Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD8298

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-07-2008
Datum publicatie
23-07-2008
Zaaknummer
AWB 08/2653
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BK0695, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring / Afghanistan / art. 1(F) Vlv / ambtsbericht 2000 / KhAD/WAD / (onder)officieren / art. 8 EVRM

Verweerder heeft bij zijn onderzoek de conclusies uit het ambtsbericht van 29 februari 2000 betrokken. De rechtbank stelt voorop dat de Afdeling (JV 2005, 49) ten aanzien van het ambtsbericht van 29 februari 2000, na kennisneming van de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken, geoordeeld heeft dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris niet van de juistheid van het ambtsbericht heeft mogen uitgaan. Eiser heeft zich ter betwisting van onderdelen van voornoemd ambtsbericht beroepen op een brief van 5 augustus 2007 van de voorzitter van het Afghaanse parlement, M.Y. Qanooni, een brief van de UNHCR van 14 november 2007 en brief van de UNHCR van mei 2008.

Brief van 5 augustus 2007: de rechtbank is van oordeel dat deze brief geen concrete aanknopingspunten biedt om aan het ambtsbericht te twijfelen, nu onduidelijk is waarop de daarin vermelde beweringen zijn gebaseerd. De inhoud van de brief van de UNHCR van 14 november 2007 biedt geen grond voor het oordeel dat verweerder bij de toetsing of een vreemdeling zich in zijn hoedanigheid van (onder)officier van de KhAD/WAD schuldig heeft gemaakt aan schending van mensenrechten een onjuiste bewijslastverdeling heeft toegepast.

Brief van de UNHCR van mei 2008 handelt over de structuur en werkwijze van de KhAD/WAD in Afghanistan van 1987-1992. Deze brief van de UNHCR biedt geen concrete aanknopingspunten om aan de juistheid van het voornoemde ambtsbericht te twijfelen

Nu er geen concrete aanknopingspunten bestaan waardoor getwijfeld kan worden aan de juistheid en/of volledigheid van het ambtsbericht van 29 februari 2000, mocht verweerder van de juistheid van de conclusies in dit ambtsbericht uitgaan.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/344
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/2653

Uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juli 2008

inzake

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1960,

nationaliteit Afghaanse,

verblijvende te Heeze,

eiser,

gemachtigde mr. B.W.M. Toemen,

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. S.H.M. Maas.

Procesverloop

In deze uitspraak wordt waar nodig onder verweerder tevens verstaan de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie dan wel de minister van Justitie.

Bij besluit van 30 november 2006 heeft verweerder eisers verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingetrokken en daarbij eiser tevens ongewenst verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser, voor wat betreft de intrekking van zijn verblijfsvergunning, beroep ingesteld bij de rechtbank, en voor wat betreft zijn ongewenstverklaring, bezwaar gemaakt bij verweerder.

Op 1 december 2006 heeft eiser de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende de beslissing op bezwaar en hangende de uitspraak in beroep, een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 25 juni 2007, AWB 06/59108, is eisers voornoemde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van diezelfde datum, AWB 06/59111, van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats is voornoemd verzoek, voor zover dit betrekking had op voornoemd beroep, afgewezen en, voor zover dit betrekking had op voornoemd bezwaar, toegewezen.

Eiser is op 4 december 2007 gehoord door een ambtelijke commissie.

Bij besluit van 17 januari 2008 heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij de behandeling van een in te dienen beroepschrift niet in Nederland mag afwachten.

Eiser heeft op 22 januari 2008 tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld.

Tevens heeft eiser de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen die er (thans) toe strekt dat uitzetting van eiser achterwege wordt gelaten totdat uitspraak zal zijn gedaan op het beroep. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer AWB 08/2654.

Bij brief van 10 juni 2008 heeft verweerder te kennen gegeven zich ter zitting te zullen beroepen op een brief van de minister van Justitie en de staatssecretaris van Justitie van

9 juni 2008 aan de Tweede Kamer inzake de toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag en een notitie van 6 juni 2008 betreffende de toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.

Bij brief van 11 juni 2008 heeft eiser zich beroepen op een brief van 5 augustus 2007 van de voorzitter van het Afghaanse parlement, M.Y. Qanooni, een brief van de UNHCR van 14 november 2007 en bovengenoemde notitie van 6 juni 2008.

De zaak is behandeld op de zitting van de meervoudige kamer van 12 juni 2008, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of het besluit van 17 januari 2008, waarbij verweerder eisers ongewenstverklaring heeft gehandhaafd, in rechte stand kan houden.

2. De rechtbank gaat daarbij uit van de navolgende feiten. Eiser heeft op 8 november 1997 aanvragen om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf ingediend. Bij besluit van 18 mei 1998 zijn deze aanvragen niet ingewilligd. Wel is hem daarbij met ingang van de datum van zijn aanvragen een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend. Het tegen voornoemd besluit gerichte bezwaar is bij besluit van 18 november 1998 ongegrond verklaard en het vervolgens daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, van 1 december 1999, eveneens ongegrond verklaard. Tussen partijen staat verder vast dat aan eiser in 2002 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is verleend.

3. Zoals in het procesverloop is vermeld is voornoemde verblijfsvergunning bij besluit van 30 november 2006 ingetrokken. Deze intrekking heeft plaatsgevonden met toepassing van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, wegens het verstrekken van onjuiste gegevens dan wel het achterhouden van gegevens, terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid. Daaraan ligt ten grondslag dat naar aanleiding van onderzoek is gebleken dat op eiser het bepaalde in artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is, en dat, wanneer die gegevens eerder bekend zouden zijn geweest, de onderhavige vergunning niet aan eiser zou zijn verleend. Eiser is ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 ongewenst verklaard op grond van het feit dat hem het bepaalde in artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen.

