Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD8808

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-07-2008
Datum publicatie
29-07-2008
Zaaknummer
09/530280-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte staat terecht voor mishandeling van vier personen, gepleegd in zijn hoedanigheid van surveillancehondengeleider/brigadier van politie tijdens ongeregeldheden in de nacht van 6 op 7 mei 2006 in Pijnacker. De tenlastegelegde mishandeling van twee van deze vier personen (feiten 2 en 4) acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen. Hiervan wordt verdachte vrijgesproken. De mishandeling van de andere twee personen (feiten 1 en 3) acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feit 3 verklaart de rechtbank het bewezenverklaarde echter niet strafbaar en ontslaat zij verdachte van alle rechtsvervolging. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte in dit geval voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit in de zin van artikel 8 Politiewet. Ten aanzien van feit 1 verklaart de rechtbank het bewezenverklaarde wel strafbaar en de verdachte strafbaar. Verdachte heeft ten opzichte van deze persoon te lang en te veel geweld gebruikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Tegenspraak

Parketnummer: 09/530280-07

Datum uitspraak: 29 juli 2008

Promis

VONNIS

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte X],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman mr. A.J.M. de Swart, Van Vollenhovenstraat 31 te 3016 BG Rotterdam.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 14 en 15 juli 2008.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. Reddingius en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. A.J.M. de Swart, advocaat te Rotterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 6 mei 2006 tot en met 7 mei 2006 te Pijnacker, gemeente Pijnacker-Nootdorp, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon (te weten [P1]),

- meermalen, althans eenmaal, met een (lange) wapenstok, althans een (hard) voorwerp (met kracht) op/tegen de/het be(e)n(en) en/of het (boven)lichaam heeft/hebben geslagen (als gevolg waarvan [P1] op de grond is gevallen) en/of

- (terwijl [P1] op de grond was gelegen) meermalen, althans een maal met een (lange) wapenstok, althans een (hard) voorwerp (met kracht) op/tegen de/het be(e)n(en) en/of het (boven)lichaam heeft/hebben geslagen,

waardoor voornoemde [P1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, zulks terwijl hij, verdachte, gebruik maakte van macht en gelegenheid door zijn ambt geschonken, immers was hij, verdachte, toen en daar in zijn hoedanigheid van surveillancehondengeleider/brigadier in dienst van politie Haaglanden;

zaaksdossier 113

art 44 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 06 mei 2006 tot en met 7 mei 2006 te Pijnacker, gemeente Pijnacker-Nootdorp, in elk geval in Nederland, opzettelijk een persoon (te weten [P2]),

- pepperspray, althans een bijtende stof, in de ogen, althans in het gezicht heeft gespoten (ten gevolge waarvan die [P2] ten val is gekomen) en/of

- (vervolgens) (terwijl die [P2] op de grond was gelegen) door zijn, verdachtes, althans onder zijn, verdachtes gezag staande politiehond (gedurende een (langere), onafgebroken tijdspanne) in de lies, althans in het (boven)been, althans in het lichaam heeft laten bijten en/of vasthouden en/of

- (vervolgens) (terwijl die [P2] op de grond was gelegen en (aldus) gedurende een (langere) tijdspanne werd gebeten/vastgehouden door de politiehond) meermalen, althans een maal (met kracht) met een (lange) wapenstok, althans een (hard) voorwerp, op/tegen de rug, althans het lichaam heeft geslagen en/of

- (vervolgens) door zijn, verdachtes, althans onder zijn, verdachtes gezag staande politiehond in de (boven)arm heeft laten bijten,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, zulks terwijl hij, verdachte, gebruik maakte van macht en gelegenheid door zijn ambt geschonken, immers was hij, verdachte, toen en daar in zijn hoedanigheid van surveillancehondengeleider/brigadier in dienst van politie Haaglanden;

zaaksdossier 101

art 44 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 06 mei 2006 tot en met 7 mei 2006 te Pijnacker, gemeente Pijnacker-Nootdorp, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon (te weten [P3])

- meermalen, althans eenmaal met een (lange) wapenstok, althans een (hard) voorwerp op/tegen (de linkerzijde van) het lichaam en/of het (achter)hoofd en/of de schouder(s) heeft geslagen,

waardoor voornoemde [P3] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, zulks terwijl hij, verdachte, gebruik maakte van macht en gelegenheid door zijn ambt geschonken, immers was hij, verdachte, toen en daar in zijn hoedanigheid van surveillancehondengeleider/brigadier in dienst van politie Haaglanden;

zaaksdossier 112

art 44 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij in of omstreeks de periode van 06 mei 2006 tot en met 7 mei 2006 te Pijnacker, gemeente Pijnacker-Nootdorp, in elk geval in Nederland, opzettelijk een persoon (te weten [P4]),

door zijn, verdachtes, althans onder zijn verdachtes gezag staande, politiehond,(gedurende een langere, onafgebroken tijdspanne) in de knie, althans in het been heeft laten bijten,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, zulks terwijl hij, verdachte, gebruik maakte van macht en gelegenheid door zijn ambt geschonken, immers was hij, verdachte, toen en daar in zijn hoedanigheid van surveillancehondengeleider/brigadier van politie Haaglanden;

zaaksdossier 108

art 44 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. Enkele opmerkingen vooraf

3.1 Verdachte staat terecht terzake - kort gezegd - mishandelingen door hem gepleegd in zijn functie van brigadier van politie in de nacht van 6 op 7 mei 2006 te Pijnacker. Alvorens daarop in te gaan, hecht de rechtbank eraan enkele algemene opmerkingen te maken over de situatie te Pijnacker in de bewuste nacht, de daarnaar gedane onderzoeken, de beslissingen tot vervolging door het openbaar ministerie en de door de rechtbank in deze strafzaak te nemen beslissingen.

3.2 In de avond van 6 mei 2006 organiseerde de Oranje Vereniging te Pijnacker een zogenaamd tentfeest aan de Sportlaan te Pijnacker. Het feest trok naar schatting 2500 à 3000 bezoekers. Dit feest werd om 00:30 uur voortijdig beëindigd nadat de beveiliging, welke door de Oranje Vereniging was ingeschakeld, aan de aanwezige politie had meegedeeld dat de situatie in de tent niet langer beheersbaar was. Daarna zijn op de Sportlaan ongeregeldheden uitgebroken, waarbij het tot schermutselingen is gekomen tussen politiemensen en burgers. Later die nacht zijn elders in Pijnacker (onder meer op de Noordweg en aan de Oostlaan) incidenten voorgevallen waarbij door politiemensen geweld is gebruikt.

3.3 Na de ongeregeldheden heeft de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket te ’s-Gravenhage de rijksrecherche opgedragen een oriënterend feitenonderzoek te doen naar de gebeurtenissen de betreffende nacht, toegespitst op het door de politie toegepaste geweld. Dit onderzoek is afgesloten op 13 juli 2006.

3.4 Daarnaast heeft de gemeenteraad van Pijnacker-Nootdorp B&A-groep onderzoek laten doen naar de gebeurtenissen. In het rapport van B&A-groep, uitgebracht in juni 2006, wordt met name aandacht besteed aan bestuurlijke aspecten. Het rapport bevat ook een feitenreconstructie van de gebeurtenissen de betreffende nacht.

3.5 Voorts heeft een werkgroep van de politie Haaglanden in opdracht van de korpsleiding een zogeheten verbeteronderzoek uitgevoerd naar aanleiding van de gebeurtenissen. Het rapport van deze werkgroep, getiteld “Beeldenstorm”, is gepubliceerd in maart 2007.

3.6 In deze rapporten zijn de nodige tekortkomingen gesignaleerd betreffende de voorbereiding van het feest. Ook wordt hierin kritiek geuit op het feit dat tijdens het feest alcohol werd geschonken aan jeugdigen en op de abrupte beëindiging van het feest.

3.7 Voorst wordt er in deze rapporten melding van gemaakt dat onvoldoende politiepersoneel aanwezig was in verhouding tot het grote aantal feestgangers, dat de politie niet was voorbereid op grootschalige ongeregeldheden en dat het optreden van de politie een ongeorganiseerde indruk maakte. Een opvallend punt in deze rapporten is ook dat een relatief groot deel van de aanwezige feestgangers, waarvan er velen onder invloed van drank (en vermoedelijk ook drugs) waren, na de beëindiging van het feest niet reageerde op vorderingen van de politie om zich te verwijderen.

3.8 Na afsluiting van het hierboven genoemde oriënterend feitenonderzoek heeft de hoofdofficier van justitie in september 2006 opdracht gegeven tot een strafrechtelijk onderzoek tegen een aantal politiefunctionarissen die zich mogelijk in de bewuste nacht hebben schuldig gemaakt aan geweldsdelicten. Op basis van dit strafrechtelijk onderzoek heeft de officier van justitie geconcludeerd dat a. de politie in een groot aantal gevallen geweld heeft moeten gebruiken om de situatie onder controle te krijgen, zodat dit optreden geen strafbaar feit oplevert; b. in een aantal gevallen ten onrechte geweld is gebruikt of disproportioneel veel geweld is gebruikt, maar dat de betreffende politiefunctionaris had gehandeld uit noodweer en c. dat een aantal handelingen zijn aan te merken als strafbare feiten welke niet gepleegd zijn uit noodweer, maar dat onvoldoende duidelijk is welke politiefunctionarissen zich hieraan hebben schuldig gemaakt. Ten aanzien van vier politiefunctionarissen is besloten tot strafrechtelijke vervolging omdat tegen hen volgens de officier van justitie voldoende bewijs aanwezig is ten aanzien van één of meer incidenten en zij zich niet op een rechtvaardigingsgrond kunnen beroepen.

3.9 Verdachte staat terecht terzake vier incidenten waarbij hij mogelijk betrokken was. Twee personen welke in de betreffende nacht mogelijk ook letsel hebben bekomen ten gevolge van het optreden van verdachte, hebben het gerechtshof verzocht het openbaar ministerie te bevelen verdachte ook te vervolgen terzake deze incidenten. Het gerechtshof heeft beide klagers - [P5] en [P6] - in het ongelijk gesteld, omdat - kort gezegd - verdachte in deze gevallen geweld heeft aangewend en heeft mogen aanwenden om zich te verdedigen in de zeer benarde situatie waarin hij op dat moment was terecht gekomen.

