Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD8296

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-04-2008
Datum publicatie
23-07-2008
Zaaknummer
AWB 07/37044 en AWB 07/37045
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

HIV / Ghana / beleid verweerder / verhullend onderscheid / wijziging in advisering BMA / gering percentage patiënten dat wordt behandeld / gelijkheidsbeginsel

Beoordeling van het beleid

Het is vaste jurisprudentie van de AbRS dat verweerder een beleid mag voeren waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen de beschikbaarheid van de specifiek benodigde medische behandeling in het land van herkomst en de feitelijke toegankelijkheid van die behandeling voor de betreffende vreemdeling.. Het gevolg van dit beleid is dat een vreemdeling moet terugkeren naar het land van herkomst zonder dat verzekerd is dat hij daadwerkelijk de benodigde medische behandeling zal krijgen. Het is eerder waarschijnlijk dat eiser die behandeling niet zal kunnen krijgen. Immers, het aantal patiënten in Ghana is veel groter dan de behandelmogelijkheden. Het staat dus niet vast, maar de kans is wel aanmerkelijk, dat eiser door terugkeer naar Ghana in de nabije toekomst door gebrek aan medische behandeling die nu voor hem in Nederland wel toegankelijk is, zal komen te overlijden.

De AbRS heeft dit gevolg in haar jurisprudentie onder ogen gezien: in haar uitspraak van 8 februari 2007, LJN: AZ8898, heeft zij overwogen dat voorzover ten gevolge van eventuele problemen betreffende de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het land van herkomst sprake zou zijn van een medische noodsituatie op korte termijn, dit niet tot gevolg heeft dat daardoor geen toepassing mag worden gegeven aan dit beleid; deze situatie is namelijk in het beleid verdisconteerd. Noch in het internationale of nationale recht, noch in de feiten van de zaak of hetgeen eiser heeft aangevoerd, heeft de rechtbank reden gevonden om van de vaste jurisprudentie van de AbRS over de redelijkheid van dit beleid af te wijken. Door het BMA om advies te vragen naar de beschikbaarheid van de benodigde medische behandeling, wekt verweerder echter de suggestie dat de betreffende vreemdeling slechts wordt teruggestuurd naar het land van herkomst indien zijn medische behandeling is gegarandeerd. Het onderscheid tussen de begrippen beschikbaarheid en feitelijke toegankelijkheid verhult de ware aard en de gevolgen van verweerders beleid en is daardoor in zijn verhulling hypocriet. Verweerder behoort ronduit uit te komen voor zijn beleid en zich te bedienen van klare taal. Tot vernietiging van het bestreden besluit leidt het niet.

Het BMA-advies

De rechtbank stelt met eiser vast dat een verschil bestaat tussen het BMA-advies in deze zaak en eerdere adviezen van het BMA ten aanzien van met hiv-geïnfecteerde vreemdelingen uit Ghana. Voorheen waren de adviezen op twee pijlers gestoeld, te weten de mogelijkheid van behandeling en het percentage patiënten dat werd behandeld in het land van herkomst. Voor de medisch-technische beschikbaarheid speelde dat percentage in het door eiser overgelegde voorbeeld uitdrukkelijk een rol. In het door eiser overgelegde advies uit 2004 volgde dat slechts voor 1,8 % van de volwassen hiv-patiënten met een gevorderde infectie antiretrovirale behandeling kreeg. Het BMA concludeerde toen dat de beschikbaarheid van de behandeling onvoldoende was. In het huidige BMA-advies ontbreekt deze tweede pijler echter en wordt geen percentage meer genoemd. Gelet op deze wijziging die zich in de advisering van het BMA heeft voorgedaan, had verweerder, in ieder geval in bezwaar, hierover navraag moeten doen bij het BMA en hiervan rekenschap moeten afleggen in het bestreden besluit. Voorts had verweerder moeten motiveren waarom het percentage thans niet meer van belang wordt geacht. Dit klemt te meer nu uit de overgelegde informatie blijkt dat slechts tussen de 7 à 10 % van de hiv-patiënten wordt behandeld in Ghana. Nu verweerder dit heeft nagelaten, is er sprake van een onzorgvuldige voorbereiding en een motiveringsgebrek in het besluit. Uit het BMA-advies blijkt dat behandeling en medicatie voor eiser voorhanden is in Ghana. Het BMA heeft zich hierbij gebaseerd op informatie van International SOS van 19 april 2006. Deze vermeldt dat laboratoriumonderzoek in zowel publieke als private sector mogelijk is. De door partijen overgelegde informatie geeft geen duidelijk antwoord op de vraag of laboratoriumonderzoek van de viral load in Ghana mogelijk is. Deze onduidelijkheid biedt voldoende aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het BMA-advies. Het had op de weg van verweerder gelegen om hiernaar nader onderzoek te verrichten. Nu verweerder dit heeft nagelaten, is er sprake van een onzorgvuldige voorbereiding en een motiveringsgebrek in het besluit.

