Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD8287

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-07-2008
Datum publicatie
23-07-2008
Zaaknummer
AWB 07/29594 en AWB 07/29595
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BH2573, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verblijfsvergunning / aantekening ‘arbeid vrij toegestaan, twv niet vereist’ geeft geen recht op voortgezet verblijf

Eiser beschikt van 30 oktober 2004 tot 1 juni 2006 over een verblijfsvergunning met de aantekening ‘arbeid vrij toegestaan, een twv niet vereist’. Op zich geeft dit geen recht op voortgezet verblijf na beëindiging van het rechtmatig verblijf (in navolging van de Afdeling 21 september 2005, LJN: AU3590). Dat ingevolge de Wav, in verbinding met het Besluit uitvoering Wav, een arbeidsmarktaantekening opnieuw wordt afgegeven aan een vreemdeling die in het verleden heeft beschikt over een krachtens de Vw 2000 afgegeven vergunning met daarop eenzelfde aantekening en die nadien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd, betekent niet dat niet aan de voor het verlenen van de aangevraagde verblijfsvergunning geldende vereisten behoeft te worden voldaan. De rechtbank ziet in vermelde uitspraak geen enkel aanknopingspunt voor eisers stelling dat de overwegingen slechts betrekking hebben op een beperkte categorie vreemdelingen, zijnde uitwisselingsjongeren uit Canada, Nieuw-Zeeland of Australië. Integendeel, de uitspraak bevat een groot aantal algemeen geformuleerde overwegingen betreffende de onderhavige materie welke evenzeer van toepassing zijn op andere categorieën vreemdelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, enkelvoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr.: AWB 07/29594 en AWB 07/29595

V-nummer: [..]

Inzake: [eiser], eiser,

gemachtigde mr. D. Schaap, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. R.C. van Keeken.

I Procesverloop

1 Eiser, geboren op [geboortedatum], bezit de Kaapverdische nationaliteit. Eiser is van 1 november 2002 tot 30 oktober 2004 in het bezit geweest van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) onder de beperking ‘het doorbrengen van verlof in Nederland’ met de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid niet toegestaan’. Aansluitend is eiser tot 1 november 2005 in het bezit geweest van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel ‘zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’, met de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid vrij toegestaan, twv niet vereist’. Op 27 oktober 2005 heeft hij een aanvraag ingediend tot verlenging van de aan hem verleende verblijfsvergunning, welke aanvraag is ingewilligd onder wijziging van de beperking in ‘het verrichten van arbeid in loondienst bij Scheepvaartbedrijf R. Koopmans’, met de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid vrij toegestaan, twv niet vereist’, en geldig van 1 november 2005 tot 1 juni 2006. Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend.

Op 16 mei 2006 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlenging van de hem verleende verblijfsvergunning en tot het wijziging van de beperking ‘arbeid in loondienst bij scheepvaartbedrijf R. Koopmans’ in ‘arbeid in loondienst bij Swets Nautische Personeelsdiensten’. Bij besluit van 17 november 2006, verzonden op 21 november 2006, heeft verweerder de aanvraag tot het wijzigen van eisers verblijfsvergunning regulier afgewezen, waartegen eiser bij brief van 19 december 2006 bezwaar heeft gemaakt. Bij besluit van 22 juni 2007 (hierna: bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van 19 december 2006 ongegrond verklaard.

Op 28 november 2006 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het wijzigen van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid in loondienst bij scheepvaartbedrijf R. Koopmans’ in de beperking ‘arbeid in loondienst bij Alfas Gevelreiniging BV.’. Deze aanvraag is bij besluit van 30 januari 2007 afgewezen, waartegen eiser op 27 februari 2007 bezwaar heeft gemaakt. Bij besluit van 22 juni 2007 (hierna: bestreden besluit 2) heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard.

2 Op 20 juli 2007 heeft eiser tegen beide besluiten van 22 juni 2007 beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft op 19 maart 2008 een verweerschrift ingediend.

3 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op

15 april 2008. Ter zitting is verschenen eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

II Overwegingen

1.1 Ingevolge artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

1.2 Op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 is verweerder bevoegd een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in dat artikel te wijzigen, hetzij op aanvraag van de houder van de vergunning, hetzij ambtshalve wegens veranderde omstandigheden.

1.3 Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder een beperking verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan.

1.4 Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, onder f, van het Vreemdelingenbesluit 2000

(Vb 2000) kan de in artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 bedoelde beperking verband houden met arbeid in loondienst.