3.10 De rechtbank zal in het onderstaande beslissen terzake vier aan verdachte ten laste gelegde strafbare feiten. Daarbij gaat het steeds uitsluitend om de vraag of verdachte de hem verweten handelingen heeft gepleegd en, zo ja, of hij als politieman op gepaste wijze geweld heeft gebruikt dan wel heeft gehandeld uit noodweer. De rechtbank velt in dit vonnis dus geen oordeel over het optreden van de politie in de betreffende nacht in Pijnacker in het algemeen.

3.11 De rechtbank merkt in algemene zin wel op dat van de politie wordt verwacht dat zij resoluut optreedt bij ordeverstoringen, maar tevens dat het gebruik van geweld door de politie dient te voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

3.12 Ten slotte merkt de rechtbank hier nog op dat verdachte eerst ter plekke kwam nadat er al forse schermutselingen waren geweest tussen een subgroep van het Parate Peloton en een groot aantal feestgangers.

4. Feit 2 (incident [P2])

De verdenking komt er, zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte, terwijl hij daarbij gebruik heeft gemaakt van macht en gelegenheid door zijn ambt geschonken, [P2](1) heeft mishandeld. De handelingen welke verdachte worden verweten betreffen, kort samengevat: a. het spuiten met pepperspray in het gezicht van [P2]; b. het laten bijten van [P2] door zijn hond [hond] en c. het slaan van [P2] met de lange wapenstok.

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aanvankelijk geconcludeerd tot bewezenverklaring van de handelingen zoals hierboven onder b. en c. samengevat en tot vrijspraak van de handelingen zoals hierboven onder a. samengevat. Na vragen van de rechtbank op dit punt, heeft de officier van justitie nader gevorderd dat de rechtbank verdachte ook partieel zal vrijspreken ten aanzien van het onder b. bedoelde bijten door zijn hond. Voor het overige kan dit feit bewezen worden verklaard, maar dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtvervolging.

De officier van justitie heeft daarbij naar voren gebracht dat medeverdachte [medeverdachte Y] met de pepperspray heeft gespoten. Niet is komen vast dat (ook) verdachte met pepperspray heeft gespoten.

Uit hetgeen ter terechtzitting is besproken, is voorts komen vast te staan, althans lijkt uit de verklaring van verdachte te volgen, dat verdachte ten tijde van het bijten door zijn hond in [P2], geen enkele controle meer had over zijn hond. Dit rechtvaardigt de conclusie dat niet gesproken kan worden van “laten bijten” zoals telastgelegd. De hond lijkt geheel op eigen initiatief tot actie te zijn overgegaan, kennelijk vanuit de aangeleerde handelwijze aldus te handelen in een situatie waarin zijn begeleider wordt belaagd.

Ten aanzien van het overige gedeelte van de tenlastelegging dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtvervolging, aangezien er sprake is van een noodweersituatie. Verdachte en zijn collega [medeverdachte Y] werden immers belaagd door verschillende personen die trachtten een persoon, die op dat moment werd gebeten door de politiehond van verdachte, te weten [P6], te ontzetten. Zijzelf en de honden werden geschopt en geslagen. Ze voelden zich kennelijk zodanig bedreigd dat ze overwogen hun dienstwapen te trekken. Verdachte is ten val gekomen en zag zich geplaatst tegenover een aanzienlijke overmacht. Uiteindelijk moest het Parate Peloton eraan te pas komen om verdachte en [medeverdachte Y] te ontzetten. In deze situatie, waarbij tevens in aanmerking wordt genomen dat wegvluchten feitelijk onmogelijk en strategisch gezien geen reële optie was, moet de inzet van de wapenstok als passend en geboden worden beschouwd.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.

Het “pepperen” van [P2] is door medeverdachte [medeverdachte Y] gedaan en niet door verdachte.

Als er voorts al één of meer klappen zijn gegeven, kan nimmer meer worden vastgesteld of verdachte deze klap of klappen heeft gegeven. Waarschijnlijker is het dat deze klappen door één of meer leden van het Parate Peloton zijn gegeven die ter plaatse waren om verdachte te ontzetten.

Na voormelde vragen van de rechtbank heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte tevens dient te worden vrijgesproken ten aanzien van het laten bijten door zijn hond. De raadsman heeft zich op dit punt aangesloten bij hetgeen door de officier van justitie hieromtrent naar voren is gebracht. Er is met betrekking tot het bijten geen sprake van actief handelen aan de zijde van verdachte. Met name uit hetgeen getuige-deskundige [P11] heeft verklaard bij de rechter-commissaris, volgt dat er bij verdachte geen opzet aanwezig was.

Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat verdachte, zoals ook het gerechtshof heeft vastgesteld in zijn beslissing op het klaagschrift van [P6] en de officier van justitie thans heeft aangevoerd, werd aangevallen, zodat sprake is geweest van een noodweersituatie. Verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:

[P2] kwam naar eigen zeggen op het feest op de Sportlaan te Pijnacker aan op zaterdag 6 mei 2006 rond 21.00 uur.(2) Toen de lichten aangingen verliet hij de feesttent en kwam hij eerst [P7] en later een groep personen met onder andere [P6], [P8] en [P9] tegen. Gezamenlijk liepen zij de Sportlaan op in de richting van de Rijskade. Opeens hoorde [P2] geschreeuw en hij draaide zich om. Hij zag dat [P6] op de grond lag en dat een hond in diens been beet. [P8] en [P9] liepen op [P6] af en [P2] liep er achteraan. Er stonden 3 politiemensen bij die onder meer schreeuwden dat ze weg moesten. [P2] zag dat [P8] [P6] bij de schouders pakte en dat deze riep dat [P6] niets had gedaan en dat ze hem moesten laten gaan. Vervolgens zag hij dat een politieman een straal vanuit zijn hand in de richting van [P8] spoot. Diezelfde politieman spoot ook een straal in de richting van [P2], welke hem op de rechter wang raakte. [P2] kwam op de grond terecht en hij zag dat een hond hem in de rechter lies beet. Ook werd hij ongeveer vijf keer op zijn rug geslagen met de lange wapenstok. Hij schreeuwde dat de politieman moest ophouden met slaan en de hond liet los. De hond beet daarna nog een keer snel in de achterzijde van de rechter bovenarm van [P2]. Nadat hij naar het huis van [P10] op de Rijskade was gelopen, is hij naar het Reinier de Graaf ziekenhuis in Delft gebracht, aldus nog steeds de aangifte van [P2].(3) Aldaar bleek [P2] een wond van 6 centimeter lang en 5 centimeter diep te hebben opgelopen in zijn rechter lies, waarbij een spier was “gecrushed”. In zijn onderarm had hij een wondje van 0,5 centimeter breed en had hij een fel rood erytheem rechts in het gelaat.(4)

Verdachte heeft aangever [P2] ter zitting niet herkend. Hij herinnerde zich wel het bijtincident met [P6]. De toedracht daarvan was de volgende. Het Parate Peloton voerde een charge uit op de Sportlaan in de richting van de rotonde. Achter het Parate Peloton bevond zich een groep personen. Verdachte en zijn collega [medeverdachte Y] besloten het Parate Peloton rugdekking te geven. Verdachte en [medeverdachte Y] zijn richting de Rijskade gelopen en hebben daar een groep jongeren gevorderd zich te verwijderen. Een gedeelte van de groep voldeed niet aan deze vordering.(5) De hond van verdachte heeft een persoon uit die groep, te weten [P6], in zijn been gebeten.(6) Terwijl de hond [P6] beet had, heeft een aantal personen verdachte en zijn hond alsmede [medeverdachte Y] en zijn hond belaagd. Verdachte en zijn hond werden geschopt en geslagen.(7) Verdachte heeft zijn wapenstok uit de ring gehaald en een paar keer om zich heen geslagen.(8) [Medeverdachte Y] heeft een aantal keer met zijn pepperspray gespoten.(9) Beiden hebben eraan gedacht hun dienstwapen te trekken, doch hebben dit uiteindelijk niet gedaan.(10) Toen de hond van verdachte los kwam van het bijten van [P6], heeft deze vervolgens een andere persoon gebeten.(11) Verdachte is op enig moment tijdens de belaging op de grond terecht gekomen. Vier leden van het Parate Peloton hebben verdachte en [medeverdachte Y] ontzet, waarbij zij diverse klappen met de wapenstok hebben uitgedeeld.(12)

Beslissing:

De rechtbank is met het openbaar ministerie en de verdediging van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het verdachte was die [P2] heeft bespoten met pepperspray. Verdachte heeft steeds ontkend op enig moment zijn bus met pepperspray te hebben gehanteerd en er bevindt zich in het dossier geen overtuigend bewijs welke de verklaring van verdachte op dit punt weerspreekt. Bovendien heeft zijn collega [medeverdachte Y] bij herhaling verklaard dat hij vijf mensen heeft gepepperd, kennelijk bij het incident rond [P6]. Het is daarom waarschijnlijker dat [medeverdachte Y] verantwoordelijk is voor de jegens [P2] gehanteerde pepperspray dan verdachte.

