Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD8974

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-06-2008
Datum publicatie
30-07-2008
Zaaknummer
AWB 07/6053 WET
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering verklaring van geen bezwaar als bedoeld in de Wvo. Eiser is veroordeeld tot een boete van € 220,-- voor opzetheling. Voor de bepaling of de zwaarte van de opgelegde straf of maatregel zodanig is dat deze bij de beoordeling of een verklaring van geen bezwaar kan worden afgegeven wordt meegewogen, zoekt verweerder aansluiting bij de richtlijnen van het OM. De ondergrens ligt daarbij op € 220,-- de rechtbank acht dit niet onredelijk. Geen grond voor het oordeel dat verweerder gelet op de inhoud van de opgevraagde processen-verbaal niet in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat de zwaarte van de opgelegde boete zodanig is dat deze niet wordt tegengeworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

derde afdeling, meervoudige kamer

Reg. nr. AWB 07/6053 WET

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder.

I Ontstaan en loop van het geding

Op 3 oktober 2006 is eiser in verband met een door hem geambieerde vertrouwensfunctie op de Luchthaven Schiphol door [bedrijf A.] bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (hierna: de AIVD) aangemeld voor een veiligheidsonderzoek. Indien uit een dergelijk veiligheidsonderzoek geen bezwaren naar voren komen, geeft verweerder een verklaring van geen bezwaar af.

Bij besluit van 10 november 2006, heeft verweerder eiser een verklaring van geen bezwaar geweigerd.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 18 december 2006 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Eiser is gehoord omtrent zijn bezwaar door de Bezwarencommissie Veiligheidsonderzoeken op 9 maart 2007.

Bij brief van 11 mei 2007 heeft deze commissie advies uitgebracht aan verweerder.

Bij besluit van 26 juni 2007, verzonden op gelijke datum, heeft verweerder overeenkomstig het advies van de Bezwarencommissie Veiligheidsonderzoeken, de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 2 augustus 2007, ingekomen bij de rechtbank op 3 augustus 2007, en van gronden voorzien bij brief van 11 september 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 26 november 2007 een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 2 juni 2008 ter zitting behandeld.

Eiser is zonder bericht niet verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. van de Pas, ambtenaar ten departemente.

II Motivering

1. De rechtbank dient in dit geding te beoordelen of het bestreden besluit, waarbij verweerder zijn weigering om aan eiser een verklaring van geen bezwaar te verstrekken heeft gehandhaafd, in rechte stand kan houden.

2. Verweerder heeft in het bestreden besluit de weigering de verklaring van geen bezwaar te verlenen gehandhaafd omdat uit navraag bij de Centrale Justitiële Documentatie van het Ministerie van Justitie is gebleken dat eiser in 2006 is veroordeeld tot een boete van € 220,00 voor opzetheling, gepleegd op 10 januari 2006. Omdat het plegen van heling in de Beleidsregel vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken op de burgerluchthavens (Stcrt. 1997, 35, hierna: de Beleidsregel) staat vermeld als feit waar 'in het bijzonder op moet worden gelet' is volgens verweerder, gezien de gedraging die aan de veroordeling ten grondslag ligt (de koop van een gestolen bromfiets) sprake van een ontoelaatbaar veiligheidsrisico. Het plegen van het delict geeft aan dat eiser bereid is regels en wetten te overtreden voor het behalen van zijn eigen (financiële) gewin. Een dergelijke handelwijze is niet verenigbaar met het vervullen van een vertrouwensfunctie op een burgerluchthaven waar de verleidingen groot zijn, aldus verweerder.

Op grond hiervan is verweerder van oordeel dat er onvoldoende waarborgen zijn dat eiser de vertrouwensfunctie in alle opzichten naar behoren zal vervullen.

3. Eiser heeft aangevoerd dat de opzetheling, waarvoor hij is veroordeeld, geen betrekking heeft op strafbare feiten waarop volgens artikel 1, tweede lid, onder d, van de Beleidsregel bij het afgeven van een verklaring van geen bezwaar in het bijzonder moet worden gelet. Ingevolge dat artikel moet worden gelet op zwaardere vormen van diefstal, inbraak of heling, en daarvan is geen sprake, aldus eiser. Volgens eiser blijkt dat ook uit de hoogte van de opgelegde boete. Verder heeft eiser aangevoerd dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan heling. Hij vindt het onbegrijpelijk dat hij door de politierechter is veroordeeld wegens opzetheling. Voor het standpunt van verweerder dat de hoogte van de straf precies is gelegen op de grens die hij hanteert bij de bepaling of de zwaarte van de opgelegde straf of maatregel zodanig is dat deze bij de beoordeling of een verklaring van geen bezwaar kan worden afgegeven wordt meegewogen, is geen schriftelijke onderbouwing in de vorm van beleidsregels gegeven, waardoor de grens arbitrair overkomt, aldus eiser.

4.1 Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken (hierna: de Wvo) wordt in deze wet onder een vertrouwensfunctie verstaan: een functie die krachtens artikel 3, eerste lid, als zodanig is aangewezen. Ingevolge het bepaalde onder b wordt onder een verklaring verstaan: een verklaring dat uit het oogpunt van de nationale veiligheid geen bezwaar bestaat tegen vervulling van een bepaalde vertrouwensfunctie door een bepaalde persoon.

4.2 Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wvo, voor zover thans van belang, wijst de minister die verantwoordelijk is voor het beleidsterrein waartoe een vertrouwensfunctie, gezien de aard daarvan, behoort, functies die de mogelijkheid bieden de nationale veiligheid te schaden aan als vertrouwensfuncties.

4.3 Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wvo meldt de werkgever een persoon die hij wil belasten met de vervulling van een vertrouwensfunctie aan bij het hoofd van de AIVD. Ingevolge het derde lid van dit artikel belast de werkgever een persoon eerst met de vervulling van een vertrouwensfunctie nadat verweerder ten aanzien van die persoon een verklaring heeft afgegeven.

4.4 Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wvo wordt, alvorens een verklaring wordt afgegeven of geweigerd, ten aanzien van de betrokken persoon door de AIVD een veiligheidsonderzoek ingesteld. Ingevolge het tweede lid, van dit artikel - voor zover hier van belang - omvat het veiligheidsonderzoek het instellen van een onderzoek naar gegevens die uit het oogpunt van de nationale veiligheid van belang zijn voor de vervulling van de desbetreffende vertrouwensfunctie. Hierbij wordt uitsluitend gelet op gegevens betreffende:

a. justitiële en strafvorderlijke gegevens als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en gegevens uit politieregisters als bedoeld in de Wet politieregisters;

b. (...)

c. (...)

d. (...)

4.5 Artikel 8, tweede lid, van de Wvo bepaalt dat een verklaring slechts kan worden geweigerd indien onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen of indien het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft kunnen opleveren om daarover een oordeel te geven.

4.6 Uit artikel 8, tweede lid, van de Wvo blijkt dat verweerder ten aanzien van het weigeren van een verklaring van geen bezwaar een discretionaire bevoegdheid toekomt. De rechtbank dient de wijze waarop verweerder gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid dan ook terughoudend te toetsen.

5.1 In de Beleidsregel heeft verweerder een leidraad gegeven voor de beoordeling van justitiële gegevens bij het afgeven van verklaringen van geen bezwaar in verband met de vervulling van vertrouwensfuncties op de burgerluchthavens.

5.2 Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Beleidsregel wordt bij het afgeven van een verklaring als bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de Wvo in verband met de vervulling van een vertrouwensfunctie op een burgerluchthaven, indien het naar de betrokken persoon ingestelde veiligheidsonderzoek gegevens heeft opgeleverd als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder a, van de wet, bij de beoordeling van die gegevens onder meer rekening gehouden met de aard en ouderdom van die gegevens, de aard en zwaarte van de delicten waarop de gegevens betrekking hebben en de zwaarte van de opgelegde straffen of maatregelen.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d, van de beleidsregel wordt bij de beoordeling van de in de aanhef van het eerste lid bedoelde gegevens in het bijzonder gelet op gegevens betreffende zwaardere vormen van diefstal, inbraak of heling.

5.3 In de toelichting op de beleidsregel is vermeld dat in eerste aanleg wordt gekeken naar gegevens die niet ouder zijn dan acht jaar. De rechtbank acht dit beleid en de toelichting daarop niet onredelijk.

6.1 Vooropgesteld moet worden dat eiser in de door hem geambieerde functie regulier toegang heeft tot de zones van de Luchthaven Schiphol die om veiligheidsredenen beperkt toegankelijk zijn. De functie in kwestie is, gezien het bepaalde in artikel 1 van het Besluit aanwijzing vertrouwensfuncties beveiliging burgerluchtvaart 2006, daarom aan te merken als vertrouwensfunctie in de zin van de Wvo.

6.2 Vast staat dat eiser in 2006 is veroordeeld tot een boete van € 220,00 voor opzetheling. Heling wordt in de beleidsregel genoemd als 'gegevens waarop in het bijzonder wordt gelet'. Wat er ook zij van de uitleg van deze beleidsregel, vastgesteld moet worden dat er in dit geval in ieder geval sprake is van een zwaardere vorm van heling, te weten opzetheling.

6.3 De stelling van eiser dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan heling kan in deze procedure geen rol spelen. Eiser is niet tegen zijn veroordeling in hoger beroep gegaan, waardoor het feit in rechte is komen vast te staan.

6.4 Voor de bepaling of de zwaarte van de opgelegde straf of maatregel zodanig is dat deze bij de beoordeling of een verklaring van geen bezwaar kan worden afgegeven wordt meegewogen, zoekt verweerder aansluiting bij richtlijnen van het Openbaar Ministerie. De ondergrens ligt daarbij op € 220,00. De rechtbank acht dit niet onredelijk. Omdat in dit geval de boete op die grens ligt, heeft verweerder de processen-verbaal in de strafzaak opgevraagd en bij de belangenafweging betrokken. Volgens verweerder rechtvaardigt de inhoud van deze processen-verbaal niet de conclusie dat de zwaarte van de opgelegde boete zodanig is dat deze niet wordt tegengeworpen. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot dit oordeel heeft kunnen komen.

6.5 Anders dan eiser heeft aangevoerd mag verweerder, hoewel de gedragslijn niet is neergelegd in een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Awb, deze volgen, mits hij de keuze daarvoor bij ieder individueel besluit opnieuw motiveert.

Nu verweerder gezien het vorenstaande niet heeft volstaan met een verwijzing naar de interne gedragslijn, maar tevens heeft aangegeven waarom in dit geval is gekozen voor toepassing van de gedragslijn, is de beslissing op bezwaar op dit punt voldoende gemotiveerd.

6.6 Op grond van de onder 6.2-6.5 vermelde feiten en omstandigheden, bezien in hun onderlinge samenhang en tegen de achtergrond van het gestelde in de beleidsregel, mocht verweerder in dit geval toepassing geven aan artikel 8, tweede lid, van de Wvo. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder het belang van de nationale veiligheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het individuele belang van eiser bij de vervulling van de concrete vertrouwensfunctie.

6.7 Concluderend ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de verklaring van geen bezwaar te weigeren.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. B. Bastein, mr. C.C. de Rijke-Maas en mr. G.P. Kleijn, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2008, in tegenwoordigheid van de griffier drs. C.M.A. Demetriadis.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.