4. Het wettelijk kader is als volgt.

5. Ingevolge artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van dit verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen, dat:

(a) hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

(b) hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten.

6. Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 kan een vreemdeling ongewenst worden verklaard in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland.

7. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij ten onrechte ongewenst is verklaard. Naar de mening van eiser lijkt de toepassing van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 met name bedoeld voor mensen die in het land van herkomst ernstige strafbare feiten hebben gepleegd en hun toevlucht hebben gezocht tot Nederland. Daar is in casu geen sprake van. Daarnaast wijst eiser erop dat in de ons omringende landen men niet zo rigoureus te werk gaat als het gaat om de toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag en de mogelijkheid van ongewenstverklaring. Het niet ongewenst verklaren kan dan ook moeilijk leiden tot verstoringen van de internationale betrekkingen van Nederland. Al met al is niet duidelijk gemotiveerd waarom eiser in het belang van de internationale betrekkingen ongewenst dient te worden verklaard, zodat het beroep reeds om die reden gegrond dient te worden verklaard.

8. De rechtbank overweegt als volgt.

9. Uit de nota naar aanleiding van het verslag van 21 februari 2000 inzake de parlementaire behandeling van de Vw 2000 (TK 1999-2000, 26732, nr.7, blz. 211) volgt dat met artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 wordt bedoeld te waarborgen dat Nederland niet mag verworden tot een gastland van personen die elders de publieke orde ernstig verstoren door daden die ook naar Nederlands recht zware misdrijven zouden opleveren. In het onderhavige geval heeft verweerder het gestelde gevaar voor de openbare orde gebaseerd op de conclusie dat eiser verdacht wordt van gedragingen als beschreven in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. De handelingen waarvoor eiser door verweerder verantwoordelijk wordt gehouden zouden ook naar Nederlands recht zware misdrijven opleveren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 een toereikende grondslag biedt voor de bevoegdheid van verweerder tot ongewenstverklaring van een vreemdeling ten aanzien van wie ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij persoonlijk verantwoordelijk is voor het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag. De omstandigheid dat andere Europese landen aan de toepassing van dit artikel kennelijk minder prioriteit geven doet aan de geschetste grondslag voor de bevoegdheid tot ongewenstverklaring niet af. De grief van eiser faalt derhalve.

10. Met het oog op die bevoegdheid is thans de vraag aan de orde of verweerder op rechtens juiste gronden tot de conclusie is gekomen dat het bepaalde in artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is.

11. Volgens paragraaf C1/5.13.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000)

acht verweerder het zijn taak om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag valt. Teneinde te bepalen of eiser individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, past verweerder de ‘personal and knowing participation’-test toe. Op die manier wordt beoordeeld of ten aanzien van eiser kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’). Indien hiervan sprake is kan eiser artikel 1(F) voornoemd worden tegengeworpen.

12. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) behoort de vaststelling of en in hoeverre bij de beoordeling van de asielaanvraag wordt uitgegaan van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van verweerder en kan die vaststelling door de rechter slechts terughoudend worden getoetst.

13. Aangaande de ‘knowing participation’- en de ‘personal participation’-test heeft verweerder in het bestreden besluit – waarin het voornemen als ingelast moet worden beschouwd – verkort weergegeven, als volgt overwogen.

14. Van knowing participation is onder meer sprake indien betrokkene werkzaam was voor een organisatie waarvan verweerder op basis van informatie van de minister van Buitenlandse Zaken of andere hiertoe geëigende instanties heeft geconcludeerd dat aan personen die behoren tot bepaalde categorieën van deze organisatie en die een verblijfsvergunning aanvragen in Nederland in de regel artikel l(F) van het Vluchtelingenverdrag zal worden tegengeworpen.

15. Verweerder heeft bij zijn onderzoek de conclusies uit het ambtsbericht van 29 februari 2000 betrokken. Blijkens dit ambtsbericht hadden de Khadimat-e Atal’at Dowlati (KhAD) en de Wazarat-e Amaniat-e Dowlati (WAD) als taak het voortbestaan van het communistisch bewind op korte en lange termijn te waarborgen. In de praktijk betekende dit dat de KhAD en de WAD de vijanden van dit bewind dienden op te sporen en uit te schakelen. Er werd een klimaat van terreur gecreëerd dat tot doel had elk verzet onder de burgerbevolking bij voorbaat in de kiem te smoren. Bij de uitvoering van hun taak beschikten de KhAD en de WAD over bijna onbeperkte volmachten, waar zij ruim gebruik van maakten. Hierbij zijn op grote schaal mensenrechten geschonden. Dit blijkt eveneens uit een groot aantal rapportages van Amnesty International en de Verenigde Naties, waaronder die van de heer Felix Armacora, speciale rapporteur van de mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties inzake de mensenrechtensituatie in Afghanistan in de jaren tachtig.

16. Uit het eerdergenoemde ambtsbericht komt ondubbelzinnig naar voren dat het wrede karakter van de KhAD binnen Afghanistan algemeen bekend moet zijn geweest. Zo wordt op pagina 12 van genoemd ambtsbericht aangegeven dat met hun nietsontziende en veelal willekeurige optreden de KhAD en de WAD bewust een klimaat van terreur creëerden dat tot doel had elk verzet onder de burgerbevolking tegen het communistisch bewind bij voorbaat in de kiem te smoren. Uit de overige passages in het ambtsbericht, alsmede uit een groot aantal rapportages van gezaghebbende instanties, zoals de speciale rapporteur voor de mensenrechten van de Verenigde Naties en Amnesty International, komt bovendien naar voren dat de misdrijven waarmee dat terreurklimaat gepaard ging gedurende de gehele periode dat de KhAD en de WAD hebben bestaan op grote schaal en door het gehele land verspreid door deze organisatie werden gepleegd. Voorts komt naar voren dat het klimaat van angst en terreur dat de KhAD/WAD teweegbrachten in de Afghaanse maatschappij ook binnen de diensten zelf heerste (pagina 24).