1.5 Ingevolge artikel 3.31, eerste lid, van het Vb 2000 wordt de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst verleend aan de vreemdeling die in Nederland arbeid in loondienst verricht of gaat verrichten en waarvoor na toetsing aan prioriteitgenietend aanbod op de Nederlandse arbeidsmarkt een tewerkstellingsvergunning (hierna: twv) als bedoeld in artikel 1, onder e, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav) is afgegeven. De aanvraag om voortgezet verblijf voor het verrichten van arbeid in loondienst wordt getoetst aan het beleid zoals neergelegd in hoofdstuk B5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 ( Vc 2000).

1.6 Ingevolge artikel 3.81 van het Vb 2000 wordt, voor zover hier van belang, een aanvraag tot het wijzigen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd beoordeeld als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning.

1.7 Het beleid met betrekking tot verblijfsvergunningen met als verblijfsdoel arbeid is neergelegd in hoofdstuk B5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna Vc 2000).

In paragraaf B5/3.2.2 van de Vc 2000 is het volgende bepaald:

Ten aanzien van een vreemdeling die drie jaar de beschikking heeft gehad over een voor arbeid geldige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd geldt voor de werkgever niet langer de verplichting te beschikken over een twv. Het is hierbij niet van belang of sprake is geweest van arbeid in loondienst dan wel arbeid als zelfstandige.

Paragraaf B5/3.2.3 luidt (voor zover relevant) als volgt:

Een aantal categorieën vreemdelingen komt in aanmerking voor een arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid vrij toegestaan. twv niet vereist’(zie artikel 2, Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen).

Het gaat om de volgende categorieën van vreemdelingen:

- een vreemdeling die in het verleden heeft beschikt over een krachtens de Vw afgegeven verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met daarop een aantekening dat arbeid vrij is toegestaan en nadien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd;

- ..

Artikel 3.31 Vb staat niet de vergunningverlening in de weg aan de vreemdeling die drie jaar arbeid heeft verricht waarvoor na toetsing aan het prioriteitgenietend aanbod op de Nederlandse arbeidsmarkt een twv was afgegeven en om die reden vrij is op de arbeidsmarkt, ook indien met zijn werkzaamheden niet (langer) een wezenlijk Nederlands belang is gediend.

2 Verweerder stelt zich ten aanzien van de aanvraag van 16 mei 2006 op het standpunt dat eiser niet voor het wijzigen van de aan hem verstrekte verblijfsvergunning met als doel ‘arbeid in loondienst bij Swets Nautische Personeelsdiensten’ in aanmerking komt daar eiser niet heeft aangetoond dat hij over voldoende en duurzame middelen van bestaan beschikt. Ingevolge artikel 3.81 van het Vb 2000 wordt een aanvraag tot wijziging van (de beperking van) een verblijfsvergunning beoordeeld als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning. Het bepaalde in artikel 3.31 van het Vb 2000 is derhalve van toepassing. Tevens wordt de verblijfsvergunning van eiser niet verlengd omdat niet gebleken is dat eiser nog in dienst is bij Scheepvaartbedrijf R. Koopmans. Nu vast staat dat eiser tegen verweerders besluit waarbij aan eiser een verblijfsvergunning regulier is verleend van 1 november 2005 tot 1 juni 2006 onder de beperking ‘arbeid in loondienst bij Scheepvaartbedrijf R. Koopmans’, geen bezwaar heeft ingediend, is dit besluit onherroepelijk. Gelet hierop kan bij de onderhavige aanvragen hierop niet worden teruggekomen. Verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 24 januari 2007 (LJN: AZ6851) maakt dit niet anders nu de wettelijke grondslag van deze beperking is gelegen in artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder f van het Vb 2000. Verweerder acht geen grond aanwezig voor toekenning van vergoeding van de kosten van bezwaar. Het feit dat in het dictum van het besluit niet is opgenomen dat het verzoek om vergoeding van kosten wordt afgewezen, doet niet af aan het feit dat in het besluit op dit punt wel een beslissing is genomen. Verweerder acht het bezwaar kennelijk ongegrond en heeft daarom afgezien van het horen van eiser in bezwaar.