Voor wat betreft het laten bijten door zijn hond in lies en arm, oordeelt de rechtbank eveneens dat onvoldoende is komen vast te staan dat verdachte daarvoor verantwoordelijk is te houden in de zin van de telastlegging. Ervan uitgaande dat het in de telastlegging gebezigde “laten bijten” impliceert dat verdachte daarvoor op enig moment en op enigerlei wijze commando moet hebben gegeven of minst genomen zijn hond daartoe moet hebben aangezet, is dit niet komen vast te staan. Verdachte en zijn collega [medeverdachte Y] werden belaagd door een groep mensen, die [P6] probeerden te ontzetten. Zozeer zelfs dat verdachte (en ook zijn collega [medeverdachte Y]) heeft overwogen om zijn wapen te trekken. Bij die worsteling is verdachte bovendien ten val gekomen. Het is bepaald niet uit te sluiten dat vervolgens de hond, teneinde zijn baas te verdedigen, zelfstandig mensen heeft gebeten, waaronder [P2]. Dat dit een reële mogelijkheid was, wordt ondersteund door de verklaring van brigadier [P11], die sedert 1994 begeleiders en hun honden opleidt. Hij heeft verklaard dat een politiehond als zijn begeleider wordt belaagd in eerste instantie op commando, maar mogelijk ook uit zichzelf de begeleider zal trachten te verdedigen door te bijten. Dit is kennelijk zelfs een oefening voor het door begeleider en hond te behalen (en door verdachte met zijn hond ook behaalde) certificaat.(13) Hierbij komt dat aangever [P2] niet verklaard heeft dat hij een aansporing van een politieman aan de hond om hem te bijten heeft gehoord. Verdachte heeft verklaard een deel "kwijt te zijn" en zich slechts te herinneren dat zijn hond [hond] (de rechtbank begrijpt: zelfstandig) op enig moment een ander persoon (dan [P6]) heeft gebeten.(14)

De rechtbank acht hierom niet bewezen dat verdachte zijn hond op enigerlei wijze heeft aangezet om [P2] te bijten. Dit betekent dat geen sprake is geweest van het opzettelijk toebrengen van pijn of letsel aan [P2] door verdachte (door de inzet van de hond). Ook van dit onderdeel van de tenlastelegging dient verdachte dat ook te worden vrijgesproken.

Anders dan het openbaar ministerie acht de rechtbank bovendien niet wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte was die [P2] met de wapenstok heeft geslagen. Weliswaar heeft verdachte verklaard dat hij op enig moment tijdens de worsteling rond [P6] zijn wapenstok heeft getrokken en daarmee mensen heeft geslagen, maar het is geenszins zeker dat hij daarbij ook [P2] heeft geraakt. Verdachte is immers tijdens deze schermutseling "ontzet" door politiemensen van het Parate Peloton die daarbij evenzeer de lange wapenstok hebben gehanteerd. Het is daarom heel wel mogelijk dat het die agenten waren die [P2] hebben geslagen en niet verdachte. In dit kader wreekt zich dat een vorm van confrontatie van het slachtoffer met verdachte (en potentiële andere daders, zoals de betrokken politiemensen van het Parate Peloton) in het dossier ontbreekt.

De conclusie moet dus zijn dat verdachte wordt vrijgesproken van al hetgeen hem in feit 2 is ten laste gelegd. De rechtbank behoeft dus geen antwoord te geven op de vraag of verdachte, ingeval één of meer van de hem verweten handelingen zou(den) zijn bewezen, een beroep op noodweer toekomt, zoals door zowel de verdediging als het openbaar ministerie is gesteld. De rechtbank volstaat hier met de vaststelling dat verdachte, zoals uit het bovenstaande blijkt, zich in een uiterst benarde positie bevond op het moment dat [P2] werd gepepperd, gebeten en geslagen.

5. Feit 4 (incident [P4])

De verdenking komt er, zakelijk weergegeven, op neer dat [P4] door verdachte is mishandeld, terwijl verdachte daarbij gebruik heeft gemaakt van macht en gelegenheid door zijn ambt geschonken. Aan verdachte wordt verweten dat hij zijn politiehond [P4] heeft laten bijten.

5.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte dit feit heeft begaan.

De officier van justitie is van mening dat het onderhavige bijtincident het door [verdachte] zelf gerapporteerde tweede bijtincident betreft, waarbij zijn hond [hond] in de nacht van 6 op 7 mei 2006 betrokken is geweest.

De officier van justitie heeft hiervoor de volgende onderbouwing gegeven.

Rond 01:12 uur wordt een [P12], in de buik geslagen. Om 01:17 uur wordt politieambtenaar [P13] per ongeluk gebeten door de politiehond van hondenbegeleider [medeverdachte Y]. Rechercheur [P14] heeft verklaard dat er een huilend meisje aankomt, terwijl ze bij de gewonde collega staat. Gelet op haar klachten (pijn aan onder andere schouder en ademhalingsmoeilijkheden), moet dit meisje [P12] zijn. Om 01:47 uur is er een melding binnen gekomen bij de Centraal Post Ambulancevervoer (CPA) van een vriendin van [P12]. Uit een gesprek van 01:58 uur is gebleken dat het meisje moet wachten. Dit komt overeen met de verklaring van [P14] dat het meisje op de brancard van de EHBO wordt gelegd, omdat de ambulance niet direct kan komen. [P14] heeft verklaard dat “rond die tijd” [P4] eraan komt.

De ambulance voor [P13] is om 01:50 uur gearriveerd en om 01:59 uur is zij per ambulance vertrokken. Gedurende enige tijdspanne in de periode 01:17 – 01:50 uur en korte tijd nadien, is zij derhalve in elk geval bij de bomen aanwezig geweest. Terwijl zij daar was, is [P4] met een bijtwond aangekomen.

Om 01:39 uur is de hondenwagen van [P15] en [P16] gearriveerd volgens een melding over de portofoon (proces-verbaal oriënterend feitenonderzoek, Deel 1, p. 231). Gelet op die mededeling via de communicatiemiddelen, kan het niet anders dan dat de (gecorrigeerde) tijdsaanduiding 01:29 uur op de foto van journalist [P17] (proces-verbaal oriënterend feitenonderzoek, Deel 2, p. 403), waarop [P15] en [P16] op de Sportlaan zijn te zien, niet juist is.

[P16] en [P15] hebben verklaard dat zij na aankomst op de Sportlaan collega [[medeverdachte]] hebben zien spreken met de gewonde collega ([P13]), dat heel kort daarna de ambulance voor [P13] arriveerde (01:50 uur) en dat zij daarom hun auto moesten verplaatsen. Vervolgens is er commotie ontstaan na aanhouding van een verdachte. Pas daarna heeft [P15] zijn hond uit de auto gehaald en is hij de dijk opgegaan.

[P4] heeft een bijtwond. Verdachte heeft ten aanzien van het tweede door hem gerapporteerde bijtincident ook verklaard dat er daadwerkelijk letsel is gebeten. [P18] heeft bovendien verklaard twee politieagenten te hebben gezien, elk met een hond. [P15] had een hond bij zich, maar [P16] niet. De hond van [P15] lijkt meer op de met name door [P18] nader omschreven hond die [P4] zou hebben gebeten, te weten een donkere hond. De hond van verdachte is weliswaar betrekkelijk licht van kleur, maar heeft wel een donkere snuit en oogt van voren af bezien dus mogelijk donkerbuin/zwart. Ter plaatse was het bovendien donker en het zicht daardoor beperkt.

De officier van justitie heeft vervolgens geconcludeerd dat de inzet van de hond door verdachte in het onderhavige geval in strijd is met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

[P4] wordt, terwijl daar noch door verdachte, noch door een ander enige reden voor wordt gegeven, gebeten door de hond van verdachte. De enige reden lijkt te zijn gelegen in hetgeen verdachte hierover heeft verklaard: dat de betreffende persoon zich niet verwijderde en op hem af kwam lopen. Er lijkt ruimte aanwezig te zijn geweest [P4] nogmaals te vorderen alvorens op forsere middelen over te stappen. Voorzover deze ruimte er evenwel niet (meer) was en de vordering – hoewel volgens [P4] niet voor hem als zodanig duidelijk – al wel voldoende duidelijk en bij herhaling was gegeven, had verdachte de keuze voor het inzetten van een ander geweldsmiddel. Immers, behalve over zijn hond, beschikte verdachte ook over de korte en de lange wapenstok. Inzet van een hond is een middel dat nadrukkelijk meer risico’s meebrengt dan het hanteren van een wapenstok.

Van belang is tevens het effect van de inzet van de hond: door het laten bijten van een hond, stagneert de situatie juist en zal de persoon niet weglopen. Daarom is de inzet van een hond bij een aanhouding een effectief middel, maar bij het opdrijven of verwijderen van (grote groepen) mensen wordt de inzet van de hond veelal toegepast als preventief middel.

Om voornoemde redenen had het op de weg gelegen van verdachte de keuze te maken voor het geringere geweldsmiddel, de wapenstok.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.

Niet bewezen kan worden dat [P4] door de hond van verdachte is gebeten. Het is immers zeer wel denkbaar dat [P4] is gebeten door de hond van hondengeleider [P15].

Al bij de Rijksrecherche heeft verdachte verklaard dat het incident [P4] hem niets zei.

Uit het dossier blijkt, anders dan de officier van justitie stelt, niet dat [P12] omstreeks 01:12 uur is geslagen. [P12], van wie blijkt dat zij veel heeft gedronken, heeft bovendien verklaard dat zij meerdere malen het bewustzijn heeft verloren. Als [P12] al het huilende meisje is dat rechercheur [P14] heeft gezien, dan hoeft dit dus niet te zijn gebeurd kort nadat [P12] werd geslagen. De melding van de vriendin van [P12] bij de CPA om 01:47 uur is bovendien aanzienlijk later dan 01:12 uur.

Ook staat niet vast hoeveel tijd is verstreken tussen het moment dat agente [P13] werd gebeten en het moment dat [P14] [P13] tegen kwam. [P14] heeft gerelateerd dat zij “enige tijd” bij [P13] heeft gestaan. Hoe lang was dat? [P14] heeft voorts eerder in haar proces-verbaal al geschreven: “Hetgeen ik hieronder rapporteer kan afwijken van de daadwerkelijke volgorde van het gebeurde. Vanaf dit moment is het voor mij hectisch en onoverzichtelijk geworden”.

[P4] is bovendien niet gebeten kort nadat hij de feesttent heeft verlaten. [P18] heeft bijvoorbeeld verklaard: “[P4] en ik liepen langzaam over de dijk. Ondertussen hebben [P4] en ik nog wat mensen gebeld en heb ik een sigaretje gerookt”. Dit zal enige tijd in beslag hebben genomen.

