Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD8793

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-07-2008
Datum publicatie
29-07-2008
Zaaknummer
AWB 08/13266
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring / opschorten rechtsgevolgen / Afdeling 14-03-08

Niet is in geschil dat verbod op uitzetting moet worden toegewezen. In geschil is of de voorlopige voorziening dient te worden getroffen dat de rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring worden opgeschort tot vier weken nadat op het bezwaarschrift is beslist. Beide partijen verwijzen naar de Afdelingsuitspraak van 14 maart 2008 (JV 2008, 178). (LJN: BC7784)

De Afdeling heeft zich in deze uitspraak niet uitgelaten over de vraag of de voorzieningenrechter de strafrechtelijke rechtsgevolgen van een ongewenstverklaring kan schorsen. De zinsnede dat de getroffen voorziening uitsluitend geacht kan worden te strekken tot tijdelijke schorsing van de mogelijkheid om de vreemdeling uit te zetten, leest de rechter in samenhang met het oordeel van de Afdeling dat een voorziening die de rechtsgevolgen van een besluit tot ongewenstverklaring schorst, niet tot gevolg heeft dat de vreemdeling over een verblijfsvergunning kan beschikken. Voorkomen moet worden dat een vreemdeling komt te verkeren in de situatie dat de rechter zijn uitzetting heeft verboden, maar zijn aldus gedoogde verblijf in Nederland strafbaar is. Schorsing van de strafrechtelijke rechtsgevolgen die kleven aan een besluit tot ongewenstverklaring kan die situatie voorkomen. Verzoeker heeft daarom belang bij een beoordeling van het verzoek. Vaststaat dat verweerder verzoeker zal gaan horen over zijn bezwaren inzake de ongewenstverklaring. De rechter kan dan ook vooralsnog niet de vraag beantwoorden of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Gelet daarop, en nu wordt bepaald dat verweerder wordt gelast uitzetting van verzoeker achterwege te laten totdat op zijn bezwaar is beslist, acht de voorzieningenrechter het, bij afweging van de betrokken belangen, aangewezen de werking van het besluit tot ongewenstverklaring op te schorten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht, Voorzieningenrechter

Registratienummer: Awb 08/13266

Uitspraak in het geding tussen:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1988,

van Surinaamse nationaliteit,

IND dossiernummer 9007.26.0166, verzoeker,

gemachtigde mr. F.S. van Nierop, advocaat te Utrecht;

en

De Staatssecretaris van Justitie,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. S. van Willigen,

ambtenaar ten departemente, verweerder.

1. Procesverloop

Op 27 april 2006 heeft eiser een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘beperking conform beschikking Minister’ ingediend. Bij besluit van 13 november 2006, bekendgemaakt op 24 januari 2007, heeft verweerder de aanvraag afgewezen en is eiser ongewenst verklaard.

Op 25 januari 2007 heeft eiser daartegen bezwaar gemaakt. Bij brief van 6 september 2007 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.

Bij besluit van 16 oktober 2007 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 april 2008 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het primaire besluit van 13 november 2006 tot afwijzing van zijn aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘beperking conform beschikking Minister’.

Het beroep is gegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het primaire besluit tot ongewenstverklaring van 13 november 2006.

Bij verzoek van 15 april 2008 heeft eiser verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten totdat in bezwaar is beslist en de rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring op te schorten tot vier weken nadat op het bezwaarschrift is beslist. Het verzoek is voorzien van gronden bij brief van 22 april 2008.

Bij brief van 2 juli 2008 heeft verweerder verzocht om aanhouding. Bij brief van 3 juli 2008 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen.

Bij brief van 8 juli 2008 heeft verweerder medegedeeld geen bezwaar te hebben tegen toewijzing van het verzoek een voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten totdat in bezwaar is beslist.

Het verzoek is ter zitting van 11 juli 2008 behandeld. Verzoeker is vertegenwoordigd door de gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1 De voorzieningenrechter stelt vast dat wordt voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.2 De voorzieningenrechter stelt vast dat zowel verzoeker als verweerder hebben verzocht het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen voor zover het gericht is tegen de uitzetting van verzoeker totdat op het bezwaar is beslist. Nu voorts geen sprake is van een voorschrift van openbare orde op grond waarvan de voorzieningenrechter het verzoek in weerwil van hetgeen partijen wensen zou moeten afwijzen, komt het verzoek in zoverre voor toewijzing in aanmerking.

