan aldaar af te wachten. Hierbij is van belang dat eiseres heeft verklaard in 2006 nog in Rusland te zijn geweest. De weigering eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste betekent geen schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

5. Eiseres heeft - zakelijk weergegeven – onder meer het volgende aangevoerd. Verweerder heeft de termijnoverschrijding ten onrechte niet verschoonbaar geacht. Eiseres (althans referent) heeft zich inzake de verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning met grote regelmaat in contact gesteld met verweerder. Hierbij heeft referent telkenmale gevraagd in hoeverre het indienen van een volledige aanvraag is vereist, waarop telkenmale is geantwoord dat de aanvraag compleet moet worden ingediend. Uit het bestreden besluit volgt dat het feit dat eiseres heeft gewacht met het indienen van de verlengingsaanvraag tot zij de beschikking had over een geldig nationaal paspoort wordt geaccepteerd als een verschoonbare reden voor te late indiening van de aanvraag. Niet valt in te zien om welke reden verweerder de te late indiening van de aanvraag omdat andere voor de beoordeling van de aanvraag even noodzakelijke bescheiden nog ontbraken, niet verschoonbaar acht. Duidelijk is immers dat door eiseres de volledigheid van de in te dienen aanvraag cruciaal werd geacht. Voorts heeft verweerder het beroep op de hardheidsclausule niet op juiste wijze getoetst. De door eiseres aangevoerde omstandigheden leiden tot de conclusie dat vasthouden aan het mvv-vereiste een onbillijkheid van overwegende aard oplevert. Ten aanzien van artikel 8 van het EVRM is er sprake van een motiveringsgebrek. Uit het bestreden besluit blijkt niet of verweerder heeft beoordeeld of sprake is van inmenging in eiseres’ recht op het uitoefenen van gezinsleven. Niet is inzichtelijk hoe en waaraan verweerder heeft getoetst.

6. Allereerst stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres haar verlengingsaanvraag niet uiterlijk op de dag waarop de geldigheidsduur van de aan haar verleende verblijfsvergunning afliep, dan wel binnen een termijn van zes maanden na afloop van die geldigheidsduur heeft ingediend. Derhalve is sprake van een niet tijdig ingediende aanvraag om verlenging. In geschil is de vraag of het standpunt van verweerder dat de te late indiening aan eiseres kan worden toegerekend de rechterlijke toets kan doorstaan.

7.1 De rechtbank stelt voorop dat verweerder op dit punt beoordelingsruimte toekomt en dat uit het dienaangaande geformuleerde beleid volgt dat het veronachtzamen van de termijn voor het indienen van de aanvraag slechts in bijzondere gevallen verschoonbaar wordt geacht.

7.2 In beroep heeft eiseres op de volgende omstandigheden gewezen. Eiseres, althans referent, heeft zich meerdere malen tot verweerder gewend met de vraag of de aanvraag compleet diende te worden ingediend. Deze vraag is door verweerder telkens bevestigend beantwoord. Eiseres heeft onweersproken gesteld dat tijdens deze contacten niet is medegedeeld dat het van groot belang is dat de aanvraag tijdig wordt ingediend. Op het formulier “Aanvraag verlenging verblijfsvergunning” is voorts vermeld dat een niet tijdige of onvolledige aanvraag verstrekkende gevolgen kan hebben, zonder dat tussen die twee onderscheid wordt gemaakt. Eiseres en referent zijn er op grond van deze gegevens van uitgegaan dat volledigheid van de aanvraag ten minste zo belangrijk was als tijdigheid. Daarom hebben zij nadat aan eiseres op 28 december 2005 een nieuw paspoort was afgegeven niet direct de aanvraag ingediend maar het gereed komen van de jaarrekening van het bedrijf van referent afgewacht.

7.3 De rechtbank leidt uit deze omstandigheden af dat de niet tijdige indiening van de aanvraag in wezen is terug te voeren op de onbekendheid van eiseres en referent met de mogelijke gevolgen daarvan. Eiseres en referent zijn er, zonder nadere inlichtingen in te winnen, van uitgegaan dat de tijdigheid van indiening van de aanvraag geen zelfstandige betekenis had naast de volledigheid van de aanvraag. In beleidsonderdeel B1/5.1 van de Vc 2000 is expliciet het uitgangspunt neergelegd dat de vreemdeling zelf de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de tijdige indiening van de aanvraag, waarbij nog is bepaald dat geen betekenis toekomt aan de omstandigheid dat door de overheid niet op de noodzaak van tijdige verlenging is gewezen. Dit in aanmerking genomen en gelet op de terughoudendheid die de rechter bij de toetsing van verweerders standpunt in acht dient te nemen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de door eiseres aangevoerde omstandigheden in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven te zien voor het oordeel dat de te late indiening eiseres niet kan worden aangerekend. De rechtbank overweegt dat dit wellicht anders ligt indien de overheid onjuiste informatie verstrekt, maar daarvan is in dit geval geen sprake. Deze beroepsgrond wordt dan ook verworpen.

