Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD8731

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-05-2008
Datum publicatie
28-07-2008
Zaaknummer
AWB 07/3428 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat de regeling dat personen die op 1 oktober 2004 een WAO-uitkering hadden en na 1 juli 1959 zijn geboren worden herbeoordeeld op grond van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (zoals dat luidt per 1 oktober 2004) geen ongeoorloofd onderscheid naar leeftijd inhoudt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 07/3428 WAO

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats],

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 12 oktober 2006 heeft verweerder de uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van eiseres met ingang van 12 december 2006 ingetrokken, op de grond dat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.

Bij besluit van 2 april 2007, verzonden op gelijke datum, heeft verweerder het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 11 mei 2007, ingekomen bij de rechtbank op 14 mei 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 21 februari 2008 ter zitting behandeld. Namens eiseres is haar [echtgenoot], als gemachtigde verschenen. Verweerder is niet verschenen.

De rechtbank heeft het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

Partijen hebben toestemming verleend voor het achterwege laten van een nadere zitting.

Motivering

Eiseres, geboren op [datum] 1962, ontving sinds 5 februari 1999 een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 %.

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiseres op 12 december 2006, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de voor haar geselecteerde functies. Vergelijking van de mediane loonwaarde van die functies ten bedrage van € 13,50 met het maatmanloon ten bedrage van € 12,57 levert geen verlies aan verdiencapaciteit op zodat verweerder eiseres voor minder dan 15% arbeidsongeschikt acht en zij op grond daarvan geen recht meer heeft op een WAO-uitkering.

Eiseres heeft als formele grond aangevoerd dat verweerder in het verslag van de hoorzitting op 8 februari 2007 ten onrechte geen melding heeft gemaakt van de door eiseres naar voren gebrachte bezwaargrond dat verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan een ongerechtvaardigd onderscheid naar leeftijd.

Ingevolge artikel 7:7 van de Awb dient van de hoorzitting een verslag te worden gemaakt. Een nadere precisering van hetgeen een verslag moet inhouden ontbreekt in deze bepaling. Het ligt in de rede dat in het verslag in elk geval een beknopte, zakelijke vermelding opgenomen dient te worden van hetgeen op de hoorzitting aan de orde is geweest. Verweerder heeft erkend dat de door eiseres genoemde bezwaargrond met betrekking tot het ongerechtvaardigde onderscheid op de hoorzitting aan de orde is geweest. Vaststaat dat in het verslag van de hoorzitting hiervan geen melding is gemaakt. Hierom voldoet het verslag in zoverre niet aan de eisen die daaraan redelijkerwijs mogen worden gesteld. Nu eiseres deze grond in beroep opnieuw aan de orde heeft gesteld, is eiseres door deze omissie in het verslag echter niet in haar processuele belangen geschaad. Hierin is dan ook geen grond gelegen voor vernietiging van het thans bestreden besluit.

Eiseres heeft voorts aangevoerd dat verweerder ook in het bestreden besluit van 2 april 2007 ten onrechte bovengenoemde grond onbesproken heeft gelaten. Verweerder heeft hier tegen aangevoerd dat deze grond op de hoorzitting van 8 februari 2007 weliswaar is besproken, maar dat hij deze verder buiten beschouwing heeft gelaten omdat deze grond niet van invloed kon zijn op de beslissing in bezwaar. De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 7:12, eerste lid, van de Awb dient een beslissing op bezwaar te berusten op een deugdelijke motivering. Nu uit de beslissing op bezwaar van 2 april 2007 blijkt dat verweerder de door eiseres genoemde grond onbesproken heeft gelaten, terwijl vast staat dat deze bezwaargrond wel aan de orde is geweest tijdens de hoorzitting, is het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb genomen.