Voorts zegt de oproep van 01:39 uur niets over het tijdstip dat [P16] en [P15] zijn gearriveerd. Om 01:36 uur wordt immers aangegeven “ik zou graag willen dat je hier nog wat vordert via de megafoon van de auto”. Dit gaat over verdachte. Het antwoord op de oproep van 01:36 uur betreft de oproep van 01:39 uur; “oké de hondenwagen gaat nu bij u zijn”. Deze laatste oproep betreft derhalve ook verdachte en niet de auto van [P16] en [P15].

Aan de hand van de foto van journalist [P17] (p. 403) is duidelijk geworden dat [P16] en [P15] in ieder geval om 01:29 ter plaatse waren. De officier van justitie heeft zonder nadere toelichting gesteld dat het tijdstip niet juist zou zijn, maar de verdediging ziet geen reden om hieraan te twijfelen.

[P16] heeft bovendien verklaard zijn hond uit de auto te hebben gehaald en plaats te hebben genomen achter de linie. De linie was er dus al, hetgeen betekent dat [P16] en [P15] eerder dan 01:39 uur ter plaatse moeten zijn geweest. [P16] heeft bovendien geverbaliseerd dat hij samen met [P15] op de dijk stond. [P15] heeft voorts zijn hond uit de auto gehad.

[P4] heeft verklaard een agent met een hond en wit overhemd aan te hebben gezien en dat er nog een agent bij stond met een wit overhemd aan. Dit past bij de hondengeleiders [P15] en [P16] en niet bij verdachte en [medeverdachte Y], welke laatste immers gekleed was in een zwarte jas.

Nadat [P15] en [P16] ter plaatse waren gekomen, is de hond van verdachte niet meer ingezet. [P16] heeft verklaard dat zij na aankomst kort overleg hebben gehad (zichtbaar op de foto op p. 403, genomen om 01:29 uur) en dat verdachte daarna zijn hond niet meer heeft gebruikt, omdat hij daarna in de auto is gaan zitten bij de Officier van Dienst, hetgeen door de Officier van Dienst is bevestigd.

Dat het incident [P4] het tweede bijtincident van verdachte zou zijn, is volstrekt niet te rijmen met de verklaring van verdachte daarover. Verdachte heeft namelijk verklaard dat dit tweede incident een man op een fiets betreft met een camouflagebroek aan, hetgeen dus niet [P4] is geweest; die droeg geen camouflagebroek en zat niet op een fiets.

[P4] en [P18] hebben verklaard dat de hond niet aan de riem zat. Deze waarneming, hoewel onjuist, past beter bij de hond van [P15] dan bij de hond van verdachte. De hond van [P15] zat immers aan een borsttuig. Volgens verdachte kan het ingeval van een borsttuig lijken alsof de hond losloopt.

[P4] heeft de hondengeleider beschreven. [P16] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat dit [P15] zou kunnen zijn. Bovendien heeft [P4] de hond beschreven als een grote zwarte herder. Ook dit onderschrijft de mogelijkheid dat [P4] door de hond van [P15] is gebeten, welke hond, in tegenstelling tot de hond van verdachte, donker van kleur is.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:

Nadat het feest was afgelopen, hebben [P4] en zijn vriend [P18] de feesttent verlaten. Ze wilden de Sportlaan oplopen, maar werden daar weggestuurd door de politie. [P4] en [P18] zijn vervolgens de dijk opgelopen, waarna [P4] weer terug wilde lopen naar de Sportlaan.(15)

Op de dijk liep een politieagent met een hond. [P4] werd door de hond onder zijn rechterknie gebeten en viel hierdoor op de grond. Na enige tijd liet de hond weer los.(16) [P4] en [P18] zijn naar een wit politiebusje gelopen ter hoogte van de boomstammen, alwaar tevens rechercheur [P14] en een meisje aanwezig waren.(17)

Beslissing:

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit heeft begaan, waartoe als volgt wordt overwogen.

De rechtbank stelt allereerst vast dat verdachte op het moment dat hij nog niet als zodanig werd aangemerkt in zijn proces-verbaal van bevindingen gedetailleerd heeft gerelateerd wat er de bewuste nacht was voorgevallen, inclusief verscheidene bijtincidenten, en daarin geen melding heeft gemaakt van een bijtincident dat overeenkomt met het bijten van [P4]. Tijdens zijn verhoren bij de Rijksrecherche en ter zitting heeft verdachte consequent verklaard niet bij dit incident betrokken te zijn geweest. Bovendien bevinden zich in het dossier geen stukken waaruit een herkenning door aangever van verdachte blijkt. Er heeft niet op enigerlei wijze een confrontatie plaatsgevonden van aangever met verdachte (noch met andere potentiële daders). Verder biedt het signalement dat aangever geeft van de politieman wiens hond hem zou hebben gebeten weinig aanknopingspunten (wit overhemd, ongeveer 1.85 m, normaal postuur en grijs stekelhaar)(18), terwijl bovendien verdachte geen grijs stekelhaar heeft. Hetzelfde geldt voor de omschrijving door aangever van de hond (grote zwarte herder)(19), waarbij de kanttekening past dat de hond van verdachte juist een lichtere kleur heeft. Ook de verklaringen van de (enige) andere getuige van dit incident, [P18], geven qua signalement van begeleider en hond weinig aanknopingspunten.(20) Tevens is de opmerking van [P18] in het verhoor bij de Rijksrecherche dat hij twee begeleiders met elk een hond heeft gezien(21) (hetgeen had kunnen duiden op het koppel [verdachte]/[medeverdachte Y]), op losse schroeven komen te staan gelet op zijn verklaring bij de rechter-commissaris, waar hij verklaart zich dit niet te kunnen herinneren(22).

Met de verdediging acht de rechtbank de onderbouwing van de tijdlijn zoals de officier van justitie heeft gegeven (waaruit zou moeten blijken dat alleen de hond van verdachte [P4] heeft kunnen bijten), niet overtuigend. De officier van justitie gaat er vanuit dat [P16] en [P15] eerst om 01:39 uur ter plaatse zijn gekomen. Zij baseert zich daarbij op een portofoongesprek om die tijd waarin wordt gemeld dat “de hondenwagen gaat nu bij u zijn”.(23) De rechtbank sluit zich aan bij de verdediging, waar deze stelt dat uit de portofoongesprekken niet duidelijk blijkt dat deze betrekking hebben op de aankomst van [P15] en [P16] op de Sportlaan. Het valt niet uit te sluiten dat met “de hondenwagen” de hondenwagen van verdachte en [medeverdachte Y] is bedoeld. Bovendien komt uit het dossier naar voren dat [P15] en [P16] hun aankomst niet nadrukkelijk hebben gemeld via enig communicatiemiddel, zodat degene die deze opmerking over de portofoon plaatste (de “8300”) er wellicht nog van uitging dat zij nog niet ter plaatse waren gekomen. In ieder geval werpt dit één en ander onvoldoende twijfel op ten aanzien van de digitaal geregistreerde (gecorrigeerde) tijdsaanduiding van 01:29 uur op de foto van journalist [P17] waarop [P16] en [P15] te zien zijn op de Sportlaan.(24) De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat [P15] en [P16] (kort) voor 01:29 uur op de Sportlaan te Pijnacker zijn gearriveerd.

Wanneer het bijtincident van [P4] precies heeft plaatsgevonden – en met name of dit voor of na voormelde aankomst van [P15] en [P16] was – kan naar het oordeel van de rechtbank niet onomstotelijk uit het dossier worden afgeleid. De verklaringen van [P4] en [P18] leveren niet meer op dan een aanwijzing dat dit kort na 00:45 uur zou hebben plaatsgevonden, maar de verdediging heeft er terecht op gewezen dat daaruit tevens blijkt dat zij na dat tijdstip nog wat “langzaam” heen en weer hebben gelopen, “wat mensen gebeld” en “een sigaretje gerookt”, terwijl eerst daarna het bijtincident zou hebben plaatsgevonden.(25) De officier van justitie heeft vervolgens getracht dit incident nader in de tijd te plaatsen door te wijzen op het proces-verbaal van bevindingen en de verklaring bij de Rijksrecherche van verbalisante [P14].(26) [P14] verklaart dat aangever [P4] met een bijtwond bij haar kwam rond het moment dat een meisje dat zij op dat moment assistentie verleende – en waarbij ook een gewonde collega (kennelijk [P13]) was – op een brancard werd geplaatst. Dit meisje zou in de redenering van de officier van justitie [P12] zijn geweest die om 01:12 uur zou zijn geslagen. Daargelaten dat de officier van justitie niet heeft aangegeven waarop die tijd van 01:12 uur is gebaseerd en de rechtbank dit niet uit het dossier heeft weten af te leiden, merkt de rechtbank op dat geenszins zeker is dat [P12] het betreffende meisje is. [P12] verklaart immers ten eerste niet dat zij op enig moment op een brancard is gelegd en ten tweede niet over een vrouwelijke politieagente die haar zou hebben geholpen.(27) Indien de gesprekken van een meisje met de hulpdiensten op 01:47 en 01:58 uur waarop de officier van justitie heeft gewezen, inderdaad aan [P12] zijn te koppelen, zouden die tijstippen bovendien nog altijd de mogelijkheid openlaten dat (de hond van) [P15] – zoals de verdediging als mogelijkheid heeft geopperd – bij het incident van [P4] betrokken was, omdat [P15] toen reeds enige tijd aanwezig was.

Tot slot nog een enkel woord over de vraag of het incident [P4] overeen zou komen met het tweede bijtincident van [verdachte] – zoals door de officier van justitie is gesteld – dan wel met het later voorgevallen bijtincident van [P15] – zoals door de verdediging is aangevoerd. De rechtbank acht geen van beide standpunten voldoende overtuigend. Wat betreft het tweede bijtincident van verdachte, staat eigenlijk wel vast dat dit een man op een fiets en gekleed in een camouflagebroek betrof. Dit blijkt uit de verklaring van verdachte zelf en zijn collega [P19].(28) Het één noch het ander is aan [P4] te relateren, getuige diens eigen verklaringen omtrent zijn kleding van die avond (blauwe spijkerbroek met waarschijnlijk zwart T-shirt) en het feit dat hij noch [P18] van een fiets melding maken.(29) Voorts gaat de ter onderbouwing genoemde tijdslijn als door de officier van justitie geschetst mank om redenen als voormeld.