17. Nu eiser van 1981 tot en met 1992 werkzaam is geweest voor de KhAD, waarvan het hoofdbestanddeel van de activiteiten bestond uit het begaan van misdrijven in de zin van artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag, is volgens verweerder de conclusie gerechtvaardigd dat eiser wist of had moeten weten van de misdrijven die door de organisatie waartoe hij behoorde ten tijde van zijn werkzaamheden voor die organisatie zijn gepleegd. Daarnaast wist of had eiser moeten weten dat deze misdrijven onderdeel waren van een wijdverbreide of stelselmatige aanval, gericht tegen een burgerbevolking.

18. De verklaring van eiser, dat hij nimmer zelf mensen heeft vermoord of gemarteld, maar dat hij er wel mensen over heeft horen praten, en dat hij niet wist wat er gebeurde met de mensen die in de rapporten werden genoemd die hij naar zijn superieuren stuurde, ontberen volgens verweerder geloofwaardigheid. Immers, gelet op de omstandigheid dat eiser gedurende ongeveer elf jaar als officier op verschillende afdelingen en locaties voor de KhAD heeft gewerkt, waarbij hij uiteindelijk de rang van majoor bezat, is het volstrekt onaannemelijk dat hij geen kennis heeft gehad van de door de KhAD begane schendingen van de mensenrechten. Eiser is er niet in geslaagd aan te tonen dat hij niets geweten heeft van het misdadige karakter van de KhAD.

19. De rechtbank stelt vast dat eiser deze conclusie in beroep niet heeft betwist. Zij zal daarom van de juistheid van deze conclusie uitgaan.

20. Van ‘personal participation’ is sprake indien - voor zover hier van belang – de betrokkene behoorde tot een categorie van personen binnen een organisatie waarvan verweerder op basis van informatie van de minister van Buitenlandse Zaken of andere hiertoe geëigende instanties heeft geconcludeerd dat aan personen die behoren tot deze categorie en die een verblijfsvergunning aanvragen in Nederland in de regel artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag zal worden tegengeworpen, tenzij de betreffende vreemdeling kan aantonen dat er in zijn individuele geval sprake is van een significante uitzondering.

21. Nu eiser als officier werkzaam is geweest voor de KhAD behoort hij volgens verweerder tot deze categorie aan wie in de regel artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag zal worden tegengeworpen.

22. Ten aanzien van de positie en de verantwoordelijkheden van (onder)officieren binnen de KhAD komt in het ambtsbericht van 29 februari 2000 het volgende naar voren.

23. De KhAD en de WAD waren eliteonderdelen van het communistische staatsapparaat. Tijdens de zeer strenge selectieprocedure werd de loyaliteit van aankomend medewerkers van de KhAD en de WAD aan de Democratische Volkspartij van Afghanistan (DVPA) danig op de proef gesteld. Dit gold in versterkte mate voor de rekrutering van officieren. Hiervoor kwamen slechts loyaal gebleken DVPA-leden en personen uit regeringsgezinde families in aanmerking. De kandidaten ondergingen een zeer intensieve training. Indien deze met goed gevolg was doorlopen volgde een proeftijd. Tijdens de proeftijd moesten de officieren blijk geven van hun loyaliteit en weerbaarheid door bijvoorbeeld het bespioneren van familieleden, het arresteren en martelen van vrienden en kennissen, het uit de weg ruimen van al dan niet vermeende vijanden van het communistische bewind of het infiltreren in de gelederen van de Mudjahedin. Als eerste plaatsing werden officieren tewerk gesteld op afdelingen van de KhAD/WAD die zich concreet bezig hielden met de opsporing van ‘staatsgevaarlijke elementen’.

Medewerkers van de KhAD/WAD rouleerden regelmatig zodat zij binnen een bepaalde afdeling geen te grote machtsbasis op konden bouwen. Soms werden medewerkers verschillende keren per jaar overgeplaatst. Iemand die langer dan een jaar bij de KhAD/WAD in dienst was, had tenminste op twee afdelingen gewerkt. Een plaatsing op een afdeling of directie waarvan de werkzaamheden een meer administratief of technisch karakter hadden, lag slechts in het verschiet als een officier zich voldoende had bewezen tijdens zijn of haar eerste plaatsing of plaatsingen.

Een promotie tot officier kon niet plaatsvinden indien de betreffende medewerker niet op concrete wijze van zijn of haar onvoorwaardelijke loyaliteit aan het bewind had blijk gegeven. Dit gold ook voor promoties die een officier van de KhAD of WAD ten deel vielen na afronding van zijn of haar opleiding. Elke officier die tijdens zijn of haar diensttijd is bevorderd, is derhalve betrokken geweest bij arrestaties, ondervragingen, martelingen en executies. Ook voor onderofficieren was het onmogelijk binnen de KhAD/WAD te functioneren indien zij niet wensten deel te nemen aan de systematische schendingen van de mensenrechten die daar plaatsvonden.

24. Volgens verweerder blijkt uit het ambtsbericht dat alle onderofficieren en officieren werkzaam zijn geweest in de macabere afdelingen van de KhAD en de WAD en persoonlijk betrokken zijn geweest bij het arresteren, ondervragen en martelen en executeren van verdachte personen.

25. Voor zover eiser heeft ontkend dat door de KhAD/WAD de mensenrechten werden geschonden, heeft verweerder eiser tegengeworpen dat hij niet nader heeft onderbouwd dat hij in weerwil van de informatie uit het ambtsbericht niet heeft deelgenomen aan de mensenrechtenschendingen dan wel deze op enigerlei wijze heeft gefaciliteerd. Daarbij heeft verweerder van belang geacht dat blijkens het ambtsbericht (pagina 24 en 25) promotie tot officier niet kon plaatsvinden als de betrokken medewerker niet concreet blijk had gegeven van zijn onvoorwaardelijke loyaliteit aan het communistische bewind. Elke officier die tijdens zijn diensttijd is bevorderd is derhalve betrokken geweest bij arrestaties, ondervragingen, martelingen en zelfs executies. Eiser heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval anders is geweest.

26. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat het bestreden besluit volledig is gebaseerd op het voornoemde ambtsbericht uit 2000. Sindsdien is er nogal wat informatie gekomen waaruit blijkt dat dit ambtsbericht niet correct zou zijn, met name omdat de bronnen die informatie hebben gegeven bij het tot stand komen van het ambtsbericht niet altijd even betrouwbaar waren. In dit verband wijst eiser erop dat over dit punt nog een discussie loopt bij de meervoudige kamer van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam. Daarnaast merkt eiser op dat in de Tweede Kamer der Staten-Generaal inmiddels een meerderheid is voor het opnieuw onderzoeken van mogelijke 1(F)-dossiers. Niet uitgesloten lijkt, aldus eiser, dat in onderhavige zaak een nader onderzoek ertoe leidt dat alsnog wordt afgezien van het toepassen van artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag, waarmee ook de grond voor de ongewenstverklaring zou wegvallen. Eiser heeft een stuk van de UNHCR van mei 2008 overgelegd, waarin wordt ingegaan op de positie van officieren en onderofficieren van de KhAD. In dit stuk worden een aantal beweringen uit het bovengenoemde ambtsbericht omtrent de KhAD weerlegd. Een van de zaken die in ieder geval wordt weerlegd is de mededeling in het ambtsbericht dat er gerouleerd zou worden. Dit is ook wat eiser wordt verweten, namelijk dat hij deel heeft genomen aan het roulatiesysteem en om die reden ook op andere plekken moet hebben gewerkt, waar hij zich schuldig heeft gemaakt aan mensenrechtenschendingen. Zoals bekend is er al langere tijd discussie over voornoemd ambtsbericht. De Tweede Kamer heeft onlangs nog vragen gesteld aan de staatssecretaris van Justitie.

27. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

28. Een ambtsbericht is volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) aan te merken als een deskundigenrapport. Indien het ambtsbericht op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaft onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen, mag verweerder bij besluitvorming op asielaanvragen van de juistheid van die informatie afgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. De uitkomsten van zo’n bericht worden dan voor waar aangenomen en het is dan aan de vreemdeling om, mocht hij zich niet kunnen vinden in deze uitkomsten, concrete feiten en omstandigheden naar voren te brengen die twijfel aan de in het ambtsbericht neergelegde uitgangspunten rechtvaardigen. Het enkel plaatsen van kritische kanttekeningen ter bestrijding daarvan is onvoldoende.

29. De rechtbank stelt voorop dat de Afdeling, blijkens haar uitspraak van 30 november 2004, JV 2005, 49, ten aanzien van het ambtsbericht van 29 februari 2000, na kennisneming van de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken, geoordeeld heeft dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris niet van de juistheid van het ambtsbericht heeft mogen uitgaan.

30. Eiser heeft zich ter betwisting van onderdelen van voornoemd ambtsbericht beroepen op een brief van 5 augustus 2007 van de voorzitter van het Afghaanse parlement, M.Y. Qanooni, een brief van de UNHCR van 14 november 2007 en brief van de UNHCR van mei 2008.

31. In de brief van 5 augustus 2007 van de voorzitter van het Afghaanse parlement, M.Y. Qanooni, is het volgende vermeld:

“As per letter (…) I would like to draw your attention to the point that according to our precise gathered information regarding those low ranking Afghan former military officers who are already accused to human rights violation and war crimes, based on our exact information they haven’t been committed violation against humanity.

We believe that the Netherlands Ministry of Foreign Affairs gathered information which comes from Pakistani and Taliban sources are not accurate and precise information in this context and we can’t trust on such a base less information because Pakistan government evidently conflicting former and new government in Afghanistan so that’s why they are trying to accuse Afghan Military and civilian personalities to such violations.

Nevertheless they have collected this information by the help of Taliban regime whom have officially recognized by Pakistani government as Afghan legitimate government on that time, in deed they were the real murderer of Afghan innocent civilians either yesterday or to day.

It’s worth mentioning that even today you are seeing that they are brutally killing our international friends’ soldiers while they are here for ensuring security and stability for Afghanistan which the Netherland soldiers are also included.

In spite of that Taliban jointly with Pakistani intelligence agency are trying to undignify our democrat personalities in order to destroy their reputations and put them under pressure at national and international levels to utilize the situation for there own inhuman objectives.

On behalf of Afghanistan parliament once again would like to request you and your respected MPa to kindly pay more attention to the destiny of those Afghan asylum seekers who haven’t been sheltered yet, under unspecified reasons in your country.”

32. De rechtbank stelt vast dat de brief niet vermeldt uit welke bronnen de “precise gathered information” afkomstig is en evenmin op grond van welke onderzoeksbevindingen de conclusie is getrokken dat lagere officieren zich niet schuldig zouden hebben gemaakt aan schending van mensenrechten. De rechtbank houdt het er voor, hoewel niet vermeld, dat daarmee bedoeld zijn de lagere officieren die werkzaam zijn geweest bij de KhAD. Voor het overige bevat de brief slechts een ongefundeerde veronderstelling dat de informatie die ten grondslag heeft gelegen aan het ambtsbericht van 29 februari 2000 afkomstig is van Pakistaanse bronnen en bronnen binnen de Taliban en dat de genoemde informatie om die reden min of meer per definitie onbetrouwbaar is. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het vorenstaande geen concrete aanknopingspunten biedt om aan het ambtsbericht te twijfelen, nu onduidelijk is waarop voormelde beweringen zijn gebaseerd.