Ten aanzien van de aanvraag van 28 november 2006 stelt verweerder zich op het standpunt dat met de arbeid van eiser geen wezenlijk Nederlands belang is gediend. Verweerder toetst de aanvraag aan het bepaalde in artikel 3.31 van het Vb 2000. Eiser is weliswaar vrij op de arbeidsmarkt, echter eiser is niet vrij in de keuze van werkgever of soort werk volgens het vreemdelingenrecht. Uit het feit dat eiser in het bezit is van de aantekening twv niet vereist kan niet worden afgeleid dat met zijn verblijf een wezenlijk Nederlands belang is gediend op grond waarvan opnieuw verblijf zou moeten worden verleend. Uit informatie van de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: CWI) is gebleken dat in voldoende mate prioriteitgenietend aanbod van werknemers op de Nederlandse arbeidsmarkt aanwezig is voor werkzaamheden als door eiser verricht. Dat eiser mogelijk zou voldoen aan voorwaarden van een andere categorie (zeelieden) is niet van belang daar gelet op de aanvraag ‘arbeid in loondienst bij werkgever Alfas Gevelreiniging’ getoetst moet worden aan de voorwaarden voor vergunningverlening onder die beperking. Verweerder ziet geen aanleiding tot vergoeding van de aan de behandeling van het bezwaar verbonden kosten nu het bestreden besluit niet is herroepen. Verweerder acht het bezwaar kennelijk ongegrond en heeft daarom afgezien van het horen van eiser in bezwaar.

Ter aanvulling is in het verweerschrift nog aangevoerd dat het besluit zo moet worden uitgelegd dat ook indien eerder geen twv was vereist, thans gelet op de beperking waaronder de aanvraag is gedaan en gelet op de toepasselijke wet- en regelgeving, zoals de Wav en het Vb 2000 en het daarop gebaseerde beleid van verweerder, neergelegd in de paragrafen B1/2.3.1 en B5/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) wel een twv is vereist.

3 Eiser kan zich niet verenigen met het standpunt van verweerder en voert daartoe het volgende aan. Verweerder heeft op eisers aanvraag van 27 oktober 2005 ten onrechte ambtshalve besloten tot wijziging van de beperking van ‘zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’, met de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid vrij toegestaan, twv niet vereist’ in ‘arbeid in loondienst bij scheepvaartbedrijf R. Koopmans’. Hiermee is eiser slechter af nu hij door de koppeling van zijn verblijfsvergunning aan een werkgever bij elke wijziging van werkgever een wijziging van de beperking moet aanvragen. Indien destijds een verblijfsvergunning aan eiser was verstrekt onder de juiste beperking dan had de onderhavige afwijzing niet kunnen plaatsvinden. Eiser wijst er op dat er destijds voor hem geen aanleiding bestond om bezwaar te maken tegen de onjuiste beperking omdat hij desondanks zijn werkzaamheden bij scheepvaartbedrijf R. Koopmans kon voortzetten. Voorts kon eiser destijds het toekomstige probleem zoals zich dat nu voordoet niet voorzien. Onder verwijzing naar de uitspraken van de de Afdeling van 24 januari 2007 (LJN: AZ6851) en van 28 februari 2007 (LJN: AZ9525) stelt eiser dat de beperking ‘arbeid in loondienst bij scheepvaartbedrijf R. Koopmans’ iedere wettelijke grondslag mist. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte toetst aan artikel 3.31 van het Vb 2000 nu die bepaling ziet op werknemers die voor het eerst hier te lande worden toegelaten. Hiervan is bij eiser geen sprake.

Wat betreft de afwijzing van de aanvraag van 28 november 2006 stelt eiser zich op het standpunt dat ook hier geldt dat door verweerder wordt voortgebouwd op een eerdere, onder een onjuiste beperking verleende verblijfsvergunning. Eiser stelt voorts dat hij voldoet aan de voorwaarden uit B5/3.2.3 van de Vc , dat hij derhalve in aanmerking komt voor de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid vrij toegestaan, twv niet vereist’. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser op een tweetal andere zaken gewezen. Bovendien voldoet eiser aan de voorwaarden van de vreemdeling die gedurende zeven jaar werkzaam is geweest aan boord van een Nederlands zeeschip. Tenslotte stelt eiser dat verweerder ten onrechte niet heeft beslist op het verzoek om vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten voor rechtsbijstand en bovendien heeft gehandeld in strijd met de hoorplicht, nu eiser ten onrechte niet op zijn bezwaar is gehoor. Eiser wijst er op dat afzien van horen een uitzondering dient te zijn.