Evenmin aannemelijk is echter dat het bijtincident dat [P15] heeft gemeld op [P4] slaat. Zowel [P16] als [P15] verklaren immers dat bij dit incident slechts in de broekspijp is gebeten en dat de gebetene geen blijk gaf van noemenswaardige pijn of letsel.(30) Ook kan uit de verklaring van [P18] worden afgeleid dat [P4] onderaan de dijk stond toen hij werd gebeten, terwijl [P15] relateert dat de gebetene bovenop de dijk bij de Sportlaan stond.(31)

Bij geen van deze incidenten heeft bovendien een hond losgelopen, laat staan dat deze loslopend op [P4] is afgestuurd van een afstand van 6 - 8 m, zoals [P18] en [P4] verklaren. Brigadier [..[P11] verklaart hierover overigens dat een loslopende hond uit zichzelf niets zal doen en dat het niet mogelijk is een hond op een bepaalde persoon in een groep af te sturen. Als de hond losschiet, zal de hond niet kunnen kiezen en betrekkelijk willekeurig op een persoon afgaan, aldus zijn verklaring bij de rechter-commissaris.(32)

Al het voorgaande overziende, moge duidelijk zijn dat dit bijtincident en zijn dader met te veel vraagtekens is omgeven om wettig en overtuigend bewezen te achten dat [verdachte] hiervoor een verwijt valt te maken. Helaas heeft het er alle schijn van dat het incident [P4] – tenzij de beet, maar dit zou sterk afwijken van de toedracht volgens aangever en zijn vriend [P18], tijdens de onoverzichtelijke schermutseling heeft plaatsgevonden die volgde op de beet van aangever [P6], hiervoor reeds gemeld bij de bespreking van het incident [P2] (feit 2) – niet door enige verbalisant is gerelateerd. Hierbij wreekt zich eens te meer dat [P4] niet met enige verdachte (of andere potentiële dader) is geconfronteerd om duidelijkheid te verschaffen. In wezen lijkt feitelijk slechts verbalisant [medeverdachte Y] op basis van het door [P4] opgegeven signalement uit te sluiten als mogelijke dader, maar niet de overige hondenbegeleiders. De onduidelijkheid die dit incident omringt maakt het overigens tevens onmogelijk de vraag – in het kader van de strafbaarheid van het feit – te beantwoorden in hoeverre de beet van [P4] wellicht te rechtvaardigen was omdat hij zich desgevorderd niet heeft verwijderd en/of zich agressief gedroeg. De rechtbank kan die vraag evenwel gelet op de vrijspraak voor dit feit in het midden laten.

6. Feit 3 (incident [P3])

De verdenking komt er, zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte - al dan niet met een ander - [P3](33) heeft mishandeld, terwijl hij daarbij gebruik heeft gemaakt van macht en gelegenheid door zijn ambt geschonken. Verdachte wordt verweten dat hij [P3] meermalen met de lange wapenstok heeft geslagen tegen het lichaam en/of het hoofd.

6.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte dit feit heeft begaan.

Op de vraag van de rechtbank of er sprake is geweest van medeplegen, heeft de officier van justitie geantwoord dat aanvankelijk alleen door verdachte is opgetreden tegen [P3]. Vervolgens heeft zich de situatie voorgedaan dat medeverdachte [medeverdachte Y] zich bij hem heeft gevoegd en zij beiden [P3] hebben geslagen. Aldus is er in de visie van de officier van justitie vanaf dat moment sprake geweest van een nauwe en volledige samenwerking tussen verdachte en [[medeverdachte]] en dus van medeplegen.

De officier van justitie heeft vervolgens betoogd dat het slaan door verdachte in de gegeven omstandigheden niet gepast en geboden was en derhalve niet proportioneel.

Alleen verdachte en medeverdachte [medeverdachte Y] hebben immers verklaard over een dreiging die van [P3] zou zijn uitgegaan. Onduidelijk is echter waarom [P3] dreigend was voor verdachte. [P3] was alleen. De rest van de groep waarvan hij deel had uitgemaakt was al weg gegaan na een vordering van [medeverdachte Y] zich te verwijderen. Er was dus sprake van twee gewapende agenten tegen één man.

Uit de verklaringen van [P3], [P20], [P21] en politieagent [P22] is niet duidelijk geworden dat [P3] agressief was. Hij heeft eerder verhaal willen halen of willen praten. De reden hiervoor lijkt ook duidelijk: velen hebben verklaard dat het volstrekt onduidelijk was waarom iedereen daar weg moest en waarom de shoarmazaak waar hij werkte dicht moest.

Onduidelijk is waarom de lange wapenstok bij herhaling is ingezet tegen iemand waar (objectief) geen enkele dreiging van uitging. [P3] heeft weliswaar niet aan het verwijderingsbevel voldaan, maar de vraag is of de inzet van de wapenstok dan passend te achten is. Niet valt uit te sluiten dat een kort gesprek met [P3], het aanhoren van zijn verhaal, al tot het beoogde resultaat had kunnen leiden. Een poging hiertoe is niet ondernomen.

Het kan passend zijn om iemand die niet aan de vordering voldoet met kracht tot verwijderen aan te zetten, waarbij het gebruik van de wapenstok als geringste middel een gerechtvaardige keuze kan zijn. Daarbij rijst echter de vraag of er zovele malen en met zoveel kracht (zie met name de verklaring van [P22]) had moeten worden geslagen als verdachte heeft gedaan. Het antwoord hierop luidt ontkennend. Zo vaak en met zoveel kracht slaan op een persoon waarvan geen dreiging (meer) uitging, was disproportioneel.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken ten aanzien van de klap tegen het hoofd van [P3]; die klap is door medeverdachte [medeverdachte Y] gegeven.

Op een vraag van de rechtbank hieromtrent, heeft de raadsman betoogd dat er bij dit incident geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte Y]. Verdachte stond alleen tegenover [P3] totdat [medeverdachte Y] hem op eigen initiatief te hulp schoot. De klappen die verdachte aan [P3] heeft gegeven, gingen vooraf aan de klap van [medeverdachte Y]. Na deze klap van [medeverdachte Y] is [P3] niet meer geslagen. Voort heeft er tussen verdachte en [medeverdachte Y] geen overleg plaats gevonden omtrent het slaan van [P3].

De raadsman heeft vervolgens bepleit dat verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde gedeelte van dit ten laste gelegde feit dient te worden ontslagen van alle rechtvervolging.

Verdachte en [medeverdachte Y] zijn ter plaatse gekomen om hun collegae [P23] en [P24], die zich in het nauw gedreven voelden door een groep van 15 à 20 personen nadat zij iemand hadden willen aanhouden, te helpen. Om de situatie het hoofd te bieden is door verdachte en [medeverdachte Y] voortdurend gevorderd dat een ieder die daar aanwezig was, dus ook [P3], zich diende te verwijderen. Daarbij is ook de waarschuwing voor het gebruik van geweld gegeven. Toen [P3] weigerde gevolg te geven aan de diverse duidelijk hoorbare vorderingen, restte geen ander middel dan hem met de wapenstok weg te krijgen. Verdachte heeft op de hem aangeleerde wijze geslagen en zeker niet zijn best gedaan om zo hard mogelijk te slaan (zie ook de verklaring van [P25]). Daarbij is [P3] voortdurend gevorderd om weg te gaan. [P3] had steeds de gelegenheid dit te doen. Verdachte is opgehouden met slaan zodra [P3] zich, na de laatste klap van [medeverdachte Y], verwijderde.

Indien iemand door een politieambtenaar ter handhaving van de openbare orde gevorderd wordt om zich te verwijderen, dient diegene ook daadwerkelijk weg te gaan. Er is in zo’n situatie in beginsel geen ruimte voor degene wiens verwijdering wordt gevorderd daarover met de politie in discussie te gaan. Bovendien is niet gebleken dat [P3] verhaal wilde gaan halen over het sluiten van de shoarmatent. [P3] heeft immers verklaard dat de opdracht tot het sluiten pas kwam nadat hij de confrontatie met verdachte en [medeverdachte Y] reeds had gehad.

Het was voorts geen optie om [P3] aan te houden. Juist nu het incident was begonnen met de aanhouding van een persoon en vervolgens was geëscaleerd, lag het in de rede te verwachte dat bij aanhouding van [P3] de situatie wederom zou escaleren.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:

Politiefunctionarissen [P23] en [P24] hebben op enig moment in de nacht van 6 op 7 mei 2006 een oproep gedaan aan collega’s nadat zij twee groepen personen achter elkaar zagen aanrennen.(34) Verdachte en medeverdachte [medeverdachte Y] hebben gehoor gegeven aan deze oproep en hebben zich met de surveillanceauto naar de Oostlaan te Pijnacker begeven, alwaar ze hun auto hebben geparkeerd.(35)

[P23] en [P24] hebben op de Oostlaan, ter hoogte van de shoarmatent, een persoon aangehouden terzake belediging, waarop een groep zich tegen hen keerde.(36) Verdachte en [medeverdachte Y] zagen vanuit hun auto de groep naar [P23] en [P24] toe rennen. [Medeverdachte Y] heeft middels de megafoon gevorderd dat men zich diende te verwijderen.(37) Verdachte en [medeverdachte Y] hebben hun lange wapenstok ter hand genomen, zijn uit de auto gestapt en naar de groep toegegaan om [P23] en [P24] te helpen.(38)

[P3] voldeed niet aan de vordering van [medeverdachte Y] zich te verwijderen. Verdachte heeft vervolgens [P3] nogmaals gevorderd weg te gaan. [P3] heeft ook aan deze vordering niet voldaan, waarop verdachte hem een klap heeft gegeven met de lange wapenstok. Verdachte heeft vervolgens opnieuw gevorderd dat [P3] zich diende te verwijderen. [P3] weigerde opnieuw, waarna verdachte hem meermalen, steeds na een nieuwe vordering zich te verwijderen, heeft geslagen met de lange wapenstok.(39)

[Medeverdachte Y] is vervolgens naar verdachte en [P3] toegelopen. [Medeverdachte Y] heeft [P3] één klap met de lange wapenstok gegeven. Deze klap kwam onbedoeld tegen diens hoofd terecht. Vervolgens heeft [P3] zich verwijderd.(40)

Beslissing:

Ten aanzien van het bewijs:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [P3] meermalen met de lange wapenstok tegen het lichaam heeft geslagen waardoor deze pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onderhavige feit tezamen en in vereniging met een ander, in casu [medeverdachte Y], heeft gepleegd. Medeplegen veronderstelt een bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering. Bewuste samenwerking houdt in dat de medeplegers willens en wetens samenwerken tot het verrichten van de strafbare gedraging. Ook stilzwijgende samenwerking kan medeplegen opleveren.