Het gelijkheidsbeginsel

Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen. Uit de BMA-adviezen en beschikkingen waarnaar eiser heeft verwezen, blijkt dat deze zaken inderdaad op hun eigen merites zijn beoordeeld. Aan eiser moet worden toegegeven dat het in het verleden een tijd lang leek dat het BMA in alle zaken waarin sprake was van met hiv-geïnfecteerde vreemdelingen afkomstig uit Ghana adviseerde dat aldaar geen medische behandeling mogelijk was. Ter zitting heeft getuige-deskundige De Vries echter betoogd dat dit was gelegen in de omstandigheid dat het BMA een half jaar lang geen nieuwe informatie bij SOS International heeft opgevraagd, omdat het advies elke keer luidde dat er geen medische behandeling mogelijk was in Ghana. Na een half jaar bleek dat medische behandeling in sommige gevallen mogelijk was, als gevolg waarvan het BMA heeft besloten om wederom in individuele gevallen informatie aan SOS International te vragen.

Het geval van eiser is dus in zoverre gelijk aan die van anderen dat het gaat om hiv-geïnfecteerden. Zijn geval is echter anders wat betreft ziektebeeld en noodzakelijke behandeling, als ook wat de actuele stand van de behandelmogelijkheden in Ghana.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

meervoudige kamer vreemdelingenzaken

voorzieningenrechter

Uitspraak

artikel 8:70 en 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nrs.: AWB 07/37044 en AWB 07/37045

V-nr: [..]

inzake: [eiser], geboren op [geboortedatum], van Ghanese nationaliteit, wonende te Amsterdam, eiser/verzoeker, hierna te noemen: eiser,

gemachtigde: mr. J. Jager, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. E.T.P. Scheers, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 11 juli 2006 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 7 februari 2006 tot verlenging van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder de beperking ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’ afgewezen.

Het daartegen ingestelde bezwaar is bij besluit van 25 september 2007 ongegrond verklaard. Het besluit vermeldt onder meer de rechtsgevolgen dat eiser na bekendmaking van het besluit niet meer rechtmatig in Nederland verblijft en dat hij Nederland uit eigen beweging binnen vier weken moet verlaten.

Op 27 september 2007 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Volgens het besluit schort het beroep de rechtsgevolgen niet op. Bij brief van 27 september 2007 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

2. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2007. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig dr. F.P. Kroon, internist in het Leids Universitair Medisch Centrum, en dr. A.K. de Vries, arts bij het Bureau Medische Advisering (BMA), beiden als getuige-deskundige.

3. De voorzieningenrechter/rechtbank, hierna te noemen: rechtbank, heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

In het onderhavige geval gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

1. Bij beschikking van 12 januari 2005 is aan eiser een verblijfsvergunning verleend onder de beperking ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’. Deze verblijfsvergunning is verleend met ingang van 16 juni 2004 met een geldigheidsduur tot 16 juni 2005. Laatstelijk is deze verblijfsvergunning verlengd geldig tot 16 juni 2006.

2. Bij nota van 3 juli 2006 heeft het BMA een rapport uitgebracht over de medische problematiek van eiser. Uit deze nota blijkt dat eiser hiv-geïnfecteerd is met voor aanvang van de behandeling een zeer fors gestoorde afweer. Momenteel verkeert eiser in een goede conditie. Eiser wordt behandeld met antiretrovirale medicatie (Kivexa en Kaletra). Deze behandeling is levenslang nodig. Uitgaande van de verkregen informatie is behandeling van een hiv-infectie in Ghana momenteel mogelijk. In het verleden kon de medicatie niet continu gegarandeerd worden, maar er is nu volgens de verkregen informatie een goede continue bevoorrading. Behandeling is mogelijk bij private en overheidsfaciliteiten zoals het Korle Bu Teaching Hospital en het Noguchi Memorial Institute bij de Universiteit van Accra. De aan eiser voorgeschreven medicatie is beschikbaar. Bij het staken van de medicatie is op korte termijn een medische noodsituatie te verwachten. Eiser kan reizen. Enige medische voorziening voor, tijdens of direct na de reis is wel noodzakelijk. Eiser dient de beschikking te krijgen over de hem voorgeschreven medicatie en de behandeling dient in het land waar naar toe gereisd wordt direct te worden overgenomen.