8. De rechtbank verwerpt ook de beroepsgrond gericht tegen het standpunt van verweerder dat eiseres niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000. Ook dit standpunt kan de rechtbank slechts terughoudend toetsen nu het hier een discretionaire bevoegdheid van verweerder betreft. In dat verband is voorts van belang dat in het ter zake gevoerde beleid van verweerder is bepaald dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen van deze bevoegdheid gebruik wordt gemaakt en dat als een zodanig bijzonder geval niet wordt aangemerkt de vreemdeling die toerekenbaar te laat een verlengingsaanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft in het bestreden besluit ook nadrukkelijk gewezen op dit beleid, dat is neergelegd in paragraaf B1/4.1.1 van de Vc 2000. Ook de overige in beroep naar voren gebrachte omstandigheden, waaronder haar zwangerschap, noopten verweerder niet tot toepassing van de hardheidsclausule.

9.1 Eiseres heeft voorts het standpunt van verweerder aangevochten dat afwijzing van de aanvraag geen schending van artikel 8 van het EVRM meebrengt. De rechtbank stelt voorop dat tussen eiseres en referent sprake is van het gezinsleven waarop deze bepaling ziet. De aanvankelijk aan haar verleende vergunning, waarvan de verlenging door verweerder is geweigerd, stelt haar in staat tot rechtmatige uitoefening van het recht op gezinsleven. Verweerder dient een belangenafweging te maken als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM en in het bijzonder te onderzoeken of handhaving van het mvv-vereiste in het concrete geval in verhouding staat tot het doel dat daarmee wordt nagestreefd.

9.2 Volgens de huidige stand van de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State levert het tegenwerpen van het mvv-vereiste slechts in uitzonderlijke gevallen schending van artikel 8 van het EVRM op, omdat de uit het mvv-vereiste voortvloeiende verplichting Nederland te verlaten in beginsel tijdelijk van aard is. Deze hoofdregel ziet met name op die gevallen waarin de vreemdeling niet eerder rechtmatig verblijf heeft gehad en voor het eerst om toelating tot Nederland verzoekt. Naar het oordeel van de rechtbank dient verweerder bij het stellen van het mvv-vereiste in een geval als het onderhavige zich er rekenschap van te geven dat deze situatie alleen naar nationaal recht gelijkgesteld wordt met een eerste toelating. Voor de toepassing van artikel 8 van het EVRM kan het belang van de Nederlandse Staat bij het stellen van het mvv-vereiste in een geval als het onderhavige niet op één lijn worden gesteld met dat van een ‘echte’ eerste toelating. Een situatie ter voorkoming waarvan het mvv-vereiste in het leven is geroepen, te weten dat een vreemdeling de overheid bij haar onderzoek of de vreemdeling aan alle vereisten voor verblijfsaanvaarding voldoet, door diens illegale aanwezigheid alhier met alle gevolgen van dien voor een voldongen feit plaatst, doet zich niet voor. In een situatie als deze is de vreemdeling immers reeds toegelaten en heeft hij ook rechtmatig verblijf gehad. Deze andere weging van het belang bij het mvv-vereiste blijkt ook uit het feit dat dit vereiste niet had gegolden als eiseres haar aanvraag drie weken eerder had ingediend.

9.3 Het bestreden besluit bevat voorts geen kenbare afweging van de door eiseres naar voren gebrachte belangen tegenover het belang van de Staat bij handhaving van het mvv-vereiste. Met name blijkt uit het besluit niet dat verweerder zich ervan bewust is geweest dat eiseres ten tijde van het besluit al in een vergevorderd stadium van haar zwangerschap was, hetgeen juist in het kader van de toetsing van artikel 8 van het EVRM betekenis heeft. Verder blijkt uit het besluit niet expliciet dat in de overwegingen is betrokken dat eiseres’ aanwezigheid in Nederland voor referent, gelet op het recente overlijden van zijn beide ouders en haar rol in het familiebedrijf, juist nu cruciaal was.

9.4 Nu uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder het in 9.2 overwogene niet heeft onderkend en hij de onder 9.3 genoemde omstandigheden niet kenbaar in zijn standpuntbepaling heeft betrokken, mist het besluit op dit onderdeel een toereikende motivering.

10. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb. Derhalve zal het beroep gegrond worden verklaard, het bestreden besluit worden vernietigd en bepaald worden dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

11. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Awb worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

12. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

13. Het gevolg van deze uitspraak is dat verweerder opnieuw op het bezwaar dient te beslissen. Nu de aanvraag is afgewezen op de grond dat een mvv ontbreekt, heeft het bezwaar op grond van artikel 73, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 geen schorsende werking. Gelet daarop en op de omstandigheid dat aan het besluit in primo hetzelfde gebrek kleeft als aan het in beroep vernietigde besluit, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank aanleiding om op grond van het bepaalde in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb de uitzetting van eiseres te verbieden tot vier weken nadat door verweerder opnieuw op het bezwaar is beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

14. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

15. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 en artikel 8:82, vierde lid van de Awb wijst de rechtbank, respectievelijk de voorzieningenrechter de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht.

III. BESLISSING

De rechtbank

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 07/36065

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat eiseres niet mag worden uitgezet tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist;

De voorzieningenrechter

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 07/36067

- wijst het verzoek af;

In alle zaken:

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 966,-- (zegge: negenhonderd zesenzestig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan eiseres;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht ad € 143, -- (zegge: éénhonderd drieënveertig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Fehmers, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.L. van Leer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2008.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc: ML

Coll:

D: C

Tegen de uitspraak op het beroep staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.