Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD8459

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-02-2008
Datum publicatie
23-07-2008
Zaaknummer
AWB 06/4726 WET
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Regeling structuurverbetering Glastuinbouw. Intrekking subsidie voor op te richten glasopstand.

Verweerder heeft aan zijn bevoegdheid de onverschuldigd betaalde subsidiebedragen met rente van eiseres terug te vorderen terecht artikel 4:57 van de Awb en artikel 33 van de Regeling ten grondslag gelegd. Eiseres heeft niet onderbouwd waarom deze artikelen niet van toepassing zouden zijn. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

derde afdeling, meervoudige kamer

Reg. nr. AWB 06/4726 WET

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A.] B.V., gevestigd te [plaats B.], gemeente [C.], eiseres,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.

I. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 14 juni 2005 heeft verweerder de bij besluit van 23 juli 2001 vastgestelde subsidie voor een nieuw te bouwen glasopstand ingetrokken en het bedrag van de betaalde subsidie vermeerderd met de wettelijke rente ad in totaal € 69.194,37 van eiseres teruggevorderd.

Het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 21 april 2006 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 1 juni 2006, ingekomen bij de rechtbank per fax op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 6 februari 2008 ter zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde J.C. van der Lugt, werkzaam bij Kester & Partners accountants. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde drs. J.J.M. Schipper.

II. Motivering

1. Ingevolge artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb kan de subsidie lager worden vastgesteld, indien de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden.

1.1 Ingevolge artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb kan het bestuursorgaan de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld.

1.2 Ingevolge artikel 4:57 van de Awb kunnen – voor zover hier van belang – onverschuldigd betaalde subsidiebedragen en voorschotten worden teruggevorderd voor zover na de dag waarop de subsidie is vastgesteld nog geen vijf jaren zijn verstreken.

1.3 De Regeling structuurverbetering glastuinbouw, Stcrt. 1997, nr. 187 (hierna: de Regeling) is op 2 oktober 1997 in werking getreden.

Zij dient ter uitvoering van de Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 mei 1997 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur, nr. 950/97 (Pb. EG L 142).

De Regeling is, blijkens artikel 38a van de Regeling, gebaseerd op artikel 2 van de Kaderwet LNV-subsidies.

1.4 Op 18 april 2002 is de Regeling Structuurverbetering Glastuinbouw 2002 (hierna: de Regeling 2002) in werking getreden. Artikel 21 daarvan bepaalt dat de Regeling is ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft ten aanzien van subsidieaanvragen die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van de Regeling 2002.

1.5 Op 1 april 2007 is de Regeling LNV-subsidies in werking getreden. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder r, daarvan is de Regeling 2002 ingetrokken en ingevolge artikel 6:3 blijft het recht dat gold voorafgaand aan dat tijdstip van toepassing op een aanvraag om subsidieverlening die is ingediend voorafgaande aan dat tijdstip, op de aldus verleende subsidie en op de uit die subsidieverlening voortvloeiende rechten, aanspraken en verplichtingen.

1.6 Aangezien de subsidieaanvraag van eiseres dateert van 22 februari 1999, is de Regeling op deze zaak van toepassing.

1.7 Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Regeling voert de subsidieontvanger, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, de investeringen uit overeenkomstig het verbeteringsplan binnen een periode van 18 maanden nadat de minister een beschikking tot subsidieverlening heeft genomen.

1.8 Ingevolge artikel 33 van de Regeling kunnen, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht of artikel 6 van de Kaderwet LNV-subsidies, terug te vorderen bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente over de periode die aanvangt op het tijdstip van uitbetaling van het subsidiebedrag tot aan het moment van algehele voldoening.

2. Eiseres heeft op grond van de Regeling op 22 februari 1999 subsidie aangevraagd voor de investering in 3.089m2 af te breken en nieuw te bouwen glasopstanden op de locatie kadastraal bekend sectie F, nr. 4047, gelegen aan de [dijk.] nr. 155 te [plaats B.] (hierna: de locatie [[dijk]] 155). Bij besluit van 18 november 1999 heeft verweerder voor de investering conform de aanvraag subsidie verleend ten bedrage van ƒ 131.161,-- (€ 59.518,27). Daarbij is vermeld: “U moet vanaf het moment van goedkeuring (de datum van deze brief) binnen 18 maanden het investeringsplan hebben uitgevoerd, anders vervalt het recht op bijdrage.”