3. Bij nota van 24 juli 2007 heeft het BMA wederom een advies uitgebracht over de medische problematiek van eiser. Bij de totstandkoming van dit advies heeft het BMA gebruik gemaakt van informatie verkregen van een vertrouwensarts van 6 juni 2007 (GH-765-2007) en informatie van International SOS van 25 juni 2007 (7PAR006031) en van 22 mei 2007 (7PAR005236). Het advies vermeldt dat het BMA geen vragen kan beantwoorden die zien op de beschikbaarheid van behandeling voor een individu. Het is niet aan het BMA om te beoordelen of als slechts 7% van de hiv-geïnfecteerden toegang heeft tot behandeling eiser hiertoe zal behoren dan wel of behandeling voor eiser daadwerkelijk toegankelijk is. Hierbij spelen immers vele niet-medische factoren een rol.

Voorts vermeldt dit advies dat eiser wordt behandeld met Kivexa en Kaletra. Kivexa is een combinatie van lamuvidine en abacavir. Volgens de geraadpleegde bronnen zijn alle voornoemde medicatie is in Ghana beschikbaar.

4. Eiser heeft de volgende (relevante) stukken overgelegd:

- een BMA-advies van de vreemdelinge Nyarko van 12 mei 2004, waarin is geconcludeerd dat op dat moment nog steeds de medisch-technische beschikbaarheid van behandeling voor de vreemdelingen in Ghana onvoldoende is, aangezien slechts 1,2% antiretrovirale therapie ontvangt;

- een ‘3 by 5’ progress report van december 2004 van UNAIDS, waaruit blijkt dat in december 2004 4% van de hiv besmette mensen in Ghana antiretrovirale therapie ontvangt;

- een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 19 september 2005, AWB 05/20790, waarin het verzoek om een voorlopige voorziening van [vreemdeling] uit Ethiopie wordt toegewezen. De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder, gelet op het ontbreken van behandelmogelijkheden in Ethiopië, uiterste zorgvuldigheid dient te betrachten, welke zorgvuldigheid tot uitdrukking dient te komen in een voldoende draagkrachtig gemotiveerd besluit. Nu de aanvangswaarde van het aantal CD4 cellen onbekend is, heeft verweerder niet onverkort aan het BMA-advies, waarin wordt geconcludeerd dat er geen medische noodsituatie op de korte termijn te verwachten valt, kunnen vasthouden;

- een overzicht van het 2006 Report on the Global Aids Epidemic, waaruit blijkt dat op dat moment 7% van alle hiv-patiënten in Ghana behandeling ontvangt;

- een SOS-rapport van 19 april 2006, waarin wordt bericht dat er een continue bevoorrading van de benodigde medicatie is en dat tekorten niet aannemelijk zijn. Deze medicatie is verkrijgbaar in zowel privé- als in overheidsklinieken. Laboratoriumcontrole is gegarandeerd en verkrijgbaar in zowel privé- als in overheidsklinieken;

- een brief van het BMA van 8 september 2006, waarin wordt bericht dat het BMA International SOS als een betrouwbare bron ziet en dat de beoordeling of er sprake is van feitelijke beschikbaarheid buiten de beoordeling van het BMA valt. Voorts wordt in deze brief bericht dat het BMA geen aanleiding ziet om nader onderzoek te verrichten naar de behandelmogelijkheden in Ghana;

- een artikel uit “The new England journal of medicine” van 30 november 2006, omtrent een studie waaruit blijkt dat de tijdelijke staking van de antiretrovirale therapie bij hiv-patiënten zeer schadelijk is;

- een brief van National Aids/Sti Control Programme van 11 april 2007 waarin wordt vermeld welke anti-retrovirale medicatie beschikbaar is in Ghana;

- een e-mailwisseling tussen de gemachtigde van eiser en Tanne de Goei (freelance hiv-/aids consultant en publicist) van 22 februari 2007 waarin wordt bericht dat slechts 4% van de mensen in Ghana die behandeling behoeft voor hiv/aids hiervoor behandeld wordt;

- een e-mailwisseling tussen de gemachtigde van eiser en Ronald Brands (Beleidsmedewerker Maatschappelijke en juridische aspecten van Soa Aids Nederland) van 27 februari 2007 waarin wordt bericht dat in Ghana voor 4% van de mensen die hiv-therapy nodig heeft behandeling en medicatie beschikbaar is en voor de overige 96% niet;

- een beschikking van 9 mei 2007 waarin het bezwaar van de vreemdelinge [vreemdelinge] uit Ghana gegrond is verklaard en de beperking van haar verblijfsvergunning wordt gewijzigd in de beperking voortgezet verblijf. Uit de onderliggende stukken bij deze beschikking blijkt dat op het moment van het nemen van het besluit 7% van de hiv-patiënten in Ghana antiretrovirale therapie ontving;

