Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD8690

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-04-2008
Datum publicatie
28-07-2008
Zaaknummer
AWB 07/6940 WOW44
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag bouwvergunning voor de aanleg van een trap, loopbrug, steiger en meerpalen afgewezen.

In twee uitspraken van deze rechtbank van 7 februari 2007 met de registratienummers AWB 07/5093 WOW44 en AWB 07/5452 WOW44 is in soortgelijke gevallen als het onderhavige geoordeeld dat het feit dat de wijziging van de feitelijke situatie (nog) niet is vertaald in een nieuwe bestemmingsplankaart in de omstandigheden van die gevallen niet aan de belanghebbende mocht worden tegengeworpen. In het verlengde van deze uitspraken is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de gegeven situatie eiser niet in redelijkheid de benodigde vrijstelling van het bestemmingsplan kon onthouden.

Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 07/6940 WOW44

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Nederlek, verweerder;

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 1 maart 2007 heeft verweerder geweigerd eiser een reguliere bouwvergunning te verlenen voor de aanleg van een trap, loopbrug, steiger en meerpalen in de Bakkerskil tegenover het perceel aan de [a-dijk] 166 te [plaats K.], kadastraal bekend als gemeentecode KPN03, sectie A nummer 7469.

Bij besluit van 8 augustus 2007 heeft verweerder, in afwijking van het advies van de Onafhankelijke Commissie voor de Bezwaarschriften van de gemeente Nederlek van 5 juni 2007, het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 14 september 2007 beroep ingesteld.

Het beroep is op 28 maart 2007 ter zitting behandeld. Daarbij is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J. de Vet, medewerker van DAS Rechtsbijstand te Amsterdam, en heeft verweerder zich laten vertegenwoordigen door mr. R.F.H. Tamboenan.

Motivering

Blijkens de stukken heeft eiser een visserijbedrijf. Hij heeft visrechten binnen de gemeente Nederlek, ondermeer in de Bakkerskil. Eiser maakt daarbij gebruik van twee vaartuigen (open werkplatvorm). Het is voor eiser van essentieel belang dat hij zijn vaartuigen kan aanmeren in het gebied waar hij zijn visrechten uitoefent. Eiser huurde daartoe vanaf 1991 een aanlegsteiger van [Vastgoedbedrijf A.] in de Bakkerskil. In 2006 zijn alle aanlegsteigers ter plaatse ten behoeve van dijkverzwaring verwijderd. De dijk zelf is in verband met die verzwaring acht meter verbreed in de richting van het water.

Eiser heeft op 24 november 2006 een aanvraag ingediend voor een reguliere bouwvergunning voor de aanleg van een trap, loopbrug, steiger en meerpalen in de Bakkerskil tegenover het perceel aan de [a-dijk] 166 te [plaats K.].

Verweerder heeft bij het besluit van 1 maart 2007 de aangevraagde bouwvergunning geweigerd, omdat het bouwplan in strijd is met artikel 24 van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. In het bestreden besluit van 11 juni 2007 heeft verweerder voorts geweigerd vrijstelling te verlenen van de bepalingen van het bestemmingsplan, omdat de door eiser gewenste oeververbinding in strijd is met het gemeentelijke beleid zoals dat is neergelegd in de op 7 februari 2007 in werking getreden "Beleidsnotitie aanlegsteigers en woonboten in de Bakkerskil".

Eiser heeft ter zitting betoogd dat de gevraagde bouwvergunning van rechtswege is verleend, omdat verweerder niet binnen de daarvoor geldende wettelijke beslistermijn van twaalf weken op zijn reguliere bouwaanvraag heeft beslist.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 46, eerste lid, onder b, van de Woningwet (hierna: Wow), zoals dat luidde tot 31 maart 2007, is verweerder gehouden omtrent een aanvraag om een reguliere bouwvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag te beslissen.

Ingevolge artikel 46, derde lid, van de Wow is het eerste lid niet van toepassing, indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk, voor het bouwen waarvan slechts een bouwvergunning kan worden verleend, nadat een vrijstelling is verleend als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO).

Ingevolge artikel 46, vierde lid, van de Wow is de bouwvergunning van rechtswege verleend indien verweerder niet voldoet aan de in het eerste lid gestelde termijn.

Of sprake is van het overschrijden van de beslistermijn van artikel 46, eerste lid, onder b, van de Wow, hangt ingevolge artikel 46, derde lid, van de Wow, af van het antwoord op de vraag of eisers bouwplan al dan niet in strijd is met het bestemmingsplan. In het geval van strijd met het bestemmingsplan geldt de termijn van artikel 46, eerste lid, onder b, van de Wow niet.

Op de gronden waarop de oeververbinding is geprojecteerd is het bestemmingsplan "[plaats K.] Landelijk Gebied, eerste wijziging" van toepassing. Het gehele bouwplan is gesitueerd op gronden met de bestemming "water" met de nadere bestemming "primair waterstaatsdoeleinden".

