Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD8806

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-07-2008
Datum publicatie
29-07-2008
Zaaknummer
AWB 08/26268
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / verlenging ophouding (50, lid 4, Vw 2000)

Verweerder heeft eiser op 8 juli 2008 om 21.15 uur opgehouden, waarbij vervolgens reeds om 22.00 uur die dag is beslist tot verlenging van de ophouding op grond van artikel 50, vierde lid, van de Vw 2000. De rechtbank is van oordeel dat de vrijheidsbeperkende aard van de ophouding meebrengt dat de duur van de ophouding zoveel mogelijk dient te worden beperkt en dat in beginsel het onderzoek dient plaats te vinden binnen de in het tweede lid van artikel 50 Vw 2000 genoemde termijn van zes uren. Dit brengt mee dat het vierde lid van artikel 50 Vw 2000 terughoudend dient te worden toegepast. De toepassing van deze bepaling dient te worden beperkt tot die gevallen waarin de reguliere onderzoekstermijn van zes uren adequaat is gebruikt en vervolgens onvoldoende is gebleken. Doorgaans is hiervan slechts sprake in uitzonderlijke gevallen. Toepassing van de bevoegdheid om de ophouding te verlengen vergt derhalve een gedegen motivering. In het onderhavige geval heeft verweerder gebruik gemaakt van deze bevoegdheid, terwijl het onderzoek naar eisers identiteit en nationaliteit nog amper een aanvang had genomen. Nu in de beslissing - anders dan door aankruising van de ‘standaard’gronden dat de identiteit en nationaliteit nog niet is vastgesteld en dat het onderzoek naar de verblijfsrechtelijke status van de vreemdeling nog niet is afgerond - niet specifiek is gemotiveerd en anderszins ook niet is gebleken waarom van deze bevoegdheid toen al gebruik is gemaakt, oordeelt de rechtbank dat sprake is van oneigenlijke gebruikmaking van deze bevoegdheid. De rechtbank is derhalve van oordeel dat door het oneigenlijk gebruik van de door de Vw 2000 aan verweerder toegekende bevoegdheid tot verlenging van de ophouding de daarop volgende maatregel van bewaring van meet af onrechtmatig moet worden geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittinghoudende te Roermond

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Vreemdelingenkamer

Procedurenummer: AWB 08 / 26268

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 94 juncto artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[eiser], alias [alias], volgens zijn verklaring geboren op [geboortedatum] 1974 of op [geboortedatum] 1988 en van Ivoriaanse nationaliteit, verblijvende op de Detentieboot te Dordrecht,

hierna te noemen: eiser,

gemachtigde mr. M.H.J. Pluijmen, advocaat te Roermond,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Op 10 juli 2008 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

1.2. Bij beroepschrift van 22 juli 2008 is namens eiser beroep ingesteld. Ingevolge het bepaalde in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 strekt dit beroep tevens tot toekenning van schadevergoeding.

1.3. Bij faxbericht van 22 juli 2008 heeft verweerder nadere stukken ingezonden.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2008, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C.O. Stiphout. Als tolk in de Franse taal was aanwezig mevrouw A.N. Schellenbach-Pollet.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank beoordeelt thans of de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in overeenstemming is met de wet en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is.

2.2. Namens eiser is – kort weergegeven – aangevoerd dat eiser op 8 juli 2008 is opgehouden om 21.15 uur, terwijl er reeds om 22.00 uur diezelfde dag is beslist om de ophouding op grond van artikel 50, vierde lid, van de Vw 2000 te verlengen. Eiser ziet niet in waarin de grond is gelegen om al zo snel tot verlenging over te gaan, temeer daar de “vrije” nachtelijke uren ook eerst benut hadden kunnen worden. Voorts is eiser van oordeel dat de litigieuze verlenging ook te lang heeft geduurd. Dit maakt de daarop volgende bewaring naar de mening van eiser onrechtmatig.

2.3. Verweerder heeft als reactie hierop aangegeven dat eiser een zogeheten “titre de séjour” heeft afgegeven, waarvan bleek dat deze niet op hem van toepassing was. Nu eisers identiteit hiermee niet kwam vast te staan, was nader onderzoek nodig, waarvoor verweerder een (langere) termijn moest worden gegund. Nu dit niet binnen de reguliere termijn voor de ophouding zou lukken en ook niet verwacht werd dat er tijdens de nachtelijke uren veel zou gebeuren, is besloten tot verlenging van de ophoudingstermijn met 48 uren over te gaan. Verweerder meent dat deze langere termijn voor rekening en risico van eiser komt nu hij een kaart heeft getoond die niet van hem was en hij aldus de onduidelijkheid omtrent zijn identiteit zelf heeft veroorzaakt.