4 De rechtbank overweegt als volgt.

4.1 Niet in geschil is dat verweerder aan eiser de volgende verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd heeft verleend:

- van 11 november 2002 tot 30 oktober 2004 onder de beperking ‘het doorbrengen van verlof in Nederland, arbeid is niet toegestaan’;

- van 30 oktober 2004 tot 1 november 2005 onder de beperking ‘het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst, arbeid vrij toegestaan, geen twv vereist’;

- van 1 november 2005 tot 1 juni 2006 onder de beperking ‘het verrichten van arbeid in loondienst bij Scheepvaartbedrijf R. Koopmans, arbeid vrij toegestaan, een twv niet vereist’.

4.2 Niet in geschil is voorts dat eiser tegen het besluit van verweerder op eisers aanvraag van 27 oktober 2005 waarbij hem een verblijfsvergunning regulier is verleend geldig van 1 november 2005 tot 1 juni 2006 onder de beperking ‘arbeid in loondienst bij Scheepvaartbedrijf R. Koopmans’, geen bezwaar heeft ingediend. Hierdoor is dit besluit in rechte onaantastbaar geworden zodat van de gelding van de aan deze vergunning verbonden voorwaarden moet worden uitgegaan. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat dit besluit een voorwaarde bevat waarvan moet worden gesteld dat voor een ieder op voorhand duidelijk is dat deze voorwaarde niet aan de vergunning mocht worden verbonden (de Afdeling, 24 januari 2007, LJN: AZ6851). Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de wettelijke grondslag voor de bij dit besluit verleende vergunning is te vinden in artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder f van het Vb 2000 zodat niet gezegd kan worden dat de betreffende beperking iedere wettelijke grondslag mist. Het thans door eiser aangevoerde argument dat verweerder destijds ten onrechte ambtshalve een andere beperking aan de gevraagde vergunning heeft verbonden dan waarom eiser had verzocht, had door eiser moeten worden aangevoerd in bezwaar tegen het besluit op de aanvraag van 27 oktober 2005. De rechtbank kan dit argument thans niet meer, met voorbijgaan aan de formele rechtskracht van bedoeld besluit, beoordelen.

Eisers stelling dat de aanvragen beoordeeld dienen te worden in het licht van een destijds verleende vergunning met een onjuiste beperking wordt derhalve verworpen.

Ten aanzien van bestreden besluit 1 (AWB 07/29595)

4.3 Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerder de aanvraag tot wijziging van de beperking in ‘arbeid in loondienst bij Swets Nautische Personeelsdiensten’ heeft kunnen afwijzen onder toepassing van artikel 3.81 van het Vb 2000 in samenhang met artikel 3.31 van het Vb 2000.

4.4 Ingevolgde artikel 3.81 van het Vb 2000 wordt een aanvraag tot het wijzigen van een vergunning beoordeeld als een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning. Bij tijdig ingediende aanvragen gelden daarop een aantal uitzondering, zoals het niet stellen van het mvv-vereiste. De in artikel 3.81 van het Vb 2000 genoemde uitzonderingen zijn thans niet aan de orde. Verweerder heeft de aanvraag tot wijziging van de beperking derhalve terecht getoetst aan de voorwaarden van artikel 3.31 van het Vb 2000. In beroep is niet betwist dat eiser niet voldoet aan de in artikel 3.31, tweede lid aanhef en onder c, van het Vb 2000 opgenomen voorwaarde inhoudende dat eiser duurzaam en zelfstandig een zeker inkomen dient te verwerven. Reeds op grond hiervan dient te worden geoordeeld dat verweerder op goede gronden de gevraagde wijziging van de beperking heeft geweigerd.

Ten aanzien van bestreden besluit 2 (AWB 07/29594)

4.5 Zoals hiervoor onder 4.4 is overwogen wordt een aanvraag tot wijziging van een vergunning ingevolge artikel 3.81 van het Vb 2000 beoordeeld als een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning. Op grond hiervan heeft verweerder ook eisers aanvraag van 28 november 2006 getoetst aan artikel 3.31 van het Vb 2000. Verweerder is tot de conclusie gekomen dat voor de arbeid die eiser wenst te gaan verrichten bij Alfas Gevelreiniging voldoende prioriteitgenietend aanbod op de Nederlandse arbeidsmarkt aanwezig is, zodat met eisers verblijf geen wezenlijk Nederlands belang wordt gediend. Eiser komt derhalve niet in aanmerking voor een twv.