33. Uit de brief van de UNHCR van 14 november 2007 blijkt dat de UNHCR ernstige kritiek heeft geuit op het Nederlandse 1(F)-beleid inzake de categoriale uitsluiting van voormalige KhAD/WAD (onder)officieren uit Afghanistan. Naar de mening van de UNHCR dient verweerder namelijk aan te tonen dat een individuele asielzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, waarbij verweerder zich niet enkel kan beroepen op de inhoud van het ambtsbericht. In deze brief wijst de UNHCR op het aspect van de omkerende bewijslast. De UNHCR stelt zich in deze brief op het standpunt dat men wel mag veronderstellen dat op een bepaalde categorie vreemdelingen artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is, maar niet in combinatie met een algemeen ambtsbericht met niet te verifiëren bronnen. De UNHCR levert daarom in deze brief kritiek op het ambtsbericht van februari 2000 dat ten grondslag ligt aan de conclusie dat alle voormalige KhAD/WAD (onder)officieren zich schuldig hebben gemaakt aan 1(F)-handelingen. Dit ambtsbericht kan volgens de UNHCR niet beschouwd worden als een gezaghebbend en vrij toegankelijk rapport nu de bronnen waarop genoemde vergaande conclusie is gebaseerd, niet openbaar zijn.

34. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat anders dan de UNHCR in zijn brief doet vermoeden, het niet zo is dat de Nederlandse overheid artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag al tegenwerpt indien vreemdelingen kunnen worden geassocieerd met de betreffende organisatie (“persons may be excluded on the basis of their association with a particular government institution”). Zoals in de meergenoemde notitie van 6 juni 2008 is uiteengezet, gaat het niet om de enkele associatie met de KhAD/WAD, maar om personen die op een bepaalde positie werkzaam waren bij een specifieke organisatie waardoor – mede vanwege de structuur en de doelstellingen van die organisatie – ‘knowing and personal participation’ in de regel mag worden aangenomen. In het geval van de KhAD/WAD is deze beleidsconclusie gebaseerd op de feitelijke informatie uit het ambtsbericht van 29 februari 2000.

35. Uitgaande van de juistheid van de conclusies van dit ambtsbericht acht de rechtbank vanuit het oogpunt van verdeling van bewijslast aanvaardbaar dat verweerder op grond van de uitgebreide en gedetailleerde informatie uit het ambtsbericht de vooronderstelling hanteert dat alle officieren en onderofficieren die langere tijd werkzaam zijn geweest bij de KhAD op enig moment zijn gerouleerd naar een afdeling waar mensenrechtenschendingen hebben plaatsgevonden. Het is dan aan de betrokken vreemdeling aannemelijk te maken dat hij een uitzondering op de regel vormt. De inhoud van de brief van de UNHCR van 14 november 2007 biedt dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder bij de toetsing of een vreemdeling zich in zijn hoedanigheid van (onder)officier van de KhAD/WAD schuldig heeft gemaakt aan schending van mensenrechten een onjuiste bewijslastverdeling heeft toegepast.

36. Verder is op zich juist dat de vreemdeling geen toegang kan hebben tot bepaalde bronnen die ten grondslag liggen aan het ambtsbericht. Dit betekent echter niet dat die bronnen niet controleerbaar zijn of toetsbaar. De rechtbank benadrukt in dit verband nogmaals dat, zoals hiervoor reeds aangegeven, de Afdeling kennis heeft genomen van de onderliggende stukken van het ambtsbericht van 29 februari 2000 en deze stukken toereikend heeft geoordeeld om de conclusies uit het ambtsbericht te dragen. Bedoelde stukken zijn derhalve door de rechter in hoogste instantie beoordeeld en in orde bevonden.

37. De brief van de UNHCR van mei 2008 handelt over de structuur en werkwijze van de KhAD/WAD in Afghanistan van 1987-1992. Ten aanzien van het systematisch rouleren van officieren en onderofficieren binnen de KhAD wordt in de brief onder punt 24 het volgende vermeld:

“24.UNHCR is not able to confirm that there was a systematic rotation policy inside KhAD/WAD. Sources consulted by UNHCR affirmed that rotations within the KhAD/WAD structures were largely based on expertise and experience. In emergency situations, staff may have been shifted to work on a given operation, but within its area of expertise. Military personnel operated within its rank and levels of expertise. One expert stated that, in his view, there was no mandatory rotation; he believes that people could change jobs within the KhAD/WAD, but that it was not a rule or requirement. In the view of the source, such a rotation policy would have gone against any sense of professionalisem within the institution. Other sources state that the activities of the KhAD/WAD officers were regulated by a number of principles, one of which was confidentiality. For this reason, they believe that the KhAD/WAD could not resort to a general rotation policy, as this would have risked disclosure of information from one Directorate to another.”

38. De rechtbank stelt vast dat de UNHCR weliswaar aangeeft dat het beleid inzake het systematisch rouleren binnen de KhAD niet kan worden bevestigd, maar een ontkenning – laat staan stellige ontkenning – van dat beleid bevat de genoemde passage niet. Daarnaast blijkt niet uit welke bronnen de door de UNHCR verkregen informatie afkomstig is. Ten aanzien van één bron heeft wel nadere vermelding plaatsgevonden, te weten Dr. Antonio Giustozzi, maar de informatie afkomstig van deze bron wordt in voorzichtige termen weergegeven zoals “in his view” en “he believes” en berust voorts meer op een redenering dan op eigen wetenschap. Overigens blijkt uit het vermelde onder de punten 16 en 23 in voornoemde brief van de UNHCR dat de conclusies uit het ambtsbericht omtrent “Operational Directorates” wel bevestigd worden. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat voornoemde brief van de UNHCR geen concrete aanknopingspunten biedt om aan de juistheid van het voornoemde ambtsbericht te twijfelen.