Als gevolg van het voornemen van de toenmalige gemeente [N.] om het gebied, waarin de locatie [[dijk]] 155 is gelegen, te bestemmen als bedrijventerrein, is eiseres op 6 september 2000 een ruilovereenkomst aangegaan met een projectontwikkelaar. Daarbij is de locatie [[dijk]] met het daarbij behorend woonhuis geruild tegen (onder meer) een perceel tuinland met uitweg kadastraal bekend gemeente [N.], [sectie], [nummer], gelegen aan de [locatie a-weg]. Op 6 september 2000 is de locatie [a-weg] aan eiseres geleverd. Op 26 november 2000 is voor de locatie [a-weg] een bouwvergunning afgegeven voor de bouw van een glasopstand.

Bij besluit van 23 juli 2001 heeft verweerder vervolgens de subsidie vastgesteld op ƒ 122.428,-- (€ 55.555,40). De Algemene Inspectiedienst (AID) heeft onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de subsidieverstrekking aan eiseres. Op 30 september 2004 heeft de AID verslag gedaan van dat onderzoek (hierna: het controleverslag). De juistheid van de bevinding van de AID dat de nieuw te bouwen glasopstanden niet zijn gebouwd op de locatie [[dijk]] , maar dat in plaats daarvan een kas is gebouwd op de locatie [a-weg], is tussen partijen niet in geschil.

3. Verweerder heeft de intrekking van het besluit tot subsidievaststelling gegrond op het feit dat eerst na de subsidievaststelling is gebleken dat eiseres de activiteit waarvoor de subsidie was verleend, het bij de aanvraag ingediende verbeterplan, niet heeft uitgevoerd. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat hij daarvan ten tijde van de subsidievaststelling niet op de hoogte kon zijn, omdat eiseres niet had gemeld dat de glasopstanden niet zouden worden gebouwd op de locatie [[dijk]]. Bovendien had eiseres bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie niet de bouwvergunning van 26 november 2000 voor de nieuwe locatie [a-weg] overgelegd, maar wel de bouwvergunning voor de oude locatie [[dijk]].

4. Eiseres heeft in beroep betwist dat de activiteit waarvoor de subsidie is verleend door haar niet is uitgevoerd. Immers het plan strekkende tot het vervangen van circa 3.100 m2 oud glas door nieuw glas is volledig uitgevoerd op een andere locatie. Voorts stelt eiseres dat verweerder het besluit op bezwaar op onjuiste bepalingen heeft gebaseerd en dat zij in haar procesvoering is geschaad, omdat verweerder aan het primaire besluit andere bepalingen ten grondslag heeft gelegd dan aan het besluit op bezwaar.

5. De rechtbank stelt vast dat de subsidie is verleend bij besluit van 18 november 1999 voor het investeringsplan conform de aanvraag. Uit de aanvraag met bijlagen blijkt dat de subsidie is gevraagd voor de investering in 3089 m2 nieuw te bouwen glasopstanden op de locatie [[dijk]].

Onbetwist is dat deze glasopstanden niet op deze locatie zijn gebouwd.

5.1 Anders dan eiseres in haar bezwaarschrift, waarnaar zij in het beroepschrift heeft verwezen, heeft aangevoerd, is de locatie waar de nieuwe glasopstand is gebouwd wel essentieel voor de vraag of uitvoering is gegeven aan de activiteit waarvoor de subsidie is verleend. Immers de subsidie is verleend voor een investering op de locatie [[dijk]] 155. De stelling van eiseres dat met de bouw van een kas op een andere locatie wel is voldaan aan de doelstelling van de Regeling, doet er niet aan af dat de subsidie daarvoor niet was verleend.

5.2 Indien de gewijzigde locatie ten tijde van de subsidievaststelling bij verweerder bekend zou zijn geweest had verweerder derhalve de subsidie mogen vaststellen op nihil, omdat de activiteit waarvoor de subsidie was verleend, de uitvoering van het investeringsplan, niet heeft plaatsgevonden.

5.3 Dit brengt mee dat verweerder met toepassing van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb en artikel 23, derde lid, van de Regeling

het besluit tot subsidievaststelling mocht intrekken. Omstandigheden op grond waarvan verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik had mogen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking zijn door eiseres niet gesteld.

5.4 Eiseres heeft betoogd dat zij in haar procesrechtelijke mogelijkheden om verweer te voeren tegen de intrekking is geschaad doordat verweerder het primaire besluit heeft gegrond op de artikelen 19, vierde lid, 29 en 33 van de Regeling, terwijl het besluit op bezwaar is gegrond op artikel 23, derde lid, en artikel 26 van de Regeling. Eiseres heeft haar bezwaren immers gericht op eerstgenoemde artikelen. Het tevens door verweerder genoemde artikel 33 van de Regeling acht eiseres niet van toepassing.