- een uitspraak van deze rechtbank van 26 juni 2007, AWB 07/13871 en AWB 07/13872, waarin het beroep van eiseres [vreemdelinge], afkomstig uit Ghana, gegrond wordt verklaard aangezien het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet zonder nadere motivering in te zien waarom de door eiseres ingebrachte stukken geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid dan wel volledigheid van het BMA-advies zijn;

- een BMA-advies van de vreemdelinge [vreemdelinge] van 12 juni 2007 waarin is geconcludeerd dat uitgaande van de beschikbare informatie met betrekking tot de therapiemogelijkheden in het land van herkomst de controles en de medicatie voor hiv onvoldoende voor handen is in Ghana. Laboratoriumcontroles voor CD4 en viral load zijn mogelijk, maar het onderzoek naar viral load is niet altijd mogelijk. Van de thans door eiseres verkregen medicatie is in ieder geval een deel niet beschikbaar;

- onderliggende stukken bij het BMA-advies van [vreemdeling] van 12 juni 2007, waaronder drie ‘answer forms’ van de vertrouwensarts:

? één gedateerd op 10 april 2007 waarin wordt bericht dat het medicijn Fosamprena Vir niet verkrijgbaar is in Ghana evenmin als het medicijn Ritonavir;

? één gedateerd op 5 juni 2007 (verstuurd op 6 juli 2007)waarin onder meer wordt bericht dat laboratoriumonderzoek CD4 wel mogelijk is, maar viral load onderzoek niet altijd en dat de medicijnen Foscarnet, Vidarabine, Pravastatine en Amaryl niet verkrijgbaar zijn in Ghana;

? één gedateerd op 6 juni 2007 waarin wordt bericht welke medicijnen wel en niet verkrijgbaar zijn in Ghana; en

? een SOS-rapport van 7 maart 2007 waarin wordt bericht dat behandeling van een hiv infectie mogelijk is in het Korle Bu Teaching Hospital en in de privékliniek Akai House Clinic te Accra en dat medicatie Ritonavir, Sauinavir, Didanosine, Lamivudine en Cotrimoxazole verkrijgbaar zijn in Ghana. Van Saquinavir is af en toe een tekort, maar dit kan worden besteld, levering duurt drie tot vier weken;

- e-mailwisseling over de periode 26 november – 3 december 2007 tussen gemachtigde van eiser en de heer Addo, waarin de laatste reageert op de ‘answer forms’ van 5 juni 2007, behorende bij het BMA-advies van [vreemdeling] van 12 juni 2007.

5. Verweerder heeft de volgende (relevante) stukken overgelegd:

- een ‘answer form’ van de vertrouwensarts gedateerd op 5 december 2007, waarin wordt bericht dat de medicijnen Zudovudine, Lamuvidine en Lopnavir verkrijgbaar zijn, met dien verstande dat van de 76.000 patiënten die in aanmerking komen voor medicatie slechts 17.000 medicatie ontvangen, hetgeen grotendeels het gevolg is van niet beschikbaarheid van medicatie voor allen; dat laboratoriumonderzoek CD4 en alle opvolgende laboratoriumonderzoeken verkrijgbaar zijn; dat als een patiënt medicatie voorgeschreven krijgt, zijn bevoorrading verzekerd is;

- een SOS-rapport van 25 juni 2007, waarin wordt bericht dat:

? behandeling door een internist/hiv-specialist beschikbaar is;

? de beschikbaarheid en de bevoorrading van antiretrovirale medicatie onduidelijk is; bepaalde medicatie is beschikbaar in Ghana;

? laboratoriumonderzoeken CD4 en viral load zijn beschikbaar;

? medicatie Foscarnet, Pravastatine en Amaryl verkrijgbaar zijn in ‘good and guaranteed supply’ in Ghana. Virabine is op dit moment niet verkrijgbaar in Ghana, maar dit kan worden besteld met een vertraging van twee tot drie weken.

6. Ter zitting heeft getuige-deskundige dr. F.P. Kroon, internist in het Leids Universitair Medisch Centrum verklaard dat de medische behandeling van met hiv-geïnfecteerde personen uit drie verschillende onderdelen bestaat, te weten het toedienen van medicatie, controle van het aantal CD4-cellen en controle van de viral load. Desgevraagd heeft dr. Kroon betoogd dat de controle van de CD4-cellen belangrijk is, maar dat controle van de viral load in combinatie met het toedienen van medicatie een minimaal vereiste is voor succesvolle behandeling van een met hiv geïnfecteerde patiënt. Met de viral load controle wordt immers vastgesteld hoeveel van het hiv-virus zich in het bloed bevindt en op basis daarvan kan worden bepaald of de medicatie die de met hiv geïnfecteerde patiënt krijgt voorgeschreven aanslaat. Indien geen viral load controle wordt uitgevoerd kan dan ook niet goed worden bepaald in welk stadium de ziekte zich bevindt en welke medicatie benodigd is.