2.3 In geschil is de vraag of de voorlopige voorziening dient te worden getroffen dat de rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring worden opgeschort tot vier weken nadat op het bezwaarschrift is beslist. Beide partijen hebben ter onderbouwing van hun standpunt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 14 maart 2008 (JV 2008, 178).

2.4 In de uitspraak van 14 maart 2008 heeft de Afdeling het volgende overwogen:

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 juli 2006 in zaak nr. 200510434/1; JV 2006/347) heeft een vreemdeling geen belang bij een beroep tegen een besluit over een aanvraag tot verlening of verlenging van een verblijfsvergunning, dan wel intrekking daarvan, zolang deze ongewenst is verklaard, omdat dit beroep nimmer tot rechtmatig verblijf kan leiden. Een ongewenst verklaarde vreemdeling kan in afwijking van artikel 8 van de Vw 2000 immers geen rechtmatig verblijf hebben. Belang bij toetsing in rechte van een afwijzing van een aanvraag tot verlening of verlenging van een verblijfsvergunning, dan wel intrekking van zodanige vergunning, is bij samenloop daarvan met een besluit, waarbij een vreemdeling ongewenst is verklaard, eerst aan de orde, indien dat laatste besluit wordt vernietigd of ingetrokken, dan wel de ongewenstverklaring wordt opgeheven.

De ongewenstverklaring duurde ten tijde hier van belang voort. De vreemdeling had derhalve geen belang bij het door hem tegen de afwijzing van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingestelde beroep. Dat de voorzieningenrechter van de rechtbank bij wijze van voorlopige voorziening de rechtsgevolgen van het besluit tot ongewenstverklaring van de vreemdeling heeft geschorst, betekent niet dat de vreemdeling over een verblijfsvergunning kan beschikken. Gelet op de aard en strekking van een ongewenstverklaring kan de getroffen voorziening uitsluitend geacht worden te strekken tot tijdelijke schorsing van de mogelijkheid om de vreemdeling uit te zetten. Nu de vreemdeling geen belang had bij het door hem ingestelde beroep, had de rechtbank dat om die reden niet-ontvankelijk moeten verklaren. Zij heeft dan ten onrechte niet gedaan.

2.5 De Afdeling heeft zich in deze uitspraak niet uitgelaten over de vraag of de voorzieningenrechter de strafrechtelijke rechtsgevolgen van een ongewenstverklaring kan schorsen. De zinsnede dat de getroffen voorziening uitsluitend geacht kan worden te strekken tot tijdelijke schorsing van de mogelijkheid om de vreemdeling uit te zetten, leest de rechter in samenhang met het oordeel van de Afdeling dat een voorziening die de rechtsgevolgen van een besluit tot ongewenstverklaring schorst, niet tot gevolg heeft dat de vreemdeling over een verblijfsvergunning kan beschikken.

Voorkomen moet worden dat een vreemdeling komt te verkeren in de situatie dat de rechter zijn uitzetting heeft verboden, maar zijn aldus gedoogde verblijf in Nederland strafbaar is. Schorsing van de strafrechtelijke rechtsgevolgen die kleven aan een besluit tot ongewenstverklaring kan die situatie voorkomen. Verzoeker heeft daarom belang bij een beoordeling van het verzoek.

2.6 Vaststaat dat verweerder verzoeker zal gaan horen over zijn bezwaren inzake de ongewenstverklaring. De rechter kan dan ook vooralsnog niet de vraag beantwoorden of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Gelet daarop, en nu wordt bepaald dat verweerder wordt gelast uitzetting van verzoeker achterwege te laten totdat op zijn bezwaar is beslist, acht de voorzieningenrechter het, bij afweging van de betrokken belangen, aangewezen de werking van het besluit tot ongewenstverklaring op te schorten.

2.7 Het verzoek wordt toegewezen.

2.8 Hetgeen verzoeker voor het overige heeft aangevoerd, behoeft, gelet op de toewijzing van de voorlopige voorziening, geen nadere bespreking.

2.9 Er bestaat aanleiding voor veroordeling van verweerder in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter

- treft de voorlopige voorziening dat de beslissing op bezwaar in Nederland mag worden afgewacht;

- bepaalt dat de strafrechtelijke rechtsgevolgen van het besluit tot ongewenstverklaring van 27 april 2006 worden opgeschort tot vier weken nadat is beslist op het bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan verzoeker dient te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden aan verzoeker het griffierecht ad € 145,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Steendijk en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van K.M.C. van Middelkoop als griffier, op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.