Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD9072

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
31-07-2008
Zaaknummer
AWB 07/3335 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt, welke is gelegen in de omstandigheid dat eiser niet langer beschikte over een geldige chauffeurspas, zodat hij niet langer als taxichauffeur inzetbaar was. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat er geen sprake zou zijn van een dringende reden omdat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden wegens een gewichtige reden, bestaande uit veranderingen in de omstandigheden. In de ontbindingsbeschikking is geen inhoudelijk oordeel gegeven over de aan de ontbinding ten grondslag liggende feiten en omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, meervoudige kamer

Reg. nrs. AWB 07/3335 WW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 10 januari 2007 heeft verweerder geweigerd eiser per 11 oktober 2006 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: WW) toe te kennen, omdat eiser verwijtbaar werkloos is geworden.

Bij besluit van 29 maart 2007 is het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 8 mei 2007, ingekomen bij de rechtbank op 9 mei 2007, beroep ingesteld. De gronden zijn nadien aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 17 maart 2008 ter zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M.L. Theelen, advocaat te Den Haag. Verweerder is niet verschenen.

Motivering

Eiser is op 11 februari 2005 in de functie van chauffeur in dienst getreden bij de V.O.F. [taxibedrijf] (hierna: de werkgever) op basis van een arbeidsovereenkomst op oproep voor een half jaar. Deze arbeidsovereenkomst is stilzwijgend verlengd.

Bij aanvang van de arbeidsovereenkomst was eiser in het bezit van een chauffeurspas met een geldigheidsduur tot 1 juli 2006.

Op 29 maart 2006 heeft eiser bij de Dienst Justis van het Ministerie van Justitie verzocht om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van het aanvragen van een chauffeurspas bij de Inspectie Verkeer en Waterstaat.

Op 11 juli 2006 heeft de Dienst Justis aan eiser laten weten voornemens te zijn de afgifte van de VOG te weigeren.

Bij besluit van 1 augustus 2006 heeft de Dienst Justis de afgifte van de door eiser verzochte VOG geweigerd.

Op 19 september 2006 heeft de werkgever een concept-beschikking ontvangen van de Inspectie Verkeer en Waterstaat waarbij een last onder dwangsom wordt aangezegd wegens het laten verrichten van taxivervoer, terwijl de chauffeur, zijnde eiser, niet in het bezit was van een geldige chauffeurspas.

Op 19 september 2006 is eiser door de werkgever op staande voet ontslagen. De werkgever heeft daarbij als dringende reden vermeld dat eiser niet meer beschikt over een geldige chauffeurspas, welke noodzakelijk is voor het uitoefenen van eisers werkzaamheden. Tevens heeft de werkgever vermeld dat eiser twee politiecontroles heeft verzwegen en dat een beschikking is ontvangen van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.

Op 10 oktober 2006 heeft de werkgever bij de kantonrechter van de rechtbank ‘s-Gravenhage een verzoekschrift ingediend tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Op 2 november 2006 zijn eiser en de werkgever het ter zitting van de kan¬tonrechter eens geworden over de ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 11 oktober 2006 wegens verandering van de omstandigheden. De werkgever heeft de voorwaarde waarvan hij het ontbindingsverzoek afhankelijk stelde, laten vallen. De kantonrechter heeft bij beschikking van 2 november 2006 de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst ontbonden per 11 oktober 2006 wegens een gewichtige reden, bestaande uit veranderingen in de omstandigheden en daarbij overwogen dat de veranderingen in de omstandigheden niet aan eiser zijn te wijten, alsmede dat er geen aanleiding is om aan de werknemer ten laste van de werkgever een vergoeding toe te kennen.

Naar aanleiding van eisers WW-aanvraag heeft verweerder een onderzoek ingesteld. Uit het onderzoek is verweerder gebleken dat eiser wel een nieuwe chauffeurspas had willen aanvragen, maar dat hij niet de daarvoor benodigde VOG kon verkrijgen. In de bezwaarfase heeft de werkgever daaromtrent nog aan verweerder geschreven dat eiser zelf verantwoordelijk was voor de verlenging van zijn chauffeurspas. Eiser heeft de werkgever niet verteld dat de VOG was afgewezen. Dit heeft de werkgever pas op 2 november 2006, tijdens de zitting bij de kantonrechter, gehoord.

Bij primair besluit van 10 januari 2007 heeft verweerder eiser met ingang van 11 oktober 2006 een WW-uitkering blijvend en geheel geweigerd op de grond dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden.

In het thans bestreden besluit op bezwaar heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat aan eisers ontslag een dringende reden ten grondslag ligt, namelijk het niet beschikken over een geldige chauffeurspas, waardoor eiser zijn werk als taxichauffeur niet meer kon uitoefenen. Eiser heeft bewust een functie verricht waar hij de kwalificaties niet meer voor had. Eiser had de werkgever moeten inlichten over het feit dat bij de politiecontroles een strafbaar feit was geconstateerd en moeten zeggen dat hij niet verder kon en mocht rijden op de taxi.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij tijdig een VOG heeft aangevraagd en dat beroep is ingesteld tegen het besluit op bezwaar waarin de weigering van een VOG is gehandhaafd. De werkgever dient voor en na de dienst te controleren of eiser aan de vereisten van de Wet Personenvervoer voldoet; hieronder valt ook het hebben van een geldige chauffeurspas. De kantonrechter heeft niet geoordeeld dat er sprake was van een dringende reden. De werkgever wist dat eisers chauffeurspas zou verlopen op 1 juli 2006. De werkgever wist van de politiecontroles. De werkgever heeft de weekstaten afgetekend. Eiser kon nog steeds als chauffeur werkzaam zijn; hij kon slechts bepaalde taxidiensten niet verrichten. Eiser wordt meermalen gestraft voor hetzelfde feit. Er is geen VOG verstrekt, hij verliest zijn baan, hij krijgt geen WW en hem is inmiddels ook bijstand geweigerd.