Eiseres heeft de grond dat verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan een ongerechtvaardigd onderscheid naar leeftijd eveneens inhoudelijk aan haar beroep ten grondslag gelegd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat ingevolge artikel 34, vierde lid, van de WAO een verplichte eenmalige herbeoordeling heeft plaatsgevonden van haar mate van arbeidsongeschiktheid. Omdat zij op 1 juli 2004 jonger was dan 45 jaar heeft deze herkeuring conform artikel 12a van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (hierna: Schattingsbesluit) aan de hand van de in dat gewijzigde besluit vastgestelde nieuwe (en strengere) keuringseisen plaatsgevonden. Ten aanzien van WAO-gerechtigden die op 1 juli 2004 wel ouder waren dan 45 jaar gelden bij de herkeuring ingevolge dit artikel de oude, minder stringente keuringseisen. Volgens eiseres is dit een ongerechtvaardigd onderscheid op grond van leeftijd en derhalve een schending van het discriminatieverbod, zoals neergelegd in artikel 1 van de Grondwet, artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Vooropgesteld wordt dat in artikel 12a van het Schattingsbesluit een onderscheid wordt gemaakt op grond van leeftijd. Ingevolge het eerste lid van dit artikel, zoals dit luidt vanaf 22 februari 2007, blijven – kort gezegd – de maatstaven van het ‘oude’ Schattingsbesluit, zoals dit luidde tot 1 oktober 2004, van toepassing op degenen die op 1 oktober 2004 reeds een WAO-uitkering hadden en voor of op 1 juli 1959 zijn geboren. Aangezien eiseres na die datum is geboren is zij bij de onderhavige herbeoordeling beoordeeld aan de hand van de maatstaven van het aangepaste Schattingsbesluit, zoals dat luidt met ingang van 1 oktober 2004. Deze maatstaven zijn in een aantal opzichten stringenter.

De rechtbank stelt verder vast dat dit onderscheid, nu het Schattingsbesluit een algemene maatregel van bestuur is, aan artikel 1 van de Grondwet getoetst kan worden en daarnaast aan voormelde verdragsbepalingen.

Een bepaling die een dergelijk onderscheid maakt is op grond van vaste jurisprudentie toegestaan indien het criterium op grond waarvan onderscheid wordt gemaakt berust op redelijke en objectieve gronden (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 juni 2001, LJN: AB3231). Aanvankelijk is in 2004 in het Schattingsbesluit de leeftijdsgrens in artikel 12a vastgesteld op 50 jaar. Blijkens de nota naar aanleiding van het verslag bij wetsontwerp 30198 (Kamerstukken Tweede Kamer, 2005-2006, 30198, nr. 6) is deze keuze gelegen in het gegeven dat een herbeoordeling van arbeidsongeschikten van 50 jaar en ouder niet zinvol zou zijn omdat de kans dat zij weer arbeidsgeschikt zijn en aan de slag komen gering is. Dit wordt bij de leeftijdsgroep van ouder dan 50 jaar veroorzaakt door hun leeftijd in combinatie met (meestal) een langere uitkeringsduur. Daardoor is er bij hen sprake van een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. In 2007 is in het Coalitieakkoord afgesproken om de leeftijdsgrens van degenen die in het kader van de eenmalige herbeoordelingsoperatie worden herbeoordeeld op basis van het aangepaste Schattingsbesluit te verlagen van 50 naar 45 jaar. Hiertoe is artikel 12a van het Schattingsbesluit aldus gewijzigd (Stb. 2007, 324). De leeftijd van 45 jaar hangt blijkens de Nota van toelichting bij deze wijziging samen met het algemene gegeven dat oudere arbeidsongeschikten die langer met een uitkering uit het arbeidsproces zijn, een slechtere arbeidsmarktpositie hebben.

Naar het oordeel van de rechtbank is, ondanks het feit dat het trekken van een exacte leeftijdsgrens onvermijdelijk arbitrair is, in het voorgaande een redelijke en objectieve rechtvaardiging gelegen om een onderscheid op grond van leeftijd, zoals is opgenomen in artikel 12a van het Schattingsbesluit, te rechtvaardigen. De opvatting van eiseres dat de leeftijdsgrens van 45 jaar willekeurig is gekozen, deelt de rechtbank, gelet op bovenstaande motivering van deze grens, met een beroep op de wetsgeschiedenis niet.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiseres door de verzekeringsarts op 16 mei 2006 is onderzocht. Tevens heeft deze arts, alvorens een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op te stellen, dossierstudie verricht. De bezwaarverzekeringsarts heeft aan de hand van de door eiseres naar voren gebrachte medische bezwaren de bevindingen van de verzekeringsarts beoordeeld. Tijdens de hoorzitting op 8 februari 2007 heeft de bezwaarverzekeringsarts eiseres gezien en haar daarna lichamelijk onderzocht op het gebied van de rechterhand, -arm, en -schouderfunctie. Tevens heeft deze arts informatie ingewonnen bij de internist van eiseres, E.V. Planken. Voorts wordt in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts melding gemaakt van de inhoud van de aan de verzekeringsarts gestuurde brief van 7 juni 2006 van huisarts J.A.H. Eekhof. De bezwaarverzekeringsarts is vervolgens tot de conclusie gekomen dat met de beperkingen van eiseres in de FML voldoende rekening is gehouden.