4.6 In geschil is de vraag of terecht het vereiste aan eiser wordt gesteld dat na toetsing aan prioriteitgenietend aanbod op de Nederlandse arbeidsmarkt ten behoeve van hem een twv is afgegeven. Eiser heeft gewezen op het feit dat hij vanaf 30 oktober 2004 tot 1 juni 2006 beschikte over een verblijfsvergunning met de aantekening ‘arbeid vrij toegestaan, een twv niet vereist’. Ingevolge het beleid zoals opgenomen in B5/3.2.2 van de Vc 2000, mag de twv eis dan niet meer gesteld worden, aldus eiser. In navolging van de Afdeling (21 september 2005, LJN: AU3590) overweegt de rechtbank dat de aantekening ‘arbeid vrij toegestaan, een twv niet vereist’ op zich geen recht geeft op voortgezet verblijf na beëindiging van het rechtmatig verblijf. Uit het systeem van de Vw 2000 volgt dat de vraag of een vreemdeling voor voortgezet verblijf in aanmerking komt, wordt beantwoord aan de hand van het bepaalde bij en krachtens deze wet. De Wav heeft slechts betrekking op de toelating tot de arbeidsmarkt. Dat ingevolge artikel 4, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wav in verbinding met artikel 2, aanhef en onder d, Besluit uitvoering Wav een aantekening ex artikel 4, eerste lid, van de Wav opnieuw wordt afgegeven aan een vreemdeling die in het verleden heeft beschikt over een krachtens de Vw 2000 afgegeven vergunning met daarop eenzelfde aantekening en die nadien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd, betekent niet dat niet aan de voor het verlenen van de aangevraagde verblijfsvergunning geldende vereisten behoeft te worden voldaan.

De rechtbank ziet in de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling geen enkel aanknopingspunt voor de stelling van eiser dat de overwegingen van deze uitspraak slechts betrekking hebben op een beperkte categorie vreemdelingen, zijnde uitwisselingsjongeren uit Canada, Nieuw-Zeeland of Australië. Integendeel, de uitspraak bevat een groot aantal algemeen geformuleerde overwegingen betreffende de onderhavige materie welke evenzeer van toepassing zijn op andere categorieën vreemdelingen.

4.7 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat voorgaande overwegingen van de Afdeling niet van toepassing zijn op hem, gewezen op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 12 september 2007 (LJN: BC2952). Naar het oordeel van de rechtbank is de zaak die aan deze uitspraak ten grondslag niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak. Immers, in die zaak was sprake van een vreemdeling die gedurende (meer dan) drie jaar in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid in loondienst’. Ingevolge het beleid zoals neergelegd in paragraaf B5/3.2.2 wordt een aantekening ‘arbeid vrij toegestaan, twv niet vereist’ afgegeven aan een vreemdeling die gedurende een onafgebroken tijdvak van drie jaar heeft beschikt over een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfsvergunning en nadien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd. Die betreffende vreemdeling was derhalve inmiddels vrij op de arbeidsmarkt. Eiser voldoet niet aan deze voorwaarden. In deze uitspraak ziet de rechtbank derhalve geen aanleiding anders te oordelen dan zoals hiervoor onder 4.6 overwogen. De rechtbank wijst overigens op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 31 januari 2006 (LJN: AW4872) waarin eveneens is geoordeeld dat in kader van een aanvraag voortgezet verblijf, het feit dat de betreffende vreemdeling is vrijgesteld van het twv vereiste niet betekent dat de prioriteitgenietend aanbod toets niet zou mogen worden verricht in het kader van de vraag of haar voortgezet verblijf dient te worden toegestaan op grond van de Vw 2000.

4.8 Nu vast staat dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden als bedoeld in paragraaf B5/3.2.2 (dat hij gedurende drie jaar heeft beschikt over een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid en nadien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd), heeft verweerder terecht gesteld dat ten behoeve van eiser na toetsing aan het prioriteitgenietend aanbod een twv diende te zijn afgegeven. Het enkele feit dat eiser eerder (al dan niet ten onrechte ) niet de twv eis is gesteld, maakt dit niet anders. Verweerder is niet gehouden eerder gemaakte (kennelijke) misslagen te herhalen.