2.4. De rechtbank overweegt als volgt.

2.5. De rechtbank is van oordeel dat de vrijheidsbeperkende aard van de ophouding meebrengt dat de duur van de ophouding zoveel mogelijk dient te worden beperkt en dat in beginsel het onderzoek dient plaats te vinden binnen de in het tweede lid van artikel 50 Vw 2000 genoemde termijn van zes uren. Dit brengt mee dat het vierde lid van artikel 50 Vw 2000 terughoudend dient te worden toegepast. De toepassing van deze bepaling dient te worden beperkt tot die gevallen waarin de reguliere onderzoekstermijn van zes uren adequaat is gebruikt en vervolgens onvoldoende is gebleken. Doorgaans is hiervan slechts sprake in uitzonderlijke gevallen. Toepassing van de bevoegdheid om de ophouding te verlengen vergt derhalve een gedegen motivering.

2.6. Blijkens de beschikking tot verlenging van de ophouding van eiser op grond van het vierde lid van artikel 50 Vw 2000 (de zogeheten M111-D), is deze beslissing genomen drie kwartier na aanvang van de ophouding op grond van het tweede lid van artikel 50.

2.7. In het onderhavige geval heeft verweerder derhalve gebruik gemaakt van deze bevoegdheid, terwijl het onderzoek naar eisers identiteit en nationaliteit nog amper een aanvang had genomen. Nu in de beslissing - anders dan door aankruising van de ‘standaard’gronden dat de identiteit en nationaliteit nog niet is vastgesteld en dat het onderzoek naar de verblijfsrechtelijke status van de vreemdeling nog niet is afgerond - niet specifiek is gemotiveerd en anderszins ook niet is gebleken waarom van deze bevoegdheid toen al gebruik is gemaakt, oordeelt de rechtbank dat sprake is van oneigenlijke gebruikmaking van deze bevoegdheid. De rechtbank ziet zich in haar oordeel gesteund door de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, zittinghoudende te Assen, van 9 februari 2004 (LJN: AO3828, JV 2004, 220).

2.8. De rechtbank is derhalve van oordeel dat door het oneigenlijk gebruik van de door de Vw 2000 aan verweerder toegekende bevoegdheid tot verlenging van de ophouding de daarop volgende maatregel van bewaring van meet af onrechtmatig moet worden geacht.

2.9. De rechtbank acht termen aanwezig om eiser schadevergoeding toe te kennen. Eiser komt over de periode van 10 juli 2008 tot 25 juli 2008 (15 dagen) schadevergoeding toe. Uitgangspunt bij de vaststelling van de schadevergoeding vormt de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak betreffende de vergoeding van immateriële schade bij inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, die uitgaat van een schadevergoeding van EUR 95,= voor elke dag die in een politiecel is doorgebracht en van EUR 70,= voor elke dag die in een huis van bewaring is doorgebracht. In totaal bedraagt de schadevergoeding 4 x EUR 95,= en 11 x EUR 70,= is EUR 1150,=.

2.10. Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op in totaal EUR 644,= voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand welk bedrag is opgebouwd uit:

- 1 punt voor het indienen van het beroepschrift;

- 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

- waarde per punt EUR 322,=;

- wegingsfactor 1.

2.11. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

2.12. Mitsdien wordt beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming ex artikel 59 van de Vw 2000 van eiser met ingang van 25 juli 2008;

wijst het verzoek om schadevergoeding toe, ten laste van de Staat der Nederlanden, ten bedrage van EUR 1150,=;

bepaalt dat de uitbetaling geschiedt door de griffier van de rechtbank;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op EUR 644,=, te vergoeden door de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. drs. E.J. Govaers in tegenwoordigheid van mr. I.H. Verzijl als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2008.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van

EUR 1150,= (ZEGGE; ELFHONDERD EN VIJFTIG EURO)

Aldus gedaan op 25 juli 2008 door mr. drs. E.J. Govaers.

Afschrift verzonden: 25 juli 2008

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 16113

2500 BC ’s Gravenhage

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.