Eiseres heeft aangevoerd dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekerings-arts de ernst van haar aandoeningen en kwalen, in elk geval voor wat betreft het geconstateerde scleroedeem en de bewegingsbeperkingen aan de linkerarm, in de FML hebben onderschat, terwijl deze aandoeningen vanaf het moment dat aan eiseres de WAO-uitkering werd verstrekt niet zijn afgenomen maar zelfs in de loop der jaren zijn verergerd. De rechtbank overweegt als volgt. De verzekeringsarts heeft geconstateerd dat er bij eiseres sprake is van:

- rouwreactie, verwerkingsproblematiek (rond haar klachten en hetgeen gebeurd is bij haar bevalling en daarna);

- diabetes mellitus (met overige complicaties), polyneuropathie;

- overige aandoeningen van huid en subcutis, bindweefselziekte;

- neuralgie, rechterhand;

- hypertensie;

- gedeeltelijke hypofyse-uitval waarvoor schildklierhormoonsubstitutie.

De verzekeringsarts heeft bij haar onderzoek vastgesteld dat door deze aandoeningen voor eiseres ten aanzien van werken een aantal beperkingen bestaat, maar dat er desondanks bij eiseres wel duurzaam benutbare mogelijkheden zijn tot het verrichten van arbeid. Zij heeft geconcludeerd dat eiseres belastbaar te achten is voor arbeid waarbij rekening wordt gehouden met haar beperkingen ten aanzien van zware mentale en fysieke arbeid. Uit de FML blijkt dat de verzekeringsarts voor eiseres op tal van punten beperkingen heeft aangenomen in verband met de aandoeningen van eiseres.

Eiseres heeft voorts aangevoerd dat, hoewel de bezwaarverzekeringsarts in zijn beoordeling informatie heeft betrokken afkomstig van de brief van 30 januari 2007 van de internist van eiseres, E.V. Planken, uit een andere aan haar gerichte brief van 7 mei 2007 van deze internist blijkt dat de internist wel degelijk op medische aandoeningen terug te voeren beperkingen in de belastbaarheid ziet. In deze brief maakt de internist melding van een atrofie van de kleine handspieren, terwijl de bezwaarverzekeringsarts de beperkingen in de rechterhand van eiseres bagatelliseert door te stellen dat links dominant is ten opzichte van rechts en dat er een licht discreet verschil in handkracht is tussen links en rechts, waarbij rechts is verminderd. Deze brief is niet in de onderzoeken van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts betrokken. Eiseres heeft deze brief van de internist van 7 mei 2007 in beroep overgelegd. Verweerder heeft zich in dit verband in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat de inhoud van deze brief van de internist overeenkomt met de inhoud van de brief van de internist van 30 januari 2007. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van verweerder. Uit de brief van 7 mei 2007 blijkt niet dat de internist onderzoek heeft gedaan naar de functie van de rechterhand van eiseres en in deze brief wordt niets gezegd over de mate waarin eiseres beperkingen ondervindt aan haar rechterhand. Beide verzekeringsartsen hebben hiernaar wel onderzoek verricht en hebben voorts een aantal beperkingen in de FML opgenomen voor het gebruik van de rechterhand. Gelet hierop geeft het enkele feit dat in de brief van 7 mei 2007, anders dan in de brief van 30 januari 2007, wordt vermeldt dat eiseres wat atrofie aan de kleine handspieren rechts heeft, geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts.

Nu eiseres in beroep geen andere medische stukken dan de reeds genoemde brief van de internist van 7 mei 2007 in het geding heeft gebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om te oordelen dat het medische oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts niet juist is. Daarom acht de rechtbank het inwinnen van een medisch deskundigenadvies niet noodzakelijk. Dat een hormoondeskundige twee maanden voor de zitting bij eiseres heeft vastgesteld dat niet alleen haar hypofyse is beschadigd maar ook haar bijnier, zoals haar gemachtigde ter zitting heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden, nu deze enkele stelling onvoldoende aanknopingspunten biedt om te beoordelen of deze beschadiging ten tijde van de datum in geding al aanwezig was, terwijl voorts gesteld noch gebleken is dat door deze geclaimde aandoening méér beperkingen bij eiseres aangenomen zouden moeten worden dan de verzekeringsarts in de FML heeft gedaan.

