Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD8752

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-05-2008
Datum publicatie
28-07-2008
Zaaknummer
AWB 07/2876 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Maatregel bijstand ivm ernstige misdraging: bedreiging van medewerker Sociale Dienst via CIW medewerker. Op grond van gespreksaantekening, niet-consistente verklaring eiser, aangifte door medewerkster SD en ondertekende verklaring van CWI medewerker acht rechtbank voldoende aannamelijk dat eiser zich ernstig heeft misdragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 07/2876 WWB

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 20 december 2006 heeft verweerder aan eiser een maatregel opgelegd, die inhoudt dat met ingang van 4 januari 2007 zijn uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) voor de duur van één maand met vijftig procent zal worden verlaagd.

Bij besluit van 2 april 2007, verzonden op gelijke datum, heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie Gouda van 16 maart 2007, het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 19 april 2007, ingekomen bij de rechtbank op 20 april 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Bij brief van 5 maart 2008, door de rechtbank ontvangen op 6 maart 2008, heeft verweerder tevens een verklaring overgelegd van [B.]

Het beroep is op 21 maart 2008 ter zitting behandeld. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde mr. W.G. Poiesz, advocaat te Gouda.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [...]

Motivering

Eiser ontving sinds 4 december 2006 een uitkering ingevolge de WWB naar de norm voor een alleenstaande.

Bij besluit van 20 december 2006 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser over de periode van 4 januari 2007 tot en met 3 februari 2007 met 50 procent verlaagd op grond van het feit dat eiser zich zeer ernstig heeft misdragen tegenover het college of zijn ambtenaren. Deze ernstige misdraging bestond er volgens verweerder uit dat eiser op 14 december 2006 mevrouw [A.], inkomensconsulent bij de Gemeente Gouda, verbaal heeft bedreigd door in een gesprek met de heer [B.], medewerker van het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI), te zeggen dat wanneer hij mevrouw [A.] van de gemeente Gouda weer te spreken zou krijgen, hij haar zou gaan ‘vermoorden’.

Eiser ontkent zich op 14 december 2006 ernstig te hebben misdragen. Volgens eiser is geen sprake geweest van (verbale) bedreiging nu hij tijdens de intake heeft gezegd dat mevrouw [A.] wat hem betreft kon doodvallen. Voorts heeft eiser in beroep aangevoerd dat in het onderhavige geval de strafrechter en de bestuursrechter materieel dezelfde rechtsvraag dienen te beantwoorden en dat het gelet hierop onjuist is als de bestuursrechter een ander oordeel velt dan de strafrechter, die eiser heeft vrijgesproken nadat door mevrouw [A.] terzake bij de politie Hollands-Midden op

21 december 2006 aangifte was gedaan van bedreiging met de dood als bedoeld in artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt dat indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit deze wet dan wel de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, het college overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, de bijstand verlaagt. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Op 1 januari 2006 is de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Gouda 2006 (Afstemmingsverordening) in werking getreden.

Artikel 12 van de Afstemmingsverordening bepaalt dat ten aanzien van gedragingen van belanghebbenden waarmee deze zich zeer ernstig misdragen tegenover het college of zijn ambtenaren, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van deze wet, onder meer de volgende categorieën worden onderscheiden:

tweede categorie:

intimidatie (uitoefenen van psychische druk).

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, van de Afstemmingsverordening wordt, onverminderd artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening de verlaging bij gedragingen van de tweede categorie vastgesteld op vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.

Onder verlaging wegens het zich jegens het college zeer ernstig misdragen als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de WWB moet worden verstaan diverse vormen van agressie, zij het dat sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag jegens het college of zijn ambtenaren dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd (zie Kamerstukken II, 2002–2003, 28 870, nr. 3, p. 48). De Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) heeft in zijn uitspraak van 31 december 2007 (LJN BC1811) geoordeeld dat een dergelijke verlaging dient te worden aangemerkt als een punitieve (bestraffende) sanctie. Op verweerder rust blijkens deze uitspraak van de CRvB de bewijslast om voldoende aannemelijk te maken dat van agressie in de zin van deze bepaling sprake is geweest.

De rechtbank is, anders dan eiser heeft betoogd, mede gelet op deze uitspraak van CRvB van oordeel dat de bestuursrechter een andere rechtsvraag dient te beantwoorden dan de strafrechter die gebonden is aan de in het strafrecht geldende bewijsregel van artikel 338 van het Wetboek van Strafvordering op grond waarvan een feit slechts bewezen mag worden verklaard indien hetgeen de verdachte bij dagvaarding is ten laste gelegd wettig en overtuigend is bewezen.

De rechtbank is in het onderhavige geval van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser zich op 14 december 2006 schuldig heeft gemaakt aan een zeer ernstige misdraging als bedoeld in artikel 12 van de Afstemmingsverordening, te weten intimidatie (uitoefenen van psychische druk).

De rechtbank acht voor dit oordeel van belang dat eiser over het gesprek niet eenduidig heeft verklaard. Eiser heeft zijn aanvankelijke gehele ontkenning gewijzigd in het standpunt dat hij heeft gezegd dat mevrouw [A.] wat hem betreft kon doodvallen. Voorts acht de rechtbank van betekenis dat [B.] na afloop van het gesprek nog dezelfde dag in het computersysteem een aantekening heeft gemaakt die inhoudt dat eiser tijdens dat gesprek heeft gezegd dat “wanneer hij mevrouw [A.] van de gemeente Gouda weer te spreken zou krijgen hij haar zou gaan ‘vermoorden’”. [B.] heeft dit tevens persoonlijk doorgegeven aan mevrouw [A.] die hiervan een week later een gelijkluidende aangifte bij de politie heeft gedaan. [B.] heeft bovendien in een ondertekende verklaring van 4 maart 2008 herhaald dat eiser deze bewoordingen heeft gebruikt. Deze uitlatingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank als bedreigend en intimiderend voor de betrokken medewerker worden aangemerkt, te meer daar mevrouw [A.], blijkens haar aangifte bij de politie, eiser in het verleden al eens wegens agressief gedrag het kantoor van de Sociale Dienst heeft uitgezet.

Van omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de gedraging niet aan eiser kan worden verweten, is de rechtbank niet gebleken.

Niet gebleken is voorts van feiten en omstandigheden op grond waarvan moet worden vastgesteld dat verweerder in de gegeven situatie niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot verlaging gebruik had mogen maken.

Het beroep is derhalve ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank ’s-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. C.F. de Lemos Benvindo en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2008, in tegenwoordigheid van de griffier A. Jansen.