III. WETTELIJK EN BELEIDSKADER

1. Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden afgewezen indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden.

2. Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder r, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 houdt de in artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 bedoelde beperkingen verband met het ondergaan van medische behandeling.

3. Ingevolge artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, worden verleend onder een andere beperking dan genoemd in het eerste lid van artikel 3.4 van het Vb 2000.

4. Ingevolge artikel 3.46, eerste lid, van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder een beperking verband houdend met het ondergaan van medische behandeling worden verleend, indien Nederland naar het oordeel van Onze Minister het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een noodzakelijke medische behandeling en de financiering van die medische behandeling naar het oordeel van Onze Minister deugdelijk is geregeld.

5. Paragraaf B8/3.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 vermeldt dat onder een medische noodsituatie wordt verstaan die situatie waarbij betrokkene lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vast staat dat het achterwege blijven van behandeling op korte termijn zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade.

6. Paragraaf B8/3.2 van de Vc 2000 vermeldt dat de medische noodsituatie in het verlengde van de aanvraag in verband met medische behandeling ligt en derhalve niet separaat hoeft te worden aangevraagd indien in de oorspronkelijke aanvraag verblijf wegens medische redenen werd gevraagd. Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het bestaan van een medische noodsituatie, dient de vreemdeling zich in Nederland te bevinden en dient sprake te zijn van de situatie dat:

– stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie zal doen ontstaan; en

– de medische behandeling van de betreffende medische klachten niet kan plaatsvinden in het land van herkomst of ander land waarheen betrokkene zich kan verwijderen; en

– de medische behandeling ter voorkoming van het ontstaan van deze noodsituatie naar verwachting langer dan één jaar zal duren.

Van vorenstaande voorwaarden wordt in beginsel niet afgeweken op grond van omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de zorg betreffen.

7. Paragraaf B8/4.1 van de Vc 2000 vermeldt dat het niet de bedoeling is dat niet-medisch gekwalificeerde ambtenaren van de IND zich een eigenstandig medisch oordeel vormen. Om die reden kan, als de vreemdeling zich in het kader van een toelatingsprocedure beroept op medische gronden, de medisch adviseur van het BMA van de IND worden ingeschakeld.

[…]

8. Paragraaf B8/4.4 van de Vc 2000 vermeldt dat omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het herkomstland betreffen, niet worden betrokken bij het beoordelen van aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ of ‘vanwege medische noodsituatie’. Hierbij zijn onderstaande uitgangspunten van toepassing:

– aan de omstandigheid dat de kwaliteit van de gezondheidszorg hier te lande gunstig afsteekt bij die van het land waarheen de betrokken vreemdeling kan reizen, komt geen betekenis toe;

– hetzelfde geldt voor de omstandigheden dat de behandelmogelijkheden aldaar door financiële omstandigheden worden beïnvloed. Immers, de vreemdeling zal in deze niet verschillen van vele van zijn landgenoten. Bovendien kunnen medische behandelingen van vreemdelingen die niet zelf hun behandeling betalen, aanzienlijke kosten met zich brengen voor de algemene middelen;

– de enkele omstandigheid dat betrokkene mogelijk voor het kunnen ondergaan van de medische behandeling aanzienlijke geografische afstanden moet afleggen dan wel zijn woonplaats mogelijk binnen het land van herkomst dient te verplaatsen, vormt geen grond om verblijf toe te staan. Eventuele gevolgen van het staken van een medische behandeling kunnen niet leiden tot verblijfsaanvaarding, aangezien de vreemdeling het staken van een medische behandeling kan voorkomen door zich elders in het land van herkomst te vestigen;

– asielgerelateerde redenen, die voor de vreemdeling de medische zorg niet toegankelijk zouden kunnen maken, kunnen bij de beoordeling van een reguliere verblijfsaanvraag geen rol spelen;

– dat voor een bepaalde medische behandeling lange wachttijden gelden, kan evenmin leiden tot de conclusie dat om medische redenen verblijf dient te worden toegestaan. De vreemdeling zal in deze immers niet verschillen van vele van zijn landgenoten; en

– aan de omstandigheid dat een vreemdeling teneinde terug te kunnen reizen naar het herkomstland, medische begeleiding nodig heeft tijdens de reis dan wel een medische overdracht aan behandelaars in het herkomstland, komt geen doorslaggevende betekenis toe. Het is aan de vreemdeling om de noodzakelijke begeleiding/overdracht te realiseren. De IOM kan vreemdelingen hierin ondersteunen (zie paragraaf A4/5 van de Vc 2000). In geval van een uitzetting faciliteert de Minister de medische begeleiding/overdracht. Indien het onmogelijk is de medische begeleiding/overdracht te realiseren, is sprake van de situatie bedoeld in artikel 64 Vw 2000.