Aan de hand van de FML is vervolgens de bezwaararbeidsdeskundige tot de conclusie gekomen dat eiseres niet geschikt is voor haar eigen werk. De rechtbank heeft geen grond deze conclusie voor onjuist te houden.

Aan de hand van de FML heeft de bezwaararbeidsdeskundige voor eiseres de functies telefonist, receptionist (sbc-code 315120), portier, toezichthouder (divers) (sbc-code 342021) en parkeercontroleur (sbc-code 342022) geschikt bevonden. Als reserve zijn de functies medewerker administratieve ondersteuning (sbc-code 211030), receptionist, baliemedewerker (sbc-code 315150) en boekhouder, loonadministrateur (beginnend) (sbc-code 315040) geselecteerd.

De rechtbank stelt vast dat de belastbaarheid van de drie eerstgenoemde geselecteerde functies past binnen de opgestelde FML. Voor zover sprake is van zogenoemde signaleringen (een M, een G of een *) is naar het oordeel van de rechtbank in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige afdoende gemotiveerd waarom deze geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van eiseres op de in geding zijnde datum. Wel is de rechtbank van oordeel dat, daar waar de bezwaararbeidsdeskundige ten aanzien van de binnen de sbc-code 342021 geduide functie van portier bij een fabrikant van lijm, as en gelatine in zijn rapportage heeft gesteld dat er bij een aantal van 90 bezoekende vrachtwagens en 10 andere bezoekers per dag geen sprake is van een overschrijding van de voor eiseres aangenomen beperking op het gebied van deadlines of productiepieken, dit een verboden relativering van de functiebelasting inhoudt. Dit heeft echter geen gevolgen voor de schatting. Naast deze functie resteren immers nog voldoende functies binnen dezelfde sbc-code 342021 waarvan de belastbaarheid wel past binnen de opgestelde FML en bovendien leidt uitsluiting van genoemde functie niet tot een ander arbeidsongeschiktheidspercentage, nu weliswaar bij uitsluiting van deze functie het mediane uurloon van € 13,50 naar € 12,30 wordt verlaagd (het gemiddelde van de lonen van de overige binnen sbc-code 342021 genoemde functies ten bedrage van € 13,50 en € 11,11), maar dit leidt bij het maatmanloon van eiseres van € 12,59 nog steeds niet tot een relevant verlies van verdiencapaciteit. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de geduide functies op goede gronden heeft gebruikt voor de schatting en eiseres was dan ook per 12 december 2006 in staat te achten de door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te verrichten.

Eiseres heeft tenslotte aangevoerd dat de loonwaarde van de geduide functie die op de mediaanwaarde ligt (portier sbc-code 342021) ten tijde van de initiële beslissing tot intrekking van de WAO-uitkering van eiseres € 11,11 bedroeg, terwijl deze ten tijde van de beslissing op bezwaar € 13,50 bedroeg. De rechtbank overweegt als volgt. De reden dat de loonwaarde van deze functie ten tijde van de beslissing op bezwaar hoger lag dan op het moment dat verweerder de uitkering van eiseres introk, ligt in het feit dat de arbeidsdeskundige binnen de sbc-code slechts de functie van suppoost had geselecteerd met een loonwaarde van € 11,11, terwijl de bezwaararbeids-deskundige naast die functie binnen dezelfde sbc-code ook nog de functie portier bij een blikemballageproducent heeft kunnen duiden met een loonwaarde van € 13,50.

Aangezien eiseres met het vervullen van de geselecteerde functies een zodanig inkomen kan verwerven dat in vergelijking met het maatmanloon het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedraagt, heeft verweerder terecht de uitkering van eiseres ingetrokken.

Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank het beroep van eiseres gegrond zal verklaren op grond van de omstandigheid dat verweerder het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb heeft genomen. Het bestreden besluit wordt om die reden vernietigd. Nu echter de rechtbank de door eiseres aangevoerde grond met betrekking tot het onderscheid op grond van leeftijd inhoudelijk heeft verworpen en de overige door eiseres aangevoerde beroepsgronden ook niet tot een andere beslissing kunnen leiden dan zoals het vernietigde besluit heeft geluid, zal de rechtbank bepalen dat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

Nu niet is gebleken van kosten die daarvoor in aanmerking komen, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank ’s-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 2 april 2007;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, te weten € 38,-, vergoedt.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. E. Dijt, mr. M.J. van den Bergh en mr. J.M. Ghrib, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2008, in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. Beukhof.