39. Nu er geen concrete aanknopingspunten bestaan waardoor getwijfeld kan worden aan de juistheid en/of volledigheid van het ambtsbericht van 29 februari 2000, mocht verweerder van de juistheid van de conclusies in dit ambtsbericht uitgaan. De rechtbank stelt voorts vast dat eiser niet heeft gesteld dat in zijn individuele geval sprake was van een significante uitzondering.

40. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder heeft kunnen concluderen dat in het geval van eiser sprake is van ‘personal participation’.

41. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder op goede gronden heeft aangenomen dat er ten aanzien van eiser ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder heeft deze dan ook terecht aan eiser tegengeworpen. Hieruit volgt dat verweerder bevoegd was eiser met toepassing van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 ongewenst te verklaren.

42. Eiser heeft tevens een beroep gedaan op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

43. In artikel 8 van het EVRM is bepaald dat eenieder recht heeft op respect voor zijn familie- en gezinsleven (“family life”). Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde, het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

44. Eiser heeft aangevoerd dat de toets die uiteindelijk in het bestreden besluit terecht is gekomen absoluut onvoldoende is. Verweerder valt steeds maar op één aspect terug en dat is dat er sprake is van ernstige gedragingen van eiser die ongewenstverklaring rechtvaardigen. De ernst van de gedraging is één van de factoren waaraan getoetst dient te worden, terwijl verweerder dit bij iedere factor noemt om te werken naar een situatie dat er geen sprake is van een schending van artikel 8 van het EVRM. Er kan moeilijk worden gezegd dat er sprake is van een belangenafweging door verweerder. De toets aan de Boultif- en Üner-criteria is naar de mening van eiser niet goed uitgevoerd. Op geen enkele wijze blijkt dat verweerder een belangenafweging heeft gemaakt op basis van de criteria die zijn vastgesteld. Verweerder omschrijft de criteria, legt deze in het nadeel van eiser uit en trekt een conclusie. Objectief gezien zou alleen het criterium ernst van de gedragingen in eisers nadeel kunnen uitvallen. De overige criteria kunnen alleen in zijn voordeel worden uitgelegd en zeker de belangrijkste criteria zoals de objectieve belemmeringen die er zijn om het gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen.

Verder is eiser van mening dat zijn kinderen gehoord hadden moeten worden. De kinderen van eiser hebben een leeftijd waarop zij worden geacht voor zichzelf te kunnen spreken en hun belangen goed naar voren te kunnen brengen. Eiser is dan ook van mening dat de toetsing van artikel 8 van het EVRM onvoldoende zorgvuldig is gebeurd.

45. De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat sprake is van gezinsleven tussen eiser en zijn echtgenote, alsmede hun drie kinderen. Aangezien het bestreden besluit strekt tot ongewenstverklaring van eiser, waarmee hem de mogelijkheid van (zelfs) kort verblijf hier te lande en daarmee de mogelijkheid tot het uitoefenen van familie- of gezinsleven met zijn echtgenote en kinderen wordt ontnomen, is er sprake van inmenging in het recht op respect voor dit familie- of gezinsleven. Derhalve dient de vraag te worden beantwoord of die inmenging, gelet op artikel 8, tweede lid, van het EVRM gerechtvaardigd is. Teneinde die vraag te beantwoorden, dient een op de individuele zaak toegespitste belangenafweging te worden gemaakt, waarbij de Nederlandse Staat een “certain margin of appreciation” toekomt. Aan de hand van de ‘guiding principles’ uit het Boultif-arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 2 augustus 2001, LJN: AD3516, AB 2001, 341, en JV 2001/254, en Üner-arrest van 5 juli 2005, JV 2005, 305, moet worden bezien of de inmenging in het recht op familie- en gezinsleven van eiser proportioneel is in relatie tot de openbare orde. Daarbij moet in elk geval worden vastgesteld of sprake is van een objectieve belemmering om het familie- en gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen.

46. Op grond van jurisprudentie van het EHRM dient een op het betreffende geval toegespitste belangenafweging aan de hand van een aantal richtlijnen plaats te vinden. Deze punten zien, in de belangenafweging, onder meer op: de aard en de ernst van het gepleegde misdrijf, de duur van het verblijf in het land van uitzetting, de tijd die is verstreken sinds het misdrijf is begaan, het gedrag van de vreemdeling in die periode, de nationaliteit van de betrokken gezinsleden, de gezinssituatie van de vreemdeling, andere factoren die uitdrukking geven aan de mate van effectiviteit van het huwelijk, de vraag of de echtgenote op de hoogte was van het strafbare feit op het moment dat het gezinsleven werd aangevangen, de aanwezigheid van kinderen, geboren tijdens het huwelijk, en hun leeftijd, de ernst van de moeilijkheden die zijn te verwachten voor de echtgenote in het land van herkomst, de belangen en het welzijn van de kinderen, met name de ernst van de moeilijkheden die de kinderen in het land van herkomst tegemoet gaan en de hechtheid van de sociale, culturele en familiebanden van de vreemdeling met het gastland en het land van herkomst.

47. Deze richtlijnen zijn ondergebracht in twee groepen: de richtlijnen die betrekking hebben op de vreemdeling en de aard en de ernst van de begane misdrijven, en de richtlijnen die betrekking hebben op zijn familieleden en de problemen die zij zullen ondervinden in het land van herkomst van de vreemdeling. Deze twee groepen worden tegen elkaar afgewogen: hoe zwaarder het misdrijf dat de vreemdeling heeft begaan, of hoe vaker hij een misdrijf heeft begaan, des te eerder tot het oordeel kan worden gekomen dat in de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling en zijn gezin onvoldoende tegenwicht wordt gevonden voor het gevaar voor de openbare orde dat de vreemdeling vormt.

