Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD8790

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-07-2008
Datum publicatie
29-07-2008
Zaaknummer
AWB 07/47332
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verblijfsvergunning regulier / wijziging beperking / informatieplicht verweerder / mvv / hardheidsclausule

Onder verwijzing naar de Afdelingsuitspraak van 22 februari 2008 (LJN BC5889) is de rechtbank van oordeel dat verweerder weliswaar kan worden gevolgd in het standpunt dat eiser na beëindiging van de relatie met C zijn verblijfsdoel diende op te geven. Het was echter niet de eigen verantwoordelijkheid van eiser om een aanvraag in te dienen onder de juiste beperking. Verweerder heeft niet de stelling van eiser weersproken dat hij er niet op is gewezen dat hij een aanvraag kan indienen onder de beperking ‘voortgezet verblijf’. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder eiser hier wel op moeten wijzen.

De rechtbank stelt vast dat verweerder niet heeft betwist dat indien eiser in 1998 een aanvraag had ingediend voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’, hij wellicht een dergelijke verblijfsvergunning had gekregen.

Aan verweerder kan worden toegegeven dat eiser eerder, bijvoorbeeld naar aanleiding van de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ had kunnen aangeven dat hij in 1999 al in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’. Het gaat echter te ver om eiser tegen te werpen dat hij een omissie van verweerder niet eerder heeft onderkend. Eiser heeft nog voor de uitspraak op het beroep van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 28 september 2006 een nieuwe aanvraag ingediend om wijziging van de beperking van ‘arbeid in loondienst’ in de beperking ‘verblijf bij partner H’. Het bovenstaande in samenhang gezien met het feit dat eiser al zeer lang in Nederland verblijft - waarvan een periode van tien jaar in het bezit van een verblijfsvergunning - en het vragen van een mvv in zijn land van herkomst grote gevolgen heeft voor de relatie met zijn zoontje en voor zijn eigen bedrijf, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eiser niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken

Registratienummer: Awb 07/47332

Uitspraak in het geding tussen:

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1966,

van Nigeriaanse nationaliteit,

IND dossiernummer 9908.04.8014, eiser,

gemachtigde mr. L. Louwerse, advocaat te Utrecht;

en

De Staatssecretaris van Justitie,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. S. van Willigen,

ambtenaar ten departemente, verweerder.

1. Procesverloop

Op 20 september 2006 heeft eiser een aanvraag ingediend om wijziging van de beperking van zijn verblijfsvergunning regulier van ‘arbeid in loondienst’ in de beperking ‘verblijf bij partner [partner 1]’.

Op 4 december 2006 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘uitoefenen van gezinsleven op grond van artikel 8 EVRM met [zoon]’.

Bij besluiten van 20 april 2007 heeft verweerder de aanvragen afgewezen.

Tegen deze besluiten is op 24 april 2007 bezwaar gemaakt.

Op 1 augustus 2007 is eiser gehoord door een ambtelijke commissie.

Bij besluit van 14 december 2007 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Bij brief van 18 december 2007 is daartegen beroep ingesteld. Het beroep is voorzien van gronden bij brief van 28 december 2007.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is ter zitting van 11 juli 2008 behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1 Verweerder heeft de bezwaren ongegrond verklaard, omdat eiser niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).

2.2 Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld

in artikel 14 Vw 2000 kan worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd (mvv-vereiste). Artikel 3.71, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) bepaalt dat een dergelijke aanvraag in dat geval wordt afgewezen.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, Vw 2000 en artikel 3.71, tweede lid, Vb 2000 is een aantal categorieën vreemdelingen vrijgesteld van het vereiste van het beschikken over een geldige mvv. Voorts kan verweerder, ingevolge het vierde lid van artikel 3.71 Vb 2000, het mvv-vereiste buiten toepassing laten voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

2.3 Het geschil is beperkt tot de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen weigeren de hardheidsclausule van artikel 3.71, vierde lid, Vb 2000 toe te passen.

2.4 De wetgever heeft beoogd dat verweerder alleen in zeer bijzondere, individuele gevallen zal afzien van het tegenwerpen van het mvv-vereiste. Gelet op de discretionaire bevoegdheid van verweerder om de hardheidsclausule toe te passen dient de rechtbank zich bij haar toetsing terughoudend op te stellen.

2.5 De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van het volgende.

Eiser is op 15 november 1994 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij Nederlandse relatie [partner 2]’. Deze verblijfsvergunning is laatstelijk verlengd tot 21 december 1998.

Op [geboortedatum] 1999 is hun zoontje [zoon] geboren.

Eiser is op 22 januari 1999 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid in loondienst’. Deze vergunning is laatstelijk verlengd tot 10 september 2004.