5.5 De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder het besluit op bezwaar naast de door eiser genoemde artikelen tevens heeft gegrond op de artikelen 4:49, eerste lid, en artikel 4:57 van de Awb.

5.6 Ingevolge het hiervoor onder 1.4 en 1.5 genoemde overgangsrecht is op aanvragen die vóór 18 april 2002 zijn ingediend de Regeling zoals deze luidde ten tijde van haar intrekking, derhalve zoals deze luidde op 17 april 2002, van toepassing gebleven. Artikel 29 van de Regeling is op 23 juli 2000 vervallen, zulks met het oog op het in overeenstemming brengen van de Regeling met de Awb, zoals deze luidde na inwerkingtreding van de derde tranche. (Zie artikel I onder letter I van de Wijziging Regeling structuurverbetering glastuinbouw van 20 juli 2000, Stcrt. 21 juli 2000,

nr 139/pag 14). Met de invoering van de derde tranche is onder meer artikel 4:49 van de Awb in werking getreden (per 1 januari 1998). Het voorgaande betekent dat ten tijde van zowel het primaire besluit als ten tijde van het besluit op bezwaar artikel 4:49 van de Awb van toepassing was en niet het vervallen artikel 29 van de Regeling.

5.7 In het besluit op bezwaar heeft verweerder derhalve terecht artikel 4:49 van de Awb van toepassing geacht. Aangezien artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling inhoudelijk gelijkluidend is aan artikel 49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, is eiseres niet in haar belang geschaad doordat verweerder ten onrechte tevens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling van toepassing heeft geacht.

5.8 De bezwaarprocedure heeft als doel een heroverweging door het bestuur van het primaire besluit en biedt het bestuursorgaan tevens de mogelijkheid om eventuele gebreken die aan het primaire besluit kleven te herstellen. Verweerder mocht daarom in het bestreden besluit alsnog artikel 23, derde lid, van de Regeling aan de intrekking ten grondslag leggen, mits eiseres daardoor niet in haar verweermogelijkheden wordt geschaad.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet in haar verweermogelijkheden is geschaad doordat verweerder aan de intrekking in het besluit op bezwaar alsnog artikel 23, derde lid, van de Regeling mede ten grondslag heeft gelegd in plaats van artikel 19, vierde lid, van de Regeling.

Artikel 19, vierde lid, van de Regeling – ten tijde van belang was dit lid vernummerd tot zesde lid – heeft betrekking op de eisen die aan het verbeterplan worden gesteld bij de verlening van de subsidie. Niet in geschil is evenwel dat het verbeterplan zoals door eiseres ingediend, voldoet aan de in de in dat artikellid gestelde voorwaarde met betrekking tot de maximaal toelaatbare vergroting van de glasopstand.

Het moet eiseres tijdens de bezwaarprocedure duidelijk geweest zijn, gelet op de inhoud van het controleverslag, dat de intrekking van de vastgestelde subsidie berustte op de feitelijke vaststelling dat eiseres de glasopstand op een andere locatie heeft opgericht dan in het verbeterplan conform de subsidieaanvraag is vermeld. Eiseres is in de bezwaarprocedure in de gelegenheid geweest op deze feitelijke grondslag van de intrekking haar visie te geven en zij heeft dat ook gedaan. Bovendien heeft eiseres in beroep haar visie op de gewijzigde grondslag kenbaar gemaakt. Doordat eiseres op de feitelijke grondslag van de intrekking heeft kunnen reageren, is zij door de gewijzigde juridische grondslag van de intrekking bij het besluit op bezwaar niet in haar verweermogelijkheden geschaad.

5.9 Verweerder heeft aan zijn bevoegdheid de onverschuldigd betaalde subsidiebedragen met rente van eiseres terug te vorderen terecht artikel 4:57 van de Awb en artikel 33 van de Regeling ten grondslag gelegd. Eiseres heeft niet onderbouwd waarom deze artikelen niet van toepassing zouden zijn.

5.10 De rechtbank concludeert dat verweerder het besluit tot subsidievaststelling mocht intrekken en het bedrag van de betaalde subsidie vermeerderd met de wettelijke rente van eiseres mocht terugvorderen.

Het beroep is daarom ongegrond. Nu is geoordeeld dat verweerder de intrekking van het besluit tot subsidievaststelling mocht baseren op artikel 23, derde lid, van de Regeling, kan buiten beschouwing blijven of verweerder tevens artikel 26 van de Regeling aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen.

5.11 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. G.P. Kleijn, mr. A.L. Frenkel en

mr. dr. Th.L. Bellekom en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2008, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.A. Leijten.