48. Verweerder heeft in het bestreden besluit van 17 januari 2008 geconcludeerd dat in dit geval het belang van de openbare orde en het belang van de internationale betrekkingen zwaarder dient te wegen dan het belang van eiser bij een ongestoord familieleven. Derhalve is inmenging gerechtvaardigd en is geen sprake van strijd met artikel 8 van het EVRM. Daarbij heeft verweerder – samengevat - zwaar laten wegen dat aan eiser artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen. De toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag leidt tot de conclusie dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. De handelingen waarvoor eiser verantwoordelijk kan worden gehouden, zouden ook naar Nederlands recht zware misdrijven opleveren.

Ten aanzien van de duur van het verblijf hier te lande, sedert 1997, geldt dat eiser eerst op 37-jarige leeftijd naar Nederland is gekomen. Derhalve heeft hij veel langer in zijn land van herkomst verbleven dan in Nederland. Er is ook niet gebleken dat eiser geen enkele band meer zou hebben met Afghanistan, dan wel dat hij daar geen nieuw bestaan zou kunnen opbouwen of dat zijn binding met Nederland uitzonderlijk groot is.

Wat betreft de omstandigheid dat er geruime tijd is verstreken sinds de bedoelde misdrijven zijn gepleegd, heeft verweerder erop gewezen dat dit, gezien de aard en de ernst van de gepleegde misdrijven, er niet toe kan leiden dat de belangenafweging in het voordeel van eiser dient uit te vallen.

Ten aanzien van de nationaliteit van alle betrokkenen, heeft verweerder in aanmerking genomen dat eiser de Afghaanse nationaliteit bezit en dat zijn echtgenote en kinderen in het bezit zijn geweest van de Afghaanse nationaliteit. Weliswaar zijn de echtgenote en kinderen van eiser genaturaliseerd tot Nederlanders, doch nu zij in het bezit zijn geweest van de Afghaanse nationaliteit en zij niet in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning op persoonlijke asielgerelateerde gronden, kan niet worden ingezien dat het voor hen onmogelijk zou zijn om, indien gewenst, met eiser terug te keren naar hun land van herkomst of naar een derde land.

Voorts heeft verweerder bij de belangenafweging betrokken dat eiser sinds 1988 gehuwd is en samenleeft met zijn echtgenote en drie kinderen. Er is dus sprake van een feitelijke gezinsband tussen eiser en zijn in Nederland wonende familieleden. Dit doet naar de mening van verweerder echter niet af aan het feit dat er op voorhand niet is gebleken van objectieve belemmeringen om het gezinsleven in het land van herkomst dan wel elders uit te oefenen.

De vraag of de echtgenote van eiser op de hoogte was van de misdrijven toen zij met eiser in het huwelijk trad of de relatie aanging heeft verweerder bevestigend beantwoord. Eiser is volgens eigen zeggen in 1988 gehuwd. Op dat moment was hij werkzaam bij de Afghaanse veiligheidsdienst. Hij zou aldaar werkzaam zijn geweest van 1981 tot en met 1992. Ingevolge zijn verblijf bij de KhAD in deze periode is aannemelijk geacht dat hij werkzaamheden heeft verricht zoals genoemd in artikel 1(F) voornoemd. Voorts heeft zijn echtgenote verklaard dat zij ook werkzaam is geweest bij de KhAD. Zij zou daar volgens eigen zeggen administratief werk hebben gedaan op de salarisafdeling. Nu eiser dusdanig lange tijd bij de KhAD heeft gewerkt en zijn echtgenote tevens zelf werkzaam is geweest bij deze organisatie, kan naar de mening van verweerder aannemelijk worden geacht dat zij op de hoogte is geweest, dan wel had kunnen zijn van de door eiser gepleegde misdrijven in de zin van artikel 1(F) voornoemd.

Met betrekking tot de ernst van de moeilijkheden die de echtgenote zal ondervinden als zij eiser zou volgen naar het land van herkomst, heeft verweerder benadrukt dat de echtgenote van eiser Nederland niet behoeft te verlaten. Indien zij er echter voor zou kiezen om met haar echtgenoot terug te keren naar hun land van herkomst, bestaan er geen belemmeringen om zich opnieuw in Afghanistan te vestigen. Immers zij is niet op persoonlijke en asielgerelateerde gronden tot Nederland toegelaten. Eisers stelling dat gezien de algemene situatie in Afghanistan naar zijn mening een categoriaal beschermingsbeleid gevoerd zou dienen te worden en zijn gezin om die reden niet terug zou kunnen keren, wordt door verweerder niet gevolgd. Nu er geen categoriaal beschermingsbeleid voor Afghanistan wordt gevoerd, dient er vanuit te worden gegaan dat het voor de familie van eiser voldoende veilig is om, indien gewenst, samen met eiser terug te keren. Bovendien is eisers echtgenote van Afghaanse afkomst. Aldaar heeft zij het grootste deel van haar leven gewoond, waardoor aangenomen dient te worden dat zij de taal spreekt en bekend is met de Afghaanse samenleving. De echtgenote van eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij dusdanig zou zijn verwesterd, dat zij enkel om die reden niet terug zou kunnen keren. Er is verder niet gebleken dat de echtgenote van eiser dusdanig medische klachten heeft, dat zij om die reden niet terug zou kunnen keren naar haar land van herkomst.