Medeverdachte [medeverdachte Y] is uit eigen beweging verdachte te hulp geschoten. Uit het dossier valt niet af te leiden dat verdachte, op het moment dat [medeverdachte Y] hem te hulp schoot, hiervan op de hoogte was. Tevens is niet gebleken dat verdachte en [medeverdachte Y] [P3] gelijktijdig hebben geslagen, dan wel dat [P3] na de klap van [medeverdachte Y] nog door één van hen geslagen is. Op grond van het voorafgaande kan niet gesproken worden van willens en wetens samenwerken door verdachte en [medeverdachte Y], zodat verdachte op dit punt partieel dient te worden vrijgesproken.

Tevens acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een klap tegen het hoofd van [P3] heeft gegeven. Uit de verklaringen van verdachte en [medeverdachte Y] blijkt dat alleen [medeverdachte Y] een klap tegen het hoofd van [P3] heeft gegeven. Dit wordt ondersteund door de verklaring van [P3] zelf, die beschrijft dat, terwijl hij werd geslagen tegen de zijkant van zijn lichaam, er nog een andere politieagent bijkwam die hem op zijn hoofd sloeg.(41)

Ten aanzien van het strafbaarheid van het feit:

Verdachte en zijn collega [medeverdachte Y] hebben getracht hun collega’s [P23] en [P24] te ontzetten. [Medeverdachte Y] heeft daarbij ter handhaving van de openbare orde via de megafoon het publiek gevorderd zich te verwijderen. [P3] voldeed hier niet aan. Hij wilde kennelijk “verhaal halen” bij de politie. Verdachte heeft hem vervolgens nogmaals gevorderd weg te gaan, aan welke vordering [P3] eveneens geen gehoor gaf.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte in voornoemde situatie, waarbij er een dreiging uitging van de groep waarvan, naar verdachte begrijpelijkerwijs aannam, [P3] deel uit maakte, gerechtigd was om [P3] een klap met de lange wapenstok te geven om de verwijdering van hem te bewerkstelligen. De sfeer was grimmig en de situatie was er niet naar dat [P3], zoals de officier van justitie heeft gesuggereerd, een gesprek met verdachte kon aangaan over de hem gegeven vordering en/of het politieoptreden op dat moment ter handhaving van de openbare orde. Door halsstarrig te blijven staan heeft [P3] het geweld over zichzelf afgeroepen. Niet alleen de eerste klap, maar ook – hij voldeed immers nog steeds niet aan de herhaalde vorderingen – de daaropvolgende. De rechtbank acht hierbij tevens van belang dat verdachte niet op vitale lichaamsdelen van [P3] heeft geslagen, dat niet is komen vast te staan dat verdachte bovenmatig hard heeft geslagen alsmede dat verdachte voorafgaand aan elke slag [P3] nogmaals heeft gevorderd zich te verwijderen. Uit het dossier is niet gebleken dat [P3] niet de mogelijkheid had om weg te gaan. Op het moment dat [P3] zich daadwerkelijk verwijderde, heeft verdachte hem niet nog eens geslagen.

Een ander, lichter, geweldsmiddel dan de lange wapenstok had verdachte, na de vordering tot verwijderen, niet voorhanden. Tevens was aanhouding van [P3] geen optie, nu de aanhouding van een persoon door [P23] en [P24] kort daarvoor de aanleiding was geweest voor het ontstaan van de dreigende situatie waarin verdachte en [medeverdachte Y] deze collegae te hulp waren gekomen.

Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte voldaan heeft aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit in de zin van artikel 8 Politiewet, zodat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

7. Feit 1 (incident [P1])

De verdenking komt er, zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte - al dan niet met anderen - [P1] heeft mishandeld, terwijl hij daarbij gebruik heeft gemaakt van macht en gelegenheid door zijn ambt geschonken. Verdachte wordt verweten dat [P1] meermalen met de lange wapenstok tegen het lichaam heeft geslagen (deels terwijl deze op de grond lag).

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte dit feit heeft begaan.

De officier van justitie heeft tevens gesteld dat het feit strafbaar is.

Verdachte stak de weg over en begon [P1] te slaan op armen, benen en lichaam. Dat er een dreiging van [P1] zou zijn uitgegaan, dat hij een vechthouding zou hebben aangenomen en dat hij op verdachte zou zijn afgelopen, is slechts door verdachte verklaard.

[P1] wordt bij het slaan telkens op grove wijze gevorderd dat hij weg moest gaan. Er zou 7 tot 12 keer zijn geslagen, hard en snel achter elkaar, zodat [P1] geen kans heeft gekregen om weg te gaan, zo hebben onder andere [P25] en [P26] verklaard. [P1] is door het slaan van verdachte op de grond gevallen. Later is [P1] opgestaan, heeft hij zich door het slaan verplaatst en heeft uiteindelijk weg kunnen lopen.

De wijze waarop verdachte het verwijderingsbevel kracht heeft bijgezet door [P1] te slaan is evident disproportioneel. De officier van justitie heeft in dit verband verwezen naar onder andere de verklaringen van getuigen [P25], [P27] en [P28]. Voornoemde getuigen hebben verdachte gemaand te stoppen en vonden het door verdachte toegepaste geweld schokkend.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken voorzover hem wordt verweten [P1] ten gevolge van de klappen die verdachte hem heeft gegeven op de grond is gevallen. Uit het dossier blijkt dat [P1] is gevallen nadat deze door de politiefunctionarissen [P16] en/of [P15] was geslagen. Dit gebeurde voor het moment dat verdachte [P1] sloeg.

De raadsman heeft tevens bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van het onderdeel van de tenlastelegging waarin hem wordt verweten dat [P1] heeft geslagen terwijl deze laatste op de grond lag. Er is geen bewijs voor handen waaruit blijkt dat zulks het geval is geweest.

Vrijspraak ten aanzien van deze onderdelen dient te leiden tot een integrale vrijspraak, aangezien de grondslag van de tenlastelegging wordt verlaten ingeval het overige gedeelte van de tenlastelegging bewezen zou worden verklaard. Het openbaar ministerie heeft immers expliciet ten laste willen leggen dat [P1] door de klappen van verdachte is gevallen en door verdachte is geslagen toen hij op de grond lag.

De raadsman heeft subsidiair bepleit dat verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde gedeelte van dit ten laste gelegde feit dient te worden ontslagen van alle rechtvervolging.

Verdachte heeft voldaan aan de eisen van artikel 8, eerste lid, van de Politiewet. [P1] heeft zich agressief opgesteld en was voortdurend aan het schelden en provoceren. De eerdere klappen van [P16] en [P15] hadden niet geleid tot zijn verwijdering. Het geven van een tik en duw door verdachte hebben bovendien geen enkel (positief) effect gehad. [P1] heeft hierop zelfs een gevechtshouding aangenomen en is na de klappen op verdachte af blijven lopen. Nu [P1] keer op keer heeft geweigerd zich te verwijderen en zijn verwijdering nodig was voor de handhaving van de openbare orde, is verdachte genoodzaakt geweest door te gaan met het wegdrijven van [P1]. Voorkomen moest immers worden dat de toch al gespannen situatie door provocaties van [P1] uit de hand zou gaan lopen.

[P1] is voor iedere klap gevorderd dat hij zich moest verwijderen en [P1] heeft hiertoe steeds de mogelijkheid gehad. Verdachte heeft bovendien op een correcte manier geslagen, op de juiste plekken van het lichaam. Uit informatie van [P1] blijkt dat zijn letsel niet buitensporig is geweest.

Een andere manier om [P1] te verwijderen, was voorts niet beschikbaar. De wapenstok was het lichtst beschikbare middel. [P1] aanhouden was niet verantwoord, aangezien verdachte er alleen voor stond en [P1] zich recalcitrant gedroeg. Bovendien zou aanhouding mogelijk hebben geleid tot escalatie.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:

[P1] bevond zich in de nacht van 6 op 7 mei 2006 op de Oostlaan te Pijnacker achter de surveillanceauto van de politiefunctionarissen [P15] en [P16], onder invloed van alcohol, stond te schreeuwen en had een fles Bacardi Breezer (of Smirnoff Ice)(42) in zijn handen. [P16] vorderde [P1] weg te gaan, aan welke vordering [P1] niet voldeed. [P16] heeft hem hierop een klap gegeven met de lange wapenstok tegen zijn onderbeen. (43) ([P1] hield nog steeds de fles in zijn rechterhand, waarop [P15] met zijn lange wapenstok een klap op de rechterbovenarm [P1] heeft gegeven. De fles viel hierdoor uit zijn handen op de straat kapot.(44) [P16] heeft [P1] nogmaals gevorderd weg te gaan, waaraan [P1] opnieuw geen gehoor gaf. [P15] en [P16] hebben [P1] vervolgens een klap gegeven op zijn been. [P1] viel en is daarna weggelopen in de richting van het Raadhuisplein.(45)

Een stukje verderop bleef [P1] staan en begon opnieuw te schreeuwen en schelden. Verdachte liep in de richting van [P1] en vorderde hem zich te verwijderen. [P1] gaf hieraan geen gevolg, waarop verdachte hem een klap gaf met de lange wapenstok. (46) [P1] verwijderde zich daarop niet. Verdachte heeft [P1] vervolgens een aantel klappen gegeven met de lange wapenstok.(46) Tevens heeft verdachte hem ter hoogte van zijn revers beetgepakt en hem een duw naar achteren gegeven.(47) Politiefunctionaris [P25] heeft op een gegeven moment naar verdachte geroepen dat het genoeg was.(48) Verdachte heeft overigens verklaard dat hij dit roepen door [P25] niet heeft gehoord.(49)

[P1] heeft zich op een gegeven moment verwijderd, maar is vervolgens weer teruggekomen om verhaal te halen. [P15] en [P16] hebben [P1] aangehouden voor het niet voldoen aan een bevel of vordering. [P15] en [P16] hebben [P1] hierbij naar de grond gebracht, aangezien [P1] niet meewerkte aan de aanhouding.(50)

Beslissing:

Ten aanzien van het bewijs:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [P1] meermalen met de lange wapenstok tegen het lichaam heeft geslagen waardoor deze pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd, noch dat [P1] is gevallen tengevolge van het slaan door verdachte, noch dat verdachte [P1] heeft geslagen terwijl deze op de grond lag.