Eiser heeft op 6 oktober 2004 een aanvraag ingediend om wijziging van de beperking van zijn verblijfsvergunning in ‘arbeid als zelfstandige’. Bij besluit van 10 januari 2006 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Bij besluit van 3 april 2006 heeft verweerder het daartegen ingediende bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 28 september 2006 heeft deze rechtbank en nevenzittingsplaats het daartegen ingediende beroep ongegrond verklaard.

Op 4 oktober 2006 heeft mevrouw [partner 1] verzocht om een advies inzake de afgifte van een mvv aan eiser voor het doel ‘verblijf bij partner’. Op 4 december 2006 is een negatief advies uitgebracht door de Visadienst.

Vervolgens heeft eiser de aanvragen ingediend die hebben geleid tot onderhavige procedure.

2.6 Eiser heeft gesteld dat hij na het einde van de relatie met mevrouw [partner 2] verblijf in Nederland wenste bij zijn kind en om arbeid te verrichten. Daarom heeft eiser op het aanvraagformulier aangekruist dat hij arbeid wilde verrichten in Nederland. Verweerder had uit het aanvraagformulier moeten opmaken dat hij eigenlijk in aanmerking zou komen voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ en hem door de juiste informatievoorziening daarop behoren te wijzen. Indien eiser in het bezit was gesteld van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ dan was niet van belang geweest welk werk hij verrichte of met wie hij een relatie had, zodat hij nu niet in de situatie was komen te verkeren dat hij een mvv moet gaan halen in Nigeria. Volgens eiser vormt deze omstandigheid een onbillijkheid van overwegende aard.

Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de eigen verantwoordelijkheid is van een vreemdeling om een verblijfsvergunning met het juiste verblijfsdoel aan te vragen. Het is dan ook geheel voor rekening en risico voor eiser om daarover tijdig deskundig advies in te winnen. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat eiser al eerder had kunnen aanvoeren dat hij niet op de juiste wijze is voorgelicht.

2.7 De ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 aan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verbinden beperking betreft een specifiek doel, waarvoor of in verband waarmee een vreemdeling wordt toegelaten. Een vreemdeling dient bij zijn aanvraag het verblijfsdoel, dat wil zeggen het doel waarvoor of in verband waarmee hij in Nederland wenst te verblijven, gespecificeerd op te geven, opdat onderzocht kan worden of een en, zo ja, welke aan de verblijfsvergunning te verbinden beperking van toepassing is. Aldus komt vast te staan, aan welke vereisten voor vergunningverlening moet worden voldaan.

In de uitspraak van 22 februari 2008 (LJN BC5889) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat uit de toepasselijke wettelijke voorschriften op zichzelf niet volgt dat een vreemdeling bij zijn aanvraag, behalve het specifieke verblijfsdoel, ook de beperking op basis waarvan hij verblijf beoogt dient op te geven. Het is immers aan verweerder om naar aanleiding van het door een vreemdeling opgegeven specifieke verblijfsdoel te bepalen welke aan de verblijfsvergunning te verbinden beperking van toepassing is.

2.8 Onder verwijzing naar deze uitspraak van de Afdeling is de rechtbank van oordeel dat verweerder weliswaar kan worden gevolgd in het standpunt dat eiser na beëindiging van de relatie met [partner 2] zijn verblijfsdoel diende op te geven. Het was echter niet de eigen verantwoordelijkheid van eiser om een aanvraag in te dienen onder de juiste beperking. Verweerder heeft niet de stelling van eiser weersproken dat hij er niet op is gewezen dat hij een aanvraag kan indienen onder de beperking ‘voortgezet verblijf’. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder eiser hier wel op moeten wijzen.

De rechtbank stelt vast dat verweerder niet heeft betwist dat indien eiser in 1998 een aanvraag had ingediend voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’, hij wellicht een dergelijke verblijfsvergunning had gekregen.

Aan verweerder kan worden toegegeven dat eiser eerder, bijvoorbeeld naar aanleiding van de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ had kunnen aangeven dat hij in 1999 al in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’. Het gaat echter te ver om eiser tegen te werpen dat hij een omissie van verweerder niet eerder heeft onderkend.

Eiser heeft nog voor de uitspraak op het beroep van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 28 september 2006 een nieuwe aanvraag ingediend om wijziging van de beperking van ‘arbeid in loondienst’ in de beperking ‘verblijf bij partner [partner 1]’.

2.9 Het bovenstaande in samenhang gezien met het feit dat eiser al zeer lang in Nederland verblijft - waarvan een periode van tien jaar in het bezit van een verblijfsvergunning - en het vragen van een mvv in zijn land van herkomst grote gevolgen heeft voor de relatie met zijn zoontje en voor zijn eigen bedrijf, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eiser niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Daarom is het beroep gegrond.

2.10 Er bestaat aanleiding voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 14 december 2007;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op de bezwaren dient te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank dient te voldoen.

- gelast dat de Staat der Nederlanden het griffierecht ad € 143,-- aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Steendijk en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van K.M.C. van Middelkoop als griffier, op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.