Ten aanzien van de drie kinderen van eiser, hun belangen en welzijn, met name de ernst van de moeilijkheden die de kinderen in het land van herkomst tegemoet gaan, heeft verweerder met het volgende rekening gehouden. Eiser heeft twee zoons, ten tijde van het bestreden besluit 13 en 17 jaar en een dochter van 16 jaar. Verweerder is van mening dat, ondanks de leeftijd van de kinderen, op voorhand evenmin is gebleken van objectieve belemmeringen ten aanzien van de kinderen om het gezinsleven met eiser in het land van herkomst dan wel elders uit te oefenen. Daarbij is betrokken dat de kinderen ongeveer 10 jaar in Nederland wonen en hier naar school zijn gegaan. Er wordt dan ook vanuit gegaan dat zij zijn ingeburgerd in de Nederlandse samenleving. Verweerder erkent dat het voor hen niet gemakkelijk zal zijn om een nieuw leven op te bouwen in Afghanistan, indien zij er voor zouden kiezen om met hun vader terug te keren. Ook hier staat volgens verweerder weer voorop dat zij Nederland niet hoeven te verlaten. Indien zij echter terug zouden keren met eiser, kan er niet op voorhand worden geconcludeerd dat het voor hen onmogelijk zou zijn om zich wederom in hun land van herkomst te vestigen en zich opnieuw te conformeren aan de Afghaanse gebruiken, tradities en samenleving. Niet gebleken is dat de kinderen asielgerelateerde problemen hebben ondervonden in Afghanistan. Daarnaast dient er vanuit te worden gegaan dat de kinderen een Afghaanse taal spreken of dat zij deze op redelijk korte termijn kunnen leren. Daarbij is betrokken de verklaring van de moeder van de kinderen dat zij Dari met de kinderen spreekt en de kinderen ook Dari met haar. Voorts is in aanmerking genomen dat de kinderen, zij het niet lang, enige jaren in Afghanistan hebben gewoond. Zij zijn dus gedurende hun jeugd in aanraking gekomen met de Afghaanse cultuur en samenleving. Er kan om die reden volgens verweerder niet worden gesteld dat eisers kinderen helemaal geen binding meer met de Afghaanse samenleving zouden hebben en dat zij zich aldaar niet meer zouden kunnen redden. Verder meent verweerder dat ook van de dochter verlangd kan worden dat zij zich opnieuw aan de Afghaanse cultuur en tradities zou kunnen conformeren. De omstandigheid dat zij zich bij terugkeer niet op gelijke wijze kan uiten of ontplooien als in Nederland is daarbij onvoldoende om te stellen dat er sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven met haar vader in Afghanistan uit te oefenen en dientengevolge om de ongewenstverklaring van haar vader te herzien.

Wat betreft de hechtheid van de sociale, culturele en familiebanden van eiser met Nederland en het land van herkomst, heeft verweerder geconcludeerd dat eiser een hechte sociale en culturele band heeft dan wel heeft gehad met Afghanistan. Niet is gebleken dat de banden van eiser met Nederland en de Nederlandse samenleving dusdanig hecht en uitzonderlijk zijn, dat er om die reden niet van hem verlangd zou kunnen worden om terug te keren naar Afghanistan, dan wel naar een ander land buiten Nederland.

49. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is, hetgeen ter zitting door eisers gemachtigde is bevestigd, dat verweerder alle voor de belangenafweging relevante aspecten heeft betrokken. De grief van eiser dat verweerder op een onjuiste wijze de belangenafweging heeft gemaakt volgt de rechtbank niet. Hoewel op zichzelf juist is dat verweerder alle afzonderlijke criteria heeft besproken en beoordeeld, is daaraan voorafgaand de (algemene) conclusie getrokken dat onder verwijzing naar de Boultif- en Üner-criteria het belang van de openbare orde en de internationale betrekkingen zwaarder dient te wegen dan het belang van eiser bij een ongestoord familieleven. Verweerder motiveert deze conclusie met bespreking van de afzonderlijke criteria. De stelling dat verweerder geen belangenafweging heeft gemaakt op grond van de voornoemde criteria faalt derhalve.

50. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het kader van artikel 8 van het EVRM op grond van het vorenstaande het algemeen belang van openbare orde en de internationale betrekkingen heeft kunnen laten prevaleren boven het persoonlijk belang van eiser om hier te lande zijn familie- en gezinsleven uit te oefenen.

51. Ter zitting is door partijen nog gewezen op een passage in de voornoemde notitie van verweerder van 6 juni 2008. Op pagina 31 van die notitie staat vermeld dat indien aan een vreemdeling artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen, het belang van de openbare orde in beginsel zwaarder meeweegt dan het belang van het gezinsleven. De belangenafweging zal derhalve in beginsel niet leiden tot rechtmatig verblijf. Ter toelichting heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting verklaard dat voormelde passage uit de voornoemde notitie niet betekent dat er geen ruimte is voor belangenafweging, maar dat de belangen van de staat in beginsel zwaarder wegen. Alleen indien het onmogelijk is terug te keren zal er ruimte zijn voor een andere uitkomst van de belangenafweging. Gelet hierop kan de rechtbank eiser niet volgen in zijn stelling dat verweerder handelt in strijd met jurisprudentie van het EHRM vanwege het ontbreken van een belangenafweging.

52. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat verweerder aan eisers verzoek, zijn kinderen tijdens de hoorzitting te horen om hun belangen in het kader van artikel 8 van het EVRM naar voren te brengen, voorbij mocht gaan. Verweerder heeft kunnen concluderen dat ouders in staat mogen worden geacht om alle van belang zijnde aspecten voor hun minderjarige kinderen naar voren te brengen, zowel schriftelijk als ook mondeling, hetgeen zij in deze procedure ook hebben gedaan, zodat er geen sprake is van onzorgvuldigheid.

53. De slotsom is dat inmenging in eisers recht op familie- en gezinsleven, gelet op artikel 8, tweede lid, van het EVRM, gerechtvaardigd is. De ongewenstverklaring levert dan ook geen schending op van artikel 8 van het EVRM, zodat het beroep van eiser op dit artikel faalt.

54. Het beroep is derhalve ongegrond.

55. Voor een veroordeling van één der partijen in de door de andere partij gemaakte kosten bestaat geen aanleiding.

56. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries als voorzitter en mr. A.B.M. Hent en mr. E.H.M. Druijf als leden in tegenwoordigheid van mr. D.S. Arjun Sharma als griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2008.