Verdachte heeft [P1] geslagen nadat deze zich van [P15] en [P16] had verwijderd. Verdachte hoorde hem nog steeds schreeuwen en schelden en is toen op hem afgelopen. [P15] en [P16] bevonden zich derhalve op enige afstand op het moment dat verdachte [P1] sloeg. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering tussen verdachte enerzijds en [P15] en/of [P16] anderzijds.

Uit de verklaringen van [P15], [P16] en verdachte blijkt voorts dat [P1] door of na een klap van [P15] of [P16] op de grond is gevallen. In het dossier is voorts geen bewijs voorhanden waaruit afgeleid zou kunnen worden dat [P1] op de grond lag op het moment dat verdachte zich bij hem bevond en hem sloeg.

Het vorenstaande dient echter niet te leiden tot een integrale vrijspraak zoals de verdediging heeft bepleit. Bij het eerste gedachtestreepje in de tenlastelegging staat ‘als gevolg waarvan [P1] op de grond is gevallen’ tussen haakjes, waardoor dit onderdeel - zonder dat daarbij de grondslag van de telastlegging wordt verlaten - als facultatief kan worden beschouwd. Verdachte kan van het tussen haakjes opgenomen gedeelte derhalve (partieel) worden vrijgesproken zonder dat dit tot een integrale vrijspraak moet leiden. De omstandigheid dat [P1] op de grond lag is in het tweede gedachtestreepje van de tenlastelegging daarentegen wel een essentieel onderdeel van het aan verdachte gemaakte verwijt. Verdachte dient te worden vrijgesproken van al hetgeen hem onder dit gedachtestreepje is telastgelegd. Aldus kan worden bewezen verklaard hetgeen door middel van het eerste gedachtestreepje is telastgelegd, zonder de tekst die tussen haakjes is opgenomen, zoals hierna weer te geven. Daarmee blijft er overigens ook een coherent zinsverband over.

Ten aanzien van het strafbaarheid van het feit:

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van dit feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

In een situatie als de onderhavige waarin ongeregeldheden plaatsvonden en [P1] aan het schreeuwen en schelden was, was verdachte op grond van artikel 2 Politiewet bevoegd ter handhaving van de openbare orde [P1] te vorderen zich te verwijderen. Toen [P1] daaraan niet voldeed, was verdachte tevens gerechtigd hem één of enkele klappen te geven met de lange wapenstok teneinde diens verwijdering te bewerkstelligen. Verdachte is op een gegeven moment echter te ver gegaan in het door hem toegepaste geweld. Hij bleef klappen uitdelen [P1] toen deze zich niet verwijderde. Naar eigen zeggen heeft verdachte maar liefst zeven klappen uitgedeeld met de lange wapenstok (volgens anderen waaronder collegae [P25] en [P26] waren het zelfs tien tot twaalf slagen)(51),(52), zulks nadat [P1] al enkele malen door [P15] en [P16] was geslagen. De rechtbank onderkent dat de politie in dergelijke situaties ter handhaving van de openbare orde daadkrachtig dient op te treden. In de gegeven omstandigheden is echter hetgeen verdachte deed niet te billijken. Weliswaar verwijderde [P1] zich niet of onvoldoende snel, maar tevens dient in aanmerking te worden genomen dat hij alleen stond, kennelijk zwaar beschonken was, geen geweld gebruikte en geen reële dreiging vormde. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat de klappen elkaar snel opvolgden en dat verdachte [P1] mede daardoor niet althans onvoldoende de gelegenheid gaf om weg te gaan. Het blijven slaan van [P1] werd aldus niet meer gerechtvaardigd door het doel (de verwijdering [P1]) dat verdachte aanvankelijk voor ogen stond. De rechtbank tekent hierbij aan dat twee aldaar gearriveerde politieagenten het niet eens waren met het handelen van verdachte. Reeds ter plekke heeft collega [P25] verdachte erop aangesproken dat hij te ver ging.(53) Ook politiefunctionaris [P26] vond dat verdachte teveel geweld heeft gebruikt, zo valt uit zijn verklaringen op te maken.(54)

Achteraf gezien hebben waarschijnlijk de aan dit incident voorafgaande gebeurtenissen op de Sportlaan, waarbij verdachte zelf de nodige klappen en schoppen had gekregen van omstanders en waarbij hij zelfs eraan had gedacht zijn vuurwapen te trekken, verdachte parten gespeeld. De rechtbank vindt het in dit verband tekenend dat verdachte kort na dit incident tegen [P25], die aangaf dat verdachte te ver was gegaan, heeft gezegd: “Ja, hij heeft veel klappen gehad, maar ik heb net ook veel klappen gehad”.(55) Na het geweld dat tegen verdachte op de Sportlaan was gebruikt met de bijkomende emoties, ware het beter geweest dat hij een pauze had genomen, welke pauze hij later op de avond naar eigen zeggen wel heeft genomen. Van een professioneel opererende politieman mag verwacht worden dat hij dit zelf tijdig onderkent.

8. De bewezenverklaring

1.

hij in de periode van 6 mei 2006 tot en met 7 mei 2006 te Pijnacker, gemeente Pijnacker-Nootdorp, opzettelijk een persoon (te weten [P1]),

- meermalen met een lange wapenstok, met kracht tegen de benen en het (boven)lichaam heeft geslagen,

waardoor voornoemde [P1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden, zulks terwijl hij, verdachte, gebruik maakte van macht en gelegenheid door zijn ambt geschonken, immers was hij, verdachte, toen en daar in zijn hoedanigheid van surveillancehondengeleider/brigadier in dienst van politie Haaglanden;

3.

hij in de periode van 06 mei 2006 tot en met 7 mei 2006 te Pijnacker, gemeente Pijnacker-Nootdorp, opzettelijk een persoon (te weten [P3])

- meermalen met een lange wapenstok tegen (de linkerzijde van) het lichaam en de schouder heeft geslagen,

waardoor voornoemde [P3] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden, zulks terwijl hij, verdachte, gebruik maakte van macht en gelegenheid door zijn ambt geschonken, immers was hij, verdachte, toen en daar in zijn hoedanigheid van surveillancehondengeleider/brigadier in dienst van politie Haaglanden.

9. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is ten aanzien van het bij dagvaarding onder 1 ten laste gelegde strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

10. De straf

10.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 140 uur, subsidiair 70 dagen, waarvan 70 uur, subsidiair 35 dagen, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gewezen op de grote gevolgen die de strafvervolging van zijn cliënt voor hem heeft gehad. Hij heeft in dit verband gewezen op het expertiseverslag dat over zijn cliënt is uitgebracht door prof. C.A.L. Hoogduin, psychiater en drs. L. de Boer, psycholoog.

10.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling doordat hij [P1] meermalen met een lange wapenstok heeft geslagen.

Zoals in de inleiding reeds opgemerkt wordt van de politie verwachte dat zij resoluut optreedt bij ordeverstoringen, maar tevens dat het gebruik van geweld door de politie gebonden is aan strikte eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Verdachte heeft ten opzichte van [P1] te lang en te veel geweld gebruikt. Hij heeft zich op dat moment niet professioneel gedragen. Zijn handelwijze heeft met name bij de omstanders begrijpelijkerwijs grote verontwaardiging gewekt.

De rechtbank houdt wel rekening met de moeilijke omstandigheden waaronder verdachte die nacht zijn werkzaamheden heeft moeten uitvoeren. Zij wil hier ook niet onvermeld laten dat verdachte zich naar de Oostlaan heeft begeven ter assistentie van collegae die in het nauw waren gekomen.

Uit eerdergenoemd expertiseverslag alsmede uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting komt naar voren dat met name de nasleep van de gebeurtenissen van de bewuste nacht grote gevolgen heeft gehad voor verdachte:

Verdachte heeft langdurige psychische klachten in reactie op de beschuldigingen en de lopende rechtszaak. Er is sprake van een depressieve stemming, emotionaliteit, gespannenheid en rusteloosheid. De klachten veroorzaken in significante mate lijden en beperkingen in het sociaal en beroepsmatig functioneren.

Sinds verdachte officieel als verdachte is aangewezen, mag hij in ieder geval tijdens het strafrechtelijk onderzoek niet meer werken als hondengeleider. Verdachte is overgeplaatst naar een ander bureau, hij heeft zijn hond moeten afstaan aan een collega en is er in salaris op achteruit gegaan door het wegvallen van toelages. Als gevolg van voornoemde klachten kan verdachte echter niet meer optimaal functioneren. Na het doen van uitsluitend administratief werk, hetgeen hij ervoer als een stap achteruit, heeft verdachte zich in juli 2007 en opnieuw per augustus 2007 ziek gemeld.

Voorts hebben de media veel aandacht besteed aan het optreden van de politie in de bewuste nacht, waarbij de gebeurtenissen niet altijd juist zijn weergegeven. Verdachte heeft bovendien via de media moeten vernemen dat hij werd aangemerkt als verdachte.