Niet in geschil is dat op eisers aanvraag om een WW-uitkering van toepassing zijn de bepalingen van de WW zoals deze luidt per 1 oktober 2006.

Artikel 24 van de WW luidt, voor zover van belang, als volgt:

1. De werknemer voorkomt dat hij:

a. verwijtbaar werkloos wordt

(…)

2. De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden indien:

a. aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de WW wordt de uitkering blijvend geheel geweigerd indien de werknemer een verplichting hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a, opgelegd niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het UWV de uitkering over een periode van ten hoogste 26 weken gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen naar 35.

Ingevolge artikel 27, zesde lid, van de WW kan het UWV besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Ingevolge artikel 7:677, eerste lid, eerste volzin, van het BW is ieder der partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder gelijktijdige mededeling van die reden aan de wederpartij.

Artikel 7:678, eerste lid, van het BW bepaalt dat voor de werkgever als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 677 worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

Artikel 75 van het Besluit Personenvervoer 2000 (hierna: het Besluit) bepaalt voor zover hier van belang het volgende:

1. Met het besturen van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, wordt slechts diegene belast, die in het bezit is van een geldige, behoorlijk leesbare, door Onze Minister verstrekte chauffeurspas, volgens het bij ministeriële regeling vast te stellen model.

(…)

3. De bestuurder van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, is in het bezit van een geldige, behoorlijk leesbare chauffeurspas en houdt deze zichtbaar voor de consument aanwezig in die auto.

4. De chauffeurspas is geldig voor een periode van vijf jaar, gerekend vanaf de datum van verstrekking.

(…)

Artikel 76 van het Besluit bepaalt voor zover hier van belang het volgende:

1. Bij de aanvraag voor de chauffeurspas worden de volgende documenten overgelegd:

(…)

c. een met het oog op het uitoefenen van het beroep van taxichauffeur verleende verklaring omtrent het gedrag overeenkomstig de bepalingen van de Wet justitiële gegevens, die niet ouder is dan twee maanden (…).

Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank van oordeel dat er aan de werkloos¬heid een dringende reden in de zin van artikel 7:678, eerste lid, van het BW ten grondslag ligt, welke is gelegen in de omstandigheid dat eiser niet langer beschikte over een geldige chauffeurspas, zodat hij vanaf 1 juli 2006 niet langer als taxichauf¬feur inzetbaar was. Dat eiser zonder chauffeurspas andere werkzaamheden voor zijn werkgever zou kunnen verrichten, zoals door hem is gesteld, is niet gebleken. Eisers werkgever is een klein bedrijf, dat afhankelijk is van taxidiensten. Van een ander werkaanbod dan taxivervoer is geen sprake.

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om te oordelen dat eiser geen verwijt van het ontslag zou kunnen worden gemaakt, dan wel dat het niet nakomen van de krachtens artikel 24, eerste lid, onderdeel a, van de WW op hem rustende verplichting hem niet in overwegende mate te verwijten zou zijn. Eiser moest en kon begrijpen dat hij niet langer als taxichauffeur werkzaam mocht zijn. Dat eiser bezwaar had gemaakt tegen de weigering van de VOG, ontsloeg hem niet van de uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichting om zijn werkgever daarover onverwijld te informeren. Ook de beroepsgronden van eiser dat zijn werkgever de geldigheidsduur van zijn chauffeurspas kende, dat de werkgever de geldigheid van die pas moest controleren en dat hij wel andere taxidiensten kon verrichten, stuiten af op de op eiser rustende informatieplicht.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat er geen sprake zou zijn van een dringende reden omdat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden wegens een gewichtige reden, bestaande uit veranderingen in de omstandigheden. De rechtbank overweegt daartoe dat er in de ontbindingsbeschikking van 2 november 2006 geen inhoudelijk oordeel is gegeven over de aan de ontbinding ten grondslag liggende feiten en omstandigheden. Bovendien heeft de kantonrechter aanleiding gezien om geen vergoeding aan eiser toe te kennen.

Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van eiser geen sprake van een opeenvolging van punitieve sancties. De door eiser genoemde afwijzingen van de VOG, de WW-uitkering en de bijstand zijn immers niet gericht op leedtoevoeging aan de aanvrager, maar op de bestuurlijke beoordeling van de door eiser gedane aanvragen. Het door eiser genoemde verlies van zijn baan als taxichauffeur is evenmin als punitieve sanctie te kwalificeren.

Het voorgaande betekent dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van verwijtbare werkloosheid en dat eiser daarvan een verwijt kan worden gemaakt, terwijl geen sprake is van de situatie dat eiser de hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a, opgelegde verplichting niet in overwegende mate kan worden verweten. Verweerder was derhalve gehouden op de voet van artikel 27, eerste lid, van de WW de uitkering blijvend geheel te weigeren.

In beroep is niet gesteld, noch gebleken, dat zich dringende redenen voordoen als bedoeld in artikel 27, zesde lid, van de WW.

Verweerder heeft dan ook terecht de gevraagde WW-uitkering blijvend geheel geweigerd.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mrs. D.R. van der Meer, C.M. Derijks en W.E. Doolaard en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2008, in tegenwoordigheid van F.P. Krijnen, griffier.