Het vóórkomen van onderbrekingen in de medicijnverstrekkingen vanwege logistieke problemen in het land van herkomst of bestendig verblijf, is geen aangelegenheid die de feitelijke toegankelijkheid van de zorg betreft, maar de aanwezigheid van de medische zorg. Wel is het de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om de mogelijke gevolgen van een onderbreking in de medicijnverstrekking zo veel als redelijkerwijs mogelijk te voorkomen, door een voorraad medicijnen aan te houden. Indien uit het advies van het BMA blijkt dat in het land van herkomst dan wel het land waarheen de betrokken vreemdeling kan reizen onderbrekingen voorkomen, wordt van geval tot geval een afweging gemaakt, waarbij de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling en de duur en regelmaat van de onderbrekingen worden betrokken. Als de onderbrekingen blijkens het advies van het BMA een maand of langer duren, vormen deze onderbrekingen grond om te komen tot de conclusie dat de behandeling in feite niet (voldoende continu) aanwezig is.

IV. OVERWEGINGEN

Ten aanzien van het beroep

Beoordeling van het beleid

1.1 De rechtbank stelt vast dat uit de hiervoor onder III. genoemde bepalingen uit de Vw 2000 en het Vb 2000 volgt dat verweerder een grote mate van beoordelings- en beleidsvrijheid heeft. Deze beoordelingsvrijheid betreft zijn oordeel of Nederland het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een noodzakelijke behandeling. Daarnaast heeft verweerder beleidsvrijheid om een verblijfsvergunning te verlenen onder een andere beperking dan genoemd in artikel 14 van de Vw 2000, zoals de verblijfsvergunning in verband met medische noodsituatie. Ter invulling van deze beoordelings- en beleidsvrijheid heeft verweerder beleid ontwikkeld, zoals eveneens hiervoor onder III. genoemd.

Gelet op deze ruime beoordelings- en beleidsvrijheid dient de rechterlijke toets een terughoudende te zijn. Het is immers vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (AbRS) dat als het bestuursorgaan dergelijke vrijheid heeft, het niet aan de rechter is om zijn oordeel in de plaats te stellen van dat van het bestuur. De toets die de rechter moet aanleggen is of verweerder, gegeven die vrijheid, in redelijkheid het gekozen beleid mag voeren en of hij in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen.

1.2 Verweerder neemt in medische zaken, zoals deze, gewoonlijk het advies van het BMA over zonder nader onderzoek te verrichten, terwijl dit advies zich beperkt tot de vraag of ergens in het land van herkomst medische behandeling beschikbaar is, ook al is dat in theorie maar voor één patiënt. Ter zitting heeft getuige-deskundige De Vries desgevraagd bevestigd dat indien de voor de betreffende vreemdeling benodigde medische behandeling in het land van herkomst theoretisch beschikbaar is voor slechts één persoon, het antwoord op de voorgelegde vraag van verweerder aan het BMA zou luiden dat er medische behandeling in het land van herkomst beschikbaar is. Verweerder voert verder het beleid dat omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het herkomstland betreffen, niet worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of de vergunning moet worden verleend. Eiser acht dit beleid kennelijk onredelijk. Hij is verder van mening dat de behandeling die hij nodig heeft in Ghana niet beschikbaar is.

1.3 Geen nieuwe vraag is of verweerder in redelijkheid een beleid kan voeren waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen de beschikbaarheid van de specifiek benodigde medische behandeling in het land van herkomst en de feitelijke toegankelijkheid van die behandeling voor de betreffende vreemdeling. Het is vaste jurisprudentie van de AbRS dat verweerder dit beleid mag voeren. Het gevolg van dit beleid is dat een vreemdeling moet terugkeren naar het land van herkomst zonder dat verzekerd is dat hij daadwerkelijk de benodigde medische behandeling zal krijgen. Het is eerder waarschijnlijk dat eiser die behandeling niet zal kunnen krijgen. Immers, het aantal patiënten in Ghana is veel groter dan de behandelmogelijkheden. Dat eiser voorrang zou kunnen krijgen boven andere land- en lotgenoten heeft verweerder niet gesteld. Het staat dus niet vast, maar de kans is wel aanmerkelijk, dat eiser door terugkeer naar Ghana in de nabije toekomst door gebrek aan medische behandeling die nu voor hem in Nederland wel toegankelijk is, zal komen te overlijden.

1.4 De AbRS heeft dit gevolg in haar jurisprudentie onder ogen gezien: in haar uitspraak van

8 februari 2007, LJN: AZ8898, heeft zij overwogen dat voorzover ten gevolge van eventuele problemen betreffende de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het land van herkomst sprake zou zijn van een medische noodsituatie op korte termijn, dit niet tot gevolg heeft dat daardoor geen toepassing mag worden gegeven aan dit beleid; deze situatie is namelijk in het beleid verdisconteerd. Noch in het internationale of nationale recht, noch in de feiten van de zaak of hetgeen eiser heeft aangevoerd, heeft de rechtbank reden gevonden om van de vaste jurisprudentie van de AbRS over de redelijkheid van dit beleid af te wijken. Door het BMA om advies te vragen naar de beschikbaarheid van de benodigde medische behandeling, wekt verweerder echter de suggestie dat de betreffende vreemdeling slechts wordt teruggestuurd naar het land van herkomst indien zijn medische behandeling is gegarandeerd. Het onderscheid tussen de begrippen beschikbaarheid en feitelijke toegankelijkheid verhult de ware aard en de gevolgen van verweerders beleid, zoals hiervoor onder 1.3 omschreven, en is daardoor in zijn verhulling hypocriet. Verweerder behoort ronduit uit te komen voor zijn beleid en zich te bedienen van klare taal. Tot vernietiging van het bestreden besluit leidt het niet.

Het BMA-advies

2. De rechtbank stelt met eiser vast dat een verschil bestaat tussen het BMA-advies in deze zaak en eerdere adviezen van het BMA ten aanzien van met hiv-geïnfecteerde vreemdelingen uit Ghana, bijvoorbeeld het BMA-advies in de zaak van A. Nyarko van 12 mei 2004. Voorheen waren de adviezen op twee pijlers gestoeld, te weten de mogelijkheid van behandeling en het percentage patiënten dat werd behandeld in het land van herkomst. Voor de medisch-technische beschikbaarheid speelde dat percentage in het door eiser overgelegde voorbeeld uitdrukkelijk een rol. In het door eiser overgelegde advies uit 2004 volgde dat slechts voor 1,8 % van de volwassen hiv-patiënten met een gevorderde infectie antiretrovirale behandeling kreeg. Het BMA concludeerde toen dat de beschikbaarheid van de behandeling onvoldoende was. In het huidige BMA-advies ontbreekt deze tweede pijler echter en wordt geen percentage meer genoemd. Gelet op deze wijziging die zich in de advisering van het BMA heeft voorgedaan, had verweerder, in ieder geval in bezwaar, hierover navraag moeten doen bij het BMA en hiervan rekenschap moeten afleggen in het bestreden besluit. Voorts had verweerder moeten motiveren waarom het percentage thans niet meer van belang wordt geacht. Dit klemt te meer nu uit de overgelegde informatie blijkt dat slechts tussen de 7 à 10 % van de hiv-patiënten wordt behandeld in Ghana. Nu verweerder dit heeft nagelaten, is er sprake van een onzorgvuldige voorbereiding en een motiveringsgebrek in het besluit, voor zover het steunt op dit deel van het BMA-advies.

3.1 De door partijen overgelegde informatie, genoemd onder II. 4 en 5, geeft geen duidelijk antwoord op de vraag of laboratoriumonderzoek van de viral load in Ghana mogelijk is. Uit de informatie van International SOS van 25 juni 2007 blijkt dat dergelijk onderzoek mogelijk is. Het eerder die maand verstuurde ‘answer form’ van de vertrouwensarts vermeldt dat laboratoriumonderzoek naar viral load niet altijd mogelijk is. De door eiser geraadpleegde dr. Addo bevestigt de juistheid hiervan op 3 december 2007. De meest recente informatie van de door verweerder geraadpleegde vertrouwensarts, van 5 december 2007, vermeldt de mogelijkheid van laboratoriumonderzoek ‘for CD4 and all necessary lab follow-ups’, maar vermeldt niet expliciet de mogelijkheid van dergelijk onderzoek naar viral load. Onduidelijk is derhalve of laboratoriumonderzoek naar viral load in Ghana mogelijk is.

3.2 Uit het BMA-advies blijkt dat behandeling en medicatie voor eiser voorhanden is in Ghana. Het BMA heeft zich hierbij gebaseerd op informatie van International SOS van 19 april 2006. Deze vermeldt dat laboratoriumonderzoek in zowel publieke als private sector mogelijk is. De hiervoor geconstateerde onduidelijkheid over de mogelijkheid van laboratoriumonderzoek naar viral load biedt voldoende aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het BMA-advies in onderhavige zaak. Het had op de weg van verweerder gelegen om hiernaar nader onderzoek te verrichten. Nu verweerder dit heeft nagelaten, is er sprake van een onzorgvuldige voorbereiding en een motiveringsgebrek in het besluit, voor zover het steunt op dit deel van het BMA-advies.

Het gelijkheidsbeginsel

4.1 Eiser heeft gewezen op een aantal gevallen van Ghanese hiv-patiënten aan wie onlangs verblijf is toegestaan. Eiser stelt dat zijn situatie gelijk is aan deze gevallen en doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Verweerder heeft zich in de bestreden beschikking op het standpunt gesteld dat de inwilliging in de zaak [vreemdeling] op een ambtelijke misslag berust, welke is ontstaan door een onduidelijke formulering van het bij die beslissing behorende advies van het BMA. De overige door eiser aangehaalde gevallen zijn volgens verweerder niet gelijk aan die van eiser.

4.2 Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen. Uit de verklaringen van de gemachtigde van verweerder en getuige-deskundige De Vries ter zitting is gebleken dat elke zaak op zijn eigen individuele merites wordt beoordeeld. Bij de advisering gaat het BMA expliciet in op de medische situatie van de individuele vreemdeling, de behandeling die voor die ene persoon noodzakelijk is, zowel wat betreft geneesmiddelen, behandelwijze en overige voorzieningen, en om de stand van zaken ten aanzien van die behandelmogelijkheden op dat moment in het land van herkomst. Uit de BMA-adviezen en beschikkingen waarnaar eiser heeft verwezen, blijkt dat deze zaken inderdaad op hun eigen merites zijn beoordeeld.

Aan eiser moet worden toegegeven dat het in het verleden een tijd lang leek dat het BMA in alle zaken waarin sprake was van met hiv-geïnfecteerde vreemdelingen afkomstig uit Ghana adviseerde dat er geen medische behandeling mogelijk was in het land van herkomst.

Ter zitting heeft getuige-deskundige De Vries echter betoogd dat dit was gelegen in de omstandigheid dat het BMA een half jaar lang geen nieuwe informatie bij SOS International heeft opgevraagd, omdat het advies elke keer luidde dat er geen medische behandeling mogelijk was in Ghana. Na een half jaar heeft het BMA SOS International wederom om informatie verzocht. Daaruit bleek dat medische behandeling in sommige gevallen mogelijk was, als gevolg waarvan het BMA heeft besloten om wederom in individuele gevallen informatie aan SOS International te vragen.

Het geval van eiser is dus in zoverre gelijk aan die van anderen dat het gaat om hiv-geïnfecteerden. Zijn geval is echter anders wat betreft ziektebeeld en noodzakelijke behandeling, als ook wat de actuele stand van de behandelmogelijkheden in Ghana. Daarom faalt deze beroepsgrond.

Artikel 3 van het EVRM

5. Eiser heeft aangevoerd dat het eventueel weigeren van verblijf dan wel het terugzenden naar Ghana van eiser in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank volgt deze stelling niet. Immers, de omstandigheid dat de rechtbank onderhavig beroep thans gegrond verklaart, brengt met zich dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen. Eiser heeft dan ook op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000 rechtmatig verblijf hier te lande. Mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM komt eerst aan de orde indien er sprake is van uitzetting van eiser. Gelet op vorenstaande is daarvan vooralsnog geen sprake als gevolg waarvan deze grond niet kan slagen.

6. Uit vorenstaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12 van de Awb. Derhalve zal het beroep gegrond worden verklaard, het bestreden besluit worden vernietigd en bepaald worden dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

7. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Awb worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

8. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

9. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

10. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 en artikel 8:82, vierde lid van de Awb wijst de recht¬bank, respectievelijk de voorzieningenrechter de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter ver¬goeding van het door eiser betaalde griffierecht.

V. BESLISSING

De rechtbank

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 07/37044

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen tien weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

De voorzieningenrechter

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 07/37045

- wijst het verzoek af;

In alle zaken:

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 966,-- (zegge: negenhonderd zesenzestig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 143, -- (zegge: éénhonderd drieënveertig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.S. Crince Le Roy, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, en mrs. O.L.H.W.I. Korte en P.H.M. Kuster, in tegenwoordigheid van mr. M.L. van Leer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2008.

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc: ML

Coll:

D: C

Tegen de uitspraak op het beroep staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.