De rechtbank houdt in de op te leggen straf er rekening mee dat de strafvervolging op zich en de aandacht van de media al niet te onderschatten negatieve gevolgen voor verdachte hebben gehad.

Ten voordele van verdachte heeft de rechtbank verder in haar oordeel betrokken dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Tevens houdt de rechtbank rekening met het feit dat het door verdachte gepleegde strafbare feit inmiddels geruime tijd geleden heeft plaatsgevonden alsmede dat verdachte gedurende deze tijd van meerdere strafbare feiten werd verdacht, terwijl hij uiteindelijk slechts voor één feit strafbaar wordt geacht.

Gelet op het vorenstaande, is de rechtbank van oordeel dat een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden is. Bij de vaststelling van de vermogensstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

11. De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [P2], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 4.233,80.

11.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij.

11.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij.

11.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, is vrijgesproken.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

12. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

23, 24, 24c, 44, 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

13. De beslissing

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 2 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 3:

mishandeling gepleegd door een ambtenaar, terwijl bij het begaan van het strafbare feit gebruik werd gemaakt van macht, gelegenheid en middel door zijn ambt geschonken;

verklaart het bewezenverklaarde niet strafbaar;

ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging;

ten aanzien van feit 1:

mishandeling gepleegd door een ambtenaar, terwijl bij het begaan van het strafbare feit gebruik werd gemaakt van macht, gelegenheid en middel door zijn ambt geschonken;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een geldboete van € 750,00;

bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen

door hechtenis voor de tijd van 15 dagen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij:

bepaalt dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. Elkerbout, voorzitter,

Brinkman en Verbeek, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Landman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 juli 2008.

Mr. Verbeek is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Volgens de telastlegging zou het slachtoffer [P2] zijn genaamd maar in het dossier is slechts sprake van [P2], zodat dit als een kennelijke verschrijving zal worden opgevat.

2 Proces-verbaal met nummer 20060075-101, Deel 1, p. 24;

3 Proces-verbaal met nummer 20060075-101, Deel 1, p. 25-26 en Deel 1, p. 35

4 Proces-verbaal met nummer 20060075-101, Deel 2, p. 384

5 Proces-verbaal met nummer 20060075-101, Deel 1, p. 343 - 344; Deel 1, p. 365; Deel 2, p. 492 en Deel 2, p. 504

6 Proces-verbaal met nummer 20060075-101, Deel 1, p. 26; Deel 1, p. 36; Deel 1, p. 344; Deel 1, p. 365 en Deel 2, p. 493

7 Proces-verbaal met nummer 20060075-101, Deel 1, p. 90; Deel 1, p. 176; Deel 1, p. 344 – 345 en Deel 2, p. 493

8 Proces-verbaal met nummer 20060075-101, Deel 1, p. 344 en Deel 2, p. 493

9 Proces-verbaal met nummer 20060075-101, Deel 1, p. 344; Deel 1, p. 366; Deel 2, p. 493 en Deel 2, p. 504

10 Proces-verbaal met nummer 20060075-101, Deel 1, p. 366; verklaring van verdachte ter terechtzitting

11 Proces-verbaal met nummer 20060075-101, Deel 1, p. 27; Deel 1, p. 345

12 Proces-verbaal met nummer 20060075-101, Deel 1, p. 90; Deel 1, p. 148; Deel 1, p. 156 – 157; Deel 1, p. 345; Deel 1, p. 366; Deel 2, p. 493 en Deel 2, p. 504

13 Verhoor rechter-commissaris 1 juli 2008, randnummer 21 en proces-verbaal met nummer 20060075-101, Deel 2, p. 785

14 Proces-verbaal met nummer 20060075-101, Deel 1, p. 27 en Deel 1, p. 345

15 Proces-verbaal met nummer 20060075-108, Deel 1, p. 25 en Deel 1, p. 34 - 35

16 Proces-verbaal met nummer 20060075-108, Deel 1, p. 25 – 26 en Deel 1, p. 35

17 Proces-verbaal met nummer 20060075-108, Deel 1, p. 26; Deel 1, p. 35 en Deel 1, p. 40

18 Proces-verbaal met nummer 20060075-108, Deel 1, p. 25

19 Proces-verbaal met nummer 20060075-108, Deel 1, p. 25

20 Proces-verbaal met nummer 20060075-108, Deel 1, p. 25; p. 36 en verklaring bij rechter-commissaris d.d. 27 februari 2008, randnummers 6-8

21 Proces-verbaal met nummer 20060075-108, Deel 1, p. 34

22 Verklaring bij rechter-commissaris d.d. 27 februari 2008, randnummer 16

23 Proces-verbaal met nummer 20060040 van een oriënterend feitenonderzoek, Deel 1, p. 231

24 Verklaring door [P16] bij rechter-commissaris d.d. 27 februari 2008, bijlage 2, p. 403 uit het proces-verbaal met nummer 20060040 van een oriënterend feitenonderzoek, Deel 2; CD-ROM met foto’s en proces-verbaal met nummer 20060075-108, Deel 2, p. 602-603

25 Proces-verbaal met nummer 20060075-108, Deel 1, p. 25 en Deel 1, p. 34

26 Proces-verbaal met nummer 20060075-108, Deel 1, p. 39-41 en Deel 2, p. 503

27 Proces-verbaal met nummer 20060040 van een oriënterend feitenonderzoek, Deel 4, p. 88-92

28 Proces-verbaal met nummer 20060075-108, Deel 1, p. 109-110 en p. 322-323

29 Idem p. 30

30 Idem p. 437 en 449

31 Idem p. 35 en 449

32 Verhoor rechter-commissaris 1 juli 2008, randnummers 24-26

33 Het is de rechtbank uit het dossier niet geheel duidelijk geworden of aangever [P3] of [P3] heet; beide namen worden gehanteerd. Er zal worden uitgegaan van de schrijfwijze zoals in zijn eigen en door hem ondertekende aangifte opgenomen (met echter wel een “[...]”),zie proces-verbaal met nummer 20060075-101, Deel 1, p. 20

34 Proces-verbaal met nummer 20060075-112, Deel 1, p. 79 en 81; Deel 1, p. 104 en 105; Deel 1, p. 119; Deel 1, p. 150; Deel 2, p. 286; Deel 2, p. 319 en verklaring [P23] bij de rechter-commissaris, d.d. 5 maart 2008, randnummer 6

35 Proces-verbaal met nummer 20060075-112, Deel 1, p. 119; Deel 1, p. 150 - 151; Deel 2, p. 286 en Deel 2, p. 297

36 Proces-verbaal met nummer 20060075-112, Deel 1, p. 81; Deel 1, p. 105; Deel 1, p. 119; Deel 2, p. 286; Deel 2, p. 319 en verklaring [P23] bij de rechter-commissaris, d.d. 5 maart 2008, randnummer 11

37 Proces-verbaal met nummer 20060075-112, Deel 2, p. 281 en Deel 2, p. 297

38 Proces-verbaal met nummer 20060075-112, Deel 1, p. 119 – 120; Deel 2, p. 286 en verklaring [P23] bij de rechter-commissaris, d.d. 5 maart 2008, randnummer 12

39 Proces-verbaal met nummer 20060075-112, Deel 1, p. 120; Deel 2, p. 287 en Deel 2, p. 297

40 Proces-verbaal met nummer 20060075-112, Deel 1, p. 120; Deel 2, p. 287 en Deel 2, p. 297

41 Proces-verbaal met nummer 20060075-101, Deel 1, p. 20

42 Proces-verbaal met nummer 20060075-113, Deel 1, p. 87

43 Proces-verbaal met nummer 20060075-113, Deel 1, p. 149; Deel 1, p. 157 – 158; Deel 2, p. 264; Deel 2, p. 276 en verklaring [P16] bij de rechter-commissaris, d.d. 27 februari 2008, randnummer 22 en 23

44 Proces-verbaal met nummer 20060075-113, Deel 1, p. 106; Deel 1, p. 149; Deel 1, p. 158; Deel 2, p. 264; Deel 2, p. 276 en verklaring [P16] bij de rechter-commissaris, d.d. 27 februari 2008, randnummer 23

45 Proces-verbaal met nummer 20060075-113, Deel 1, p. 149; Deel 1, p. 158; Deel 2, p. 264; Deel 2, p. 276 en verklaring [P16] bij de rechter-commissaris, d.d. 27 februari 2008, randnummer 23

46 Proces-verbaal met nummer 20060075-113, Deel 1, p. 49; Deel 1, p. 106; Deel 1, p. 158; Deel 2, p. 264; Deel 2, p. 270; Deel 2, p. 310 en verklaring [P16] bij de rechter-commissaris, d.d. 27 februari 2008, randnummer 23

47 Proces-verbaal met nummer 20060075-113, Deel 1, p. 41; Deel 1, p. 106; Deel 2, p. 310 en verklaring verdachte ter terechtzitting

48 Proces-verbaal met nummer 20060075-113, Deel 1, p. 40; Deel 1, p. 158; Deel 2, p. 264; Deel 2, p. 276 en Deel 2, p. 310

49 Proces-verbaal met nummer 20060075-113, Deel 1, p. 107 en verklaring verdachte ter terechtzitting

50 Proces-verbaal met nummer 20060075-113, Deel 1, p. 107; Deel 1, p. 150; Deel 1, p. 159; Deel 2, p. 264; Deel 2, p. 270; Deel 2, p. 276 en verklaring [P16] bij de rechter-commissaris, d.d. 27 februari 2008, randnummer 24

51 Proces-verbaal met nummer 20060075-113, Deel 1, p. 40-41 en Deel 2, p. 311

52 Proces-verbaal met nummer 20060075-113, Deel 1, p. 49-50 en Deel 2, p. 313

53 Proces-verbaal met nummer 20060075-113, Deel 1, p. 40-41 en Deel 2, p. 311

54 Proces-verbaal met nummer 20060075-113, Deel 1, p. 49-50 en Deel 2, p. 313

55 Proces-verbaal met nummer 20060075-113, Deel 2, p. 311