Ingevolge artikel 24, eerste lid, van de planvoorschriften (Water) zijn de gronden met de bestemming "water" bestemd voor waterlopen ten behoeve van de waterhuishouding en voor het verkeer te water.

In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat op deze gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd ten behoeve van de bestemming zoals oeververbindingen. Indien steigers en meerpalen worden aangelegd in de Bakkerskil mogen deze worden opgericht op een afstand van ten hoogste tien meter uit de grens van de bestemming "water", bezien vanaf de [a-dijk] en Noord.

Gelet hierop is de aanleg van een oeverbinding op zichzelf genomen derhalve niet in strijd met het vigerende bestemmingsplan.

Vast staat dat eisers bouwplan, beoordeeld volgens de situatie vóór de dijkverzwaring, in overeenstemming zou zijn geweest met het bestemmingsplan. Sinds de dijkverzwaring is de feitelijke situatie ter plekke echter ingrijpend gewijzigd. De fysieke grens van de bestemming "water" is door het aanbrengen van de dijkverzwaring acht meter in de richting van het water opgeschoven, terwijl de bestemmingsplankaart (nog) niet aan die nieuwe feitelijke situatie is aangepast. Dit betekent dat het bestemmingsplan thans alleen nog oeververbindingen met een maximale lengte van twee meter toelaat. Het bouwplan voorziet in een aanlegsteiger die langer is, terwijl voor de overschrijding van de toegestane lengte geen vrijstelling is verleend, zodat het realiseren ervan in de huidige situatie naar de letter in strijd komt met het (nog niet aan de feitelijke situatie aangepaste) bestemmingsplan.

Nu het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, betekent dit dat de wettelijke beslistermijn van artikel 46, eerste lid, onder b, van de Wow in dit geval niet van toepassing is en dat de vergunning evenmin ingevolge artikel 46, vierde lid van de Wow, wegens overschrijding van bedoelde termijn, van rechtswege is verleend.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om geen vrijstelling van het in geding zijnde planvoorschrift te verlenen. Het vasthouden aan de verouderde bestemmingsplankaart en daarmee aan de verouderde grens van de bestemming "water", gaat voorbij aan de wijziging van de feitelijke situatie. Daarmee heeft artikel 24, tweede lid, van de planvoorschriften naar het oordeel van de rechtbank zijn betekenis verloren, omdat het vergunnen van oeververbindingen in de Bakkerskil op basis van dit bestemmingsplan in de praktijk niet langer mogelijk is. Vóór de dijkverzwaring was vergunning van een oeververbinding met een maximale lengte van tien meter vanaf de daadwerkelijke watergrens mogelijk. Die grens kwam toen overeen met de grens van de bestemming "water". Ná de dijkverzwaring zou er alleen nog ruimte zijn voor oeververbindingen met een totale lengte van twee meter gerekend vanaf de verschoven watergrens. Voor het aanmeren van vaartuigen zijn aanlegsteigers met zo'n geringe lengte ontoereikend.

Verweerder heeft de "Beleidsnotitie aanlegsteigers en woonboten in de Bakkerskil" opgesteld. Deze notitie is goedgekeurd door de gemeenteraad en op 7 februari 2007 in werking getreden. Blijkens de beleidsnotitie worden per 1 november 2006 geen nieuwe vergunningen voor steigers ter plaatse meer verleend, omdat verweerder vanuit planologisch oogpunt de aanwezigheid ervan niet gewenst acht. Voor reeds lang bestaande situaties waarin niet meer kan worden gehandhaafd wordt echter een uitzondering gemaakt. Niet in geding is dat eiser ook al vóór de dijkverzwaring van een aanlegsteiger in de Bakkerskil gebruik maakte.

In twee uitspraken van deze rechtbank van 7 februari 2007 met de registratienummers AWB 07/5093 WOW44 en AWB 07/5452 WOW44 is in soortgelijke gevallen als het onderhavige geoordeeld dat het feit dat de wijziging van de feitelijke situatie (nog) niet is vertaald in een nieuwe bestemmingsplankaart in de omstandigheden van die gevallen niet aan de belanghebbende mocht worden tegengeworpen. In het verlengde van deze uitspraken is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de gegeven situatie eiser niet in redelijkheid de benodigde vrijstelling van het bestemmingsplan kon onthouden.

Het beroep is gegrond.

Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,00, te weten € 322,00 voor het indienen van het beroepschrift en € 322,00 voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 8 augustus 2007;

draagt verweerder op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,00, welke kosten de gemeente Nederlek als rechtspersoon aan eiser dient te vergoeden;

bepaalt dat voornoemde rechtspersoon aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 143,00, vergoedt.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. C.J. Waterbolk in het openbaar uitgesproken op 28 april 2008, in tegenwoordigheid van de griffier mr. W. Goederee.