4.9 Eisers verwijzing naar het dossier van een andere vreemdeling [vreemdeling] treft geen doel. Uit de bijgevoegde stukken blijkt dat de situatie van deze vreemdeling niet vergelijkbaar was met die van eiser. In de zaak van [vreemdeling] bleek het verstrekte verblijfsdocument immers een andere aantekening te bevatten dan genoemd in het besluit tot vergunningverlening. Hetzelfde geldt voor de verwijzing naar het dossier van [vreemdeling]. Uit de door de gemachtigde van eiser verstrekte informatie blijkt dat deze vreemdeling een vergunning heeft met een andere beperking dan eiser. Ook blijkt niet dat deze vreemdeling evenals eiser een verzoek tot wijziging van de beperking heeft gedaan. Eisers verwijzing naar zijn arbeidsverleden als zeeman aan boord van een Nederlands zeeschip treft evenmin doel. Thans is immers niet een aanvraag met een dergelijke beperking aan de orde.

4.10 De rechtbank is met eiser van mening dat het bestreden besluit ten aanzien van de prioriteitgenietend aanbod toets en het twv vereiste onduidelijk en derhalve niet deugdelijk is gemotiveerd. Waar eerst wordt gesteld (blz 3, vijfde alinea) dat niet is vereist dat eiser een twv bezit, wordt later overwogen dat uit de aantekening niet kan worden afgeleid dat met eisers verblijf wezenlijk Nederlands belang wordt gediend op grond waarvan opnieuw verblijf zou moeten worden verleend. Vervolgens wordt overwogen dat niet is gebleken dat eisers werkgever een tewerkstellingsvergunning voor eiser heeft aangevraagd en dat uit informatie van het CWI blijkt dat in voldoende mate prioriteit genietend aanbod op de Nederlandse arbeidsmarkt aanwezig is voor werkzaamheden als door eiser verricht. De ondeugdelijke motivering is aanleiding het bestreden besluit te vernietigen. Nu echter uit het besluit voldoende duidelijk naar voren komt dat getoetst wordt aan de voorwaarden van artikel 3.31, eerste lid, van het Vb 2000 en dat daaraan naar het oordeel van verweerder niet aan wordt voldaan, en nu, naar het oordeel van de rechtbank, materieel geen andere beslissing mogelijk is, ziet de rechtbank aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven.

Ten aanzien van bestreden besluiten 1 en 2

4.11 Ten aanzien van eisers verzoek tot vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure is de rechtbank van oordeel dat in de bestreden besluiten gemotiveerd is overwogen dat er geen grond bestaat voor toekenning van vergoeding van deze kosten. Verweerder heeft derhalve beslist op eisers verzoeken om schadevergoeding. Het enkele feit dat deze beslissing in de dicta van de bestreden besluiten niet is opgenomen, maakt dat niet anders. Eisers stelling in deze treft dan ook geen doel.

4.12 Naar aanleiding van de grief van eiser dat hij niet op zijn bezwaarschriften is gehoord, overweegt de rechtbank het volgende.

4.12.1 De vraag of in bezwaar al dan niet een hoorplicht bestaat wordt beheerst door hoofdstuk 7 van de Awb. Ingevolge artikel 7:2 van de Awb geldt als uitgangspunt dat men op zijn bezwaar wordt gehoord. Van het horen kan op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb onder meer worden afgezien, indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Er is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar ingeval uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over deze conclusie. Daarbij moet de inhoud van het bezwaarschrift worden beoordeeld in samenhang met hetgeen in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de motivering van de primaire beslissing.

4.12.2 De rechtbank is, gelet op de inhoud van de bezwaarschriften, bezien in samenhang met hetgeen eiser in eerste instantie heeft aangevoerd en hetgeen daaromtrent in de primaire beslissing is overwogen, van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar. Van in bezwaar naar voren gebrachte argumenten op grond waarvan verweerder zou hebben moeten twijfelen aan zijn eerder ingenomen standpunt is de rechtbank niet gebleken. Verweerder heeft om die reden van het horen van eiser kunnen afzien. De grief faalt derhalve.

5 Het beroep wordt derhalve gegrond verklaard.

6 De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1).

III Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

rechtdoende:

Ten aanzien van AWB 07/29595

verklaart het beroep ongegrond;

Ten aanzien van AWB 07/29594

1 verklaart het beroep gegrond;

2 vernietigt het bestreden besluit;

3 bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;

4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden;

5 gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,- vergoedt.

Aldus gedaan door mr. C. Laukens, rechter, en door deze en mr. G. Buijtenhek, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 17 juli 2008.

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

